Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:8249

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
23-09-2020
Zaaknummer
ROT 18/6493
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Einduitspraak na tussenuitspraak. Disciplinair ontslag ambtenaar vanwege plichtsverzuim. Onderzoek naar toerekenbaarheid. Evenredigheid ontslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 18/6493

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 september 2020 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [woonplaats eiser] , eiser,

gemachtigde: mr. T.J.W.M. Stals,

en

de Minister van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. E.M. Kauffman.

Procesverloop

Voor een weergave van het procesverloop tot aan de tussenuitspraak van 26 juli 2019 verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak.

In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat aan het besluit van 13 november 2018 (het bestreden besluit) gebreken kleven en verweerder in de gelegenheid gesteld deze gebreken te herstellen.

Bij besluit van 26 mei 2020 (de nieuwe beslissing op bezwaar) heeft verweerder van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

Bij brief van 23 juli 2020 heeft eiser daarop een zienswijze ingediend.

Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek op 2 september 2020 gesloten.

Overwegingen

1. Voor de van belang zijnde feiten, standpunten van partijen en de toepasselijke regelgeving verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak.

2. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte het aanleggen van de nekklem als plichtsverzuim heeft aangemerkt. Daarnaast is geoordeeld dat verweerder ten onrechte een onderzoek naar de toerekenbaarheid van de overige aan eiser verweten gedragingen achterwege heeft gelaten. Hiermee heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 35 van de Penitentiaire beginselenwet en de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3.1.

Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft verweerder de medisch adviseur [naam adviseur] van [naam bureau] ingeschakeld. De medisch adviseur heeft vervolgens een onderzoek naar de toerekeningsvatbaarheid van eiser op 31 december 2017 laten verrichten door de psychiater [naam psychiater] . Deze psychiater heeft kennis genomen van de medische stukken van de huisarts en de GZ-psycholoog van eiser, heeft eiser onderzocht en op 29 januari 2020 een rapport uitgebracht. Vervolgens heeft de medisch adviseur op 4 februari 2020 advies uitgebracht aan verweerder. Dit advies komt er in het kort op neer dat uit het psychiatrisch rapport volgt dat er geen sprake was van een aandoening op grond waarvan tot ontoerekeningsvatbaarheid moet worden geconcludeerd. Wel vindt de psychiater het aannemelijk dat bij eiser, gelet op zijn introverte karakter, bij een opeenstapeling van stressoren en de plotselinge en als zeer bedreigend overkomende gedragingen van een ingeslotene, op het moment van het incident op 31 december 2017 verlies van controle over zijn emotie- en agressieregulatie kon ontstaan.

3.2.

Verweerder heeft vervolgens de nieuwe beslissing op bezwaar genomen. In dat besluit werpt verweerder het aanleggen van de nekklem eiser niet meer tegen als plichtsverzuim. Onder verwijzing naar het rapport van de psychiater acht verweerder het plichtsverzuim ten aanzien van de overige verweten gedragingen toerekenbaar. De conclusie van de psychiater dat sprake was van een zeer bedreigend overgekomen gedraging van de ingeslotene volgt verweerder niet, nu die niet aansluit bij de feitelijke gang van zaken, zoals beschreven in de getuigenverklaringen/verslagen. Om die reden stelt verweerder dat eiser de ontoelaatbaarheid van de hem verweten gedragingen heeft kunnen inzien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen. Gezien de ernst en de aard van deze gedragingen acht verweerder de disciplinaire straf van ontslag nog steeds evenredig en laat die dan ook in stand.

4. Het beroep is van rechtswege mede gericht tegen de nieuwe beslissing op bezwaar. De rechtbank stelt vast dat in deze nieuwe beslissing op bezwaar verweerder eiser in lijn met de tussenuitspraak niet langer het aanleggen van de nekklem als plichtsverzuim tegenwerpt. Over de overige verweten gedragingen heeft de rechtbank al in de tussenuitspraak geoordeeld dat verweerder deze terecht als plichtsverzuim heeft aangemerkt. Beoordeeld dient te worden of verweerder met het verrichte onderzoek naar de toerekenbaarheid het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek heeft hersteld en, indien dat het geval is, of verweerder in zijn in de nieuwe beslissing op bezwaar genomen conclusies over de toerekenbaarheid van het plichtsverzuim en de evenredigheid van de disciplinaire straf kan worden gevolgd.

5.1.

Eiser voert in zijn zienswijze aan dat geen sprake is van een onafhankelijk onderzoek door [naam bureau] , nu [naam bureau] wordt betaald door verweerder en vaker voor verweerder werkt. Ook de door [naam bureau] ingeschakelde psychiater is niet onafhankelijk, omdat zowel de medisch adviseur als de psychiater lid is van dezelfde vereniging, de Nederlandse Vereniging voor Medisch Specialistische Rapportage. Eiser stelt dat hij ten onrechte geen inspraak heeft gehad in het benoemen van de deskundige. Verder stelt hij dat in de rapportage van de psychiater veronderstellingen en feitelijke onjuistheden staan, waarop de conclusie dat geen sprake is van ontoerekeningsvatbaarheid ten onrechte is gebaseerd. Daarnaast voert eiser aan dat in het onderzoek de periode voorafgaand aan het incident onderbelicht is gebleven en dat ten onrechte te veel aandacht is uitgegaan naar de periode daarna.

5.2.

Zoals onder 3.1. vermeld heeft verweerder voor het onderzoek naar de toerekenbaarheid gebruik gemaakt van deskundigen. Als eiser zich niet kon vinden in de door verweerder ingeschakelde deskundigen, had hij dat op een eerder moment kenbaar moeten maken. De rechtbank is niet gebleken dat deze deskundigen hun onderzoek niet onafhankelijk hebben verricht. Dat [naam bureau] betaald wordt door en vaker onderzoek verricht voor verweerder betekent niet dat de medisch adviseur zijn onderzoek niet onafhankelijk heeft verricht. De door hem ingeschakelde psychiater is niet werkzaam bij het adviesbureau. Het betreft een onafhankelijke arts, die op inzichtelijke en consistente wijze heeft gerapporteerd op welke feiten en omstandigheden zijn conclusies zijn gebaseerd. Dat de medisch adviseur en de psychiater lid zijn van dezelfde beroepsvereniging, doet niet af aan hun onafhankelijkheid ten opzichte van elkaar of van verweerder. Nu de psychiater op basis van zorgvuldig onderzoek heeft geconcludeerd dat op het moment van het plichtsverzuim bij eiser geen sprake was van ontoerekeningsvatbaarheid, lag het op de weg van eiser om tegenbewijs aan te dragen. Dit heeft hij niet gedaan. De enkele stelling van eiser dat de onderbouwing van deze conclusie op veel punten feitelijk niet klopt, is daarvoor onvoldoende. Ook is niet gebleken dat de psychiater onvoldoende de situatie voorafgaand aan het incident op 31 december 2017 bij zijn onderzoek heeft betrokken. Verweerder mocht de nieuwe beslissing op bezwaar dan ook baseren op het advies van de medisch adviseur. Verweerder heeft daarnaast voldoende gemotiveerd waarom hij de psychiater niet volgt in de conclusie dat sprake was van een als zeer bedreigend overgekomen gedraging van de ingeslotene, nu eiser bij de ingeslotene succesvol een nekklem had aangelegd en op dat moment vier bewakers tegenover één ingeslotene aanwezig waren. Het betoog van eiser slaagt daarom niet. Een ander oordeel op dit punt had eiser overigens niet gebaat, omdat (ook) de psychiater niet concludeert tot ontoerekeningsvatbaarheid. Dit leidt tot de conclusie dat verweerder zich in de nieuwe beslissing op bezwaar terecht op het standpunt stelt dat eiser de ontoelaatbaarheid van de hem verweten gedragingen heeft kunnen inzien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen.

6.1.

Nu het vastgestelde plichtsverzuim aan eiser is toe te rekenen, was verweerder bevoegd hem een disciplinaire straf op te leggen. Eiser voert aan dat de opgelegde straf niet evenredig is aan de aard en ernst van het plichtsverzuim. Daarbij dient volgens hem rekening te worden gehouden met zijn lange dienstverband, waarin hij altijd naar volle tevredenheid heeft gefunctioneerd en met het feit dat de ingeslotene geen letsel had.

6.2.

De opgelegde disciplinaire straf is, gezien de ernst en de aard van de gedragingen en gelet op de eisen van integriteit, betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid van medewerkers binnen een detentiecentrum, aan wier zorgen de ingeslotenen zijn toevertrouwd, niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim. Eiser heeft op meerdere momenten onnodig en disproportioneel geweld tegen de ingeslotene gebruikt. Dat de ingeslotene hierbij geen letsel zou hebben opgelopen, doet hieraan niet af; dit had gelet op het door eiser toegepaste geweld net zo goed anders kunnen zijn. Daarnaast heeft eiser niet direct openheid van zaken gegeven. De persoonlijke omstandigheden van eiser, waarop hij heeft gewezen en die ook door de psychiater bij zijn rapport zijn betrokken, maken het strafontslag evenmin onevenredig. Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank het aannemelijk dat eisers handelen negatief werd beïnvloed door de al langer ervaren mentale druk vanwege aanhoudende stressoren in zijn privé- en werksituatie. Van eiser mocht echter, juist vanwege zijn jarenlange werkervaring en het feit dat hij door zijn leidinggevende betrekkelijk kort voor het incident nog was aangesproken met de vraag hoe het ging, worden verwacht dat hij deze ervaren druk eerder onder de aandacht van zijn leidinggevende zou brengen en bespreekbaar zou maken dat hij hierdoor problemen op het werk kon ondervinden. Dit heeft eiser niet gedaan. Deze keuze van eiser komt voor zijn eigen rekening en risico.

7. Gelet op de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken is het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en dient dit besluit te worden vernietigd. Nu verweerder deze gebreken bij de nieuwe beslissing op bezwaar heeft hersteld en het strafontslag evenredig is aan het in die beslissing vastgestelde toerekenbare plichtsverzuim, is het beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Nu de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaart, ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.312,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 525,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

- verklaart het beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 170,- vergoedt,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.312,50.

Deze uitspraak is gedaan op 22 september 2020 door mr. R.H. Kroon, voorzitter, en mr. B. van Velzen en mr. M.C. Snel-van den Hout, leden, in aanwezigheid van mr. A.J. Mourik, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd te tekenen.

griffier voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak van 26 juli 2019 kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.