Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:8236

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-09-2020
Datum publicatie
21-09-2020
Zaaknummer
C/10/585116 / HA ZA 19-1016
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Terugvordering van geldleningen van € 78.000,- en € 122.000,-. Gedaagde beroept zich op dwaling en stelt tevens dat de geldleningen voor de vorm zijn opgemaakt, mede gelet op de affectieve relatie met de geldleenverstrekker. Inmiddels is de geldleenverstrekker overleden en hij heeft gedaagde als legataris benoemd in zijn testament. De rechtbank gelast alsnog een mondelinge behandeling, gecombineerd met de huurzaak die tussen partijen aanhangig is bij de kantonrechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/585116 / HA ZA 19-1016

Vonnis van 16 september 2020 (bij vervroeging)

aanvankelijk in de zaak van

1. [naam eiseres] in haar hoedanigheid van gevolmachtigde van haar vader [naam 1],

wonende te [woonplaats eiseres] ,

2. [naam eiser 2],

wonende te [woonplaats eiser 2] ,

3. [naam eiser 3] in zijn hoedanigheid van gevolmachtigde van [naam 1],

wonende te [woonplaats eiser 3] ,

oorspronkelijk eisers

advocaat: mr. L. Kloot te Rotterdam

vervolgens in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VERKERK & VOS BEWINDVOERINGEN MINNELIJK B.V. in hoedanigheid van curator van de heer [naam 1] (hierna: de curator),

gevestigd te Nieuw-Lekkerland,

oorspronkelijk eiseres,

advocaat: mr. A.C. de Bakker te Hendrik-Ido-Ambacht,

en thans in de zaak van

[naam notaris 1] in zijn hoedanigheid van executeur en afwikkelingsbewindvoerder van de heer [naam 1] , (hierna; [naam notaris 1])
zaakdoende te Hellevoetsluis,
opvolgend eiser,

advocaat: mr. A.C. de Bakker te Hendrik-Ido-Ambacht,

tegen

1. [naam gedaagde 1] (hierna: [naam gedaagde 1] ),

wonende te [woonplaats gedaagde 1] ,

gedaagde,

advocaat: mr. S. Kara te Rotterdam.

2. [naam gedaagde 2] , h.o.d.n. [handelsnaam]

zaakdoende te [woonplaats gedaagde 2] ,

gedaagde,

niet verschenen


Partijen worden hierna aangeduid als “ [naam eiseres] ”, “ [naam gedaagde 1] ” en “ [naam gedaagde 2] ”, terwijl [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2] gezamenlijk worden aangeduid als “gedaagden”.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 23 oktober 2019, met de daarbij overgelegde producties 1 tot en met 12;

  • -

    de conclusie van antwoord met de daarbij overgelegde producties 1 tot en met 6;

  • -

    de akte overname procedure, zijdens [naam 1] , met producties 13;

  • -

    de conclusie van repliek met de producties 14 tot en met 21;

  • -

    de akte overname procedure zijdens [naam 1] met productie 22;

  • -

    de conclusie van dupliek met producties 7 en 8

1.2.

De uitspraak van het vonnis is door de rechtbank bij vervroeging bepaald op heden.

2. De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover thans van belang, het volgende vast. De rechtbank heeft tevens ambtshalve kennisgenomen van het procesdossier in de procedure die tussen partijen aanhangig is bij de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank onder zaak-en rolnummer 8080332 CV EXPL 19-42976. In die zaak is door de kantonrechter op 11 september 2020 een tussenvonnis gewezen, waarin een voorzetting van de comparitie van partijen is gelast. De feiten die in die procedure vaststaan, zal de rechtbank ook in deze procedure betrekken en die feiten worden hierna ook benoemd.

2.1.

[naam 1] , geboren op [geboortedatum] , is op 10 juli 1961 in het huwelijk getreden met mevrouw [naam 2] . Uit dat huwelijk is [naam eiseres] geboren, de oorspronkelijke eiseres sub 1. De echtelieden leefden voor het overlijden van [naam 1] op 26 juni 2020 al geruime tijd gescheiden, hoewel het huwelijk formeel nog voortduurde.

2.2.

[naam 1] is sinds 2004 gediagnosticeerd met de ziekte van Parkinson. Dat is een neurologische chronische ziekte, waarbij een kleine groep cellen in de hersenen beschadigd raakt en afsterft. De aandoening is neurodegeneratief, hetgeen betekent dat de hersenen in de loop der tijd steeds sterker door de ziekte worden aangetast.

2.3.

[naam 1] heeft op 19 juli 2013 een levenstestament laten maken voor het geval hij wilsonbekwaam zou worden. Tot gevolmachtigde werden benoemd zijn hiervoor genoemde dochter [naam eiseres] , de heer [naam eiser 2] (fiscalist) en de heer [naam eiser 3] (vriend), de oorspronkelijke drie eisers, zoals genoemd in het exploot van 23 oktober 2019.

2.4.

[naam gedaagde 1] , geboren op [geboortedatum gedaagde 1] , is op enig moment met [naam 1] in contact gekomen en zij heeft aan hem zorg verleend.

2.5.

Op 31 januari 2018 heeft [naam 1] het appartement aan het [adres] aangekocht voor een bedrag van € 450.000,-. Op 1 februari 2018 hebben partijen een overeenkomst gesloten ingevolge welke [naam 1] aan [naam gedaagde 1] verhuurt, gelijk zij van hem huurt, bedoeld appartement aan het [adres] , met bijbehorende parkeerplaats in de nabijgelegen parkeergarage. De huurovereenkomst is schriftelijk vastgelegd en door beide partijen ondertekend. De overeenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd, te weten de periode van drie jaar ingaande op 1 februari 2018 en lopende tot en met 31 januari 2021. De huurprijs is bepaald op € 850,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

2.6.

[naam gedaagde 1] heeft alleen op 23 januari 2019 een bedrag van € 850,- aan [naam 1] betaald. Over de andere maanden is geen huur betaald.

2.7.

[naam gedaagde 1] was samen met haar zoon [naam gedaagde 2] vennoot van de vennootschap onder firma [naam bedrijf] gevestigd te Rotterdam. Bedoelde vennootschap onder firma is op 24 september 2019 uitgeschreven uit het handelsregister en omgezet in een eenmanszaak die wordt gedreven op naam van [naam gedaagde 2] .

2.8.

Op 8 februari 2019 hebben partijen een overeenkomst van geldlening gesloten, ingevolge welke overeenkomst [naam 1] aan [naam gedaagde 1] en aan haar zoon [naam gedaagde 2] beiden handelend als vennoot van [naam bedrijf] een geldlening heeft verstrekt ten bedrage van € 78.000,-. Volgens die overeenkomst diende [naam bedrijf] de hoofdsom vermeerderd met de rente van 4% per jaar conform het bij de overeenkomst gevoegde schema terug te betalen in 30 kwartalen door middel van 30 annuïteiten van ieder € 1.000,- (hierna: “geldlening I”).

2.9.

Voorts hebben [naam 1] en [naam gedaagde 1] , eveneens op 8 februari 2019 een overeenkomst van geldlening gesloten, ingevolge welke overeenkomst [naam 1] aan [naam gedaagde 1] een geldlening heeft verstrekt ten bedrage van € 122.000,-. Volgens die overeenkomst diende [naam gedaagde 1] de hoofdsom vermeerderd met de rente van 4% per jaar conform het bij de overeenkomst gevoegde schema terug te betalen in 157 kwartalen door middel van 157 annuïteiten van ieder € 1.000,- (hierna: “geldlening II”).

2.10.

Beide overeenkomsten van geldlening zijn schriftelijk vastgelegd en door partijen ondertekend. [naam gedaagde 1] en haar zoon zijn in gebreke gebleven met de terugbetaling van de geleende bedragen.

2.11.

Op 20 mei 2019 heeft in aanwezigheid van [naam eiser 2] en notaris mevrouw [naam notaris 2] een bespreking plaatsgevonden tussen [naam 1] en [naam gedaagde 1] . De afspraken die tijdens die bespreking zijn gemaakt, zijn schriftelijk vastgelegd en door [naam gedaagde 1] en [naam 1] ondertekend. Aan dat ondertekende document (prod. 8 bij dagvaarding) wordt het volgende citaat ontleend:

“(…)
Ik wil je nog tot het eind van het jaar helpen met een persoonlijke toelage van € 2.500,- per maand om in je levensonderhoud te voorzien. Maar ik wil ook wel dat je maandelijks in ieder geval de huur gaat betalen van € 850 p.m. Die moet je echt aan mij over gaan maken (…)
Vanaf 1 januari 2020 wil ik dat je begint met het maandelijks terugbetalen van de lening en de rente, dat er een goede afspraak komt over de achterstallige huurbetaling. Volgend jaar krijg je geen geld meer van mij, dan moet je inmiddels zelf voor je inkomen kunnen zorgen. Ik heb je lang genoeg geholpen.

Als je niet aan deze afspraken houdt, dan zal ik het geleende geld in totaal opeisen.
(…)”.

2.12.

Op 25 mei 2019 is [naam 1] met spoed opgenomen in het IJssellandziekenhuis vanwege zijn slechte gezondheidstoestand. Op 28 mei 2019 heeft
dr. Trompetter [naam 1] onderzocht en vervolgens een verklaring van wilsonbekwaamheid afgegeven. De oorspronkelijke drie eisers zijn er vanuit gegaan dat zij bevoegd waren de vermogensrechtelijke belangen van [naam 1] te behartigen gezien het hiervoor bedoelde levenstestament van 19 juli 2013 en gezien bedoelde verklaring van wilsonbekwaamheid.

2.13.

De toestand van [naam 1] is nadien verder verslechterd. Medio juli 2019 raakte hij in een delier en vervolgens is hij binnen het revalidatiecentrum Rijckehove in Capelle aan den IJssel, waar hij al was opgenomen nadat hij een maand in het ziekenhuis had gelegen, overgeplaatst naar de Parkinsonafdeling.

2.14.

Op 5 november 2019 is ten overstaan van een andere notaris dan de notaris die het levenstestament van 19 juli 2013 heeft opgemaakt, een tweede levenstestament opgesteld waarin de beide broers van [naam 1] , te weten de heren [naam broer 1] en [naam broer 2] zijn gevolmachtigd om bij wilsonbekwaamheid van [naam 1] zijn financiële belangen te behartigen, waarbij het eerdere levenstestament is herroepen.

2.15.

Bij beschikking van de kantonrechter te Rotterdam van 12 december 2019 is [naam 1] onder curatele gesteld, waarbij als curator is benoemd Verkerk & Vos Bewindvoeringen Minnelijk B.V. te Nieuw-Lekkerland, de in de kop van dit vonnis genoemde eiseres, die in haar hoedanigheid van curator van [naam 1] in het voetspoor is getreden van de drie gevolmachtigden. In die beschikking heeft de kantonrechter - voor zover thans van belang - het volgende overwogen:


(…)
De kantonrechter is, gelet op de inhoud van de stukken en het verhandelde ter zitting, van oordeel dat het verzoek op de gestelde en juist gebleken grond behoort te worden ingewilligd. Er zijn serieuze aanwijzingen dat vermogensbestanddelen van betrokkene zijn verdwenen of dreigen te verdwijnen. Ook is voldoende duidelijk geworden, dat betrokkene voldoet aan de wettelijke eisen voor ondercuratelestelling omdat hij verkeert in de toestand als hierboven onder de Beoordeling in de tweede alinea beschreven. Gelet op de tegenstrijdige inhoud van de twee levenstestamenten en de discussie die daarover is ontstaan, ziet de kantonrechter aanleiding een professionele curator te benoemen. De kantonrechter heeft Verkerk & Vos Bewindvoeringen Minnelijk BV. bereid gevonden als curator op te treden.

2.16.

[naam 1] is op 26 juni 2020 overleden. Blijkens de verklaring van erfrecht d.d. 30 juni 2020 is [naam notaris 1], notaris te Hellevoetsluis, bij testament tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder van de nalatenschap benoemd. [naam notaris 1] heeft die benoeming aanvaard en uit de akte overname procedure, genomen op de rol van 5 augustus 2020, blijkt dat [naam notaris 1] de onderhavige procedure overneemt en zich in zoverre in de plaats stelt van de curator.

2.17.

In bedoeld testament van [naam 1] is [naam gedaagde 1] opgenomen als legataris. Aan haar is 5% van het zuiver saldo van de nalatenschap van [naam 1] nagelaten. Bij brief van 6 juli 2020 heeft [naam notaris 1] [naam gedaagde 1] geïnformeerd over het feit dat zij genoemd wordt in het testament van [naam 1] . Tevens schrijft [naam notaris 1] voor zover thans van belang het volgende in die brief:

“(…)
Wij zijn thans bezig een boedelbeschrijving (staat van baten en schulden) te maken. Dit kan enige tijd vergen. Ook moeten wij uiteraard nog beoordelen in hoeverre wij het testament algeheel kunnen uitvoeren.

Wij zullen u dus zo spoedig mogelijk verder in kennis stellen
(…)”.

3. De vordering en de grondslag daarvan

3.1.

Aan de zijde van [naam eiseres] wordt ter zake van geldlening I gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagden hoofdelijk, des dat de een betaalt, de ander bevrijd is, tot betaling van € 78.000,-, vermeerderd met de overeengekomen rente van 4% over bedoeld bedrag vanaf 1 februari 2019 tot de dag der algehele voldoening alsmede een bedrag van € 1.555,- aan buitengerechtelijke kosten. Ter zake van geldlening II wordt de veroordeling van [naam gedaagde 1] gevorderd tot betaling van het bedrag van € 122.000,-, vermeerderd met de overeengekomen rente van 4% per jaar over dat bedrag vanaf 1 februari 2019 tot de dag der algehele voldoening alsmede een bedrag van € 1.995,- ter zake van buitengerechtelijke incassokosten.

3.2.

Aan de vorderingen is van de kant van [naam eiseres] ten grondslag gelegd dat gedaagden in gebreke zijn met de betaling van de afgesproken kwartaaltermijnen. Voorts is gebleken dat [naam gedaagde 1] vermoedelijk in 2017 in het bezit gekomen is van de bankpassen op haar naam, waarmee zij gelden kon onttrekken aan de bankrekeningen van [naam 1] . Gebleken is dat in de periode van 20 september 2017 tot en met 22 december 2017 een bedrag van € 8.630,- onttrokken is aan de bankrekening van [naam 1] bij de ABN AMRO bank. In de periode van 22 mei 2018 tot en met 14 september 2018 is een totaalbedrag van € 155.667,66 aan de bankrekeningen van [naam 1] onttrokken. Voorts is nog in onderzoek of er bedragen van de bankrekening van [naam 1] bij BNP Paribas zijn onttrokken.

3.3.

Van de zijde van [naam eiseres] wordt betwist dat de geldleenovereenkomsten “voor de vorm” zijn opgemaakt. Ingevolge artikel 157 lid 2 Rv leveren de door [naam gedaagde 1] en [naam 1] ondertekende schriftelijke overeenkomsten van geldlening dwingend bewijs op van het bestaan van de geldleningen. Dat betekent - zo volgt uit artikel 151 Rv - dat de rechter verplicht is het bestaan van die overeenkomsten van geldlening als waar aan te nemen en dat het op de weg van [naam gedaagde 1] ligt om tegenbewijs te leveren tegen het bestaan van de overeenkomsten van geldlening. Zij dient daarbij aan te tonen dat de in die overeenkomsten genoemde bedragen van € 78.000,- en € 122.000,- giften zijn. Het enkele feit dat sprake zou zijn geweest van een affectieve relatie, zoals [naam gedaagde 1] stelt, is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is geweest van giften. Voorts blijkt uit niets blijkt dat de wil van [naam 1] gericht was op bevoordeling van [naam gedaagde 1] .

3.4.

Doordat gedaagden in gebreke bleven met de terugbetaling van de geleende gelden, heeft [naam eiseres] zich genoodzaakt gezien de zaak uit handen te geven en buitengerechtelijke incassokosten te maken. Ook die kosten dienen voor rekening van gedaagden te komen evenals de kosten van de getroffen conservatoire maatregelen.

4. Het verweer

4.1.

[naam gedaagde 2] is niet in het geding verschenen en tegen hem is verstek verleend.

4.2.

[naam gedaagde 1] heeft de vorderingen gemotiveerd weersproken. Daarbij heeft zij - kort samengevat er voor zover thans van belang - aangevoerd dat zij met [naam 1] een affectieve relatie heeft gehad, die volgens haar blijkt uit de overgelegde foto’s.
Tevens heeft [naam gedaagde 1] in dat verband verwezen naar de overgelegde verklaringen van de broers van [naam 1] . Tijdens de relatie heeft [naam 1] [naam gedaagde 1] financieel onderhouden. Hij heeft vanaf 2015 maandelijks bedragen van circa € 2.500,- aan haar overgemaakt en hij heeft er mondeling mee ingestemd dat zij om niet het appartement aan het [adres] bewoonde. Er is dus nooit sprake geweest van een geldlening. Wel werden op de bankrekening van [naam gedaagde 1] bij de ING Bank vanaf 2015 maandelijks bedragen van circa € 2.500,- gestort door [naam 1] . De ING Bank heeft op 21 november 2018 een brief gericht aan [naam gedaagde 1] met het verzoek om informatie over de herkomst van die bijschrijvingen. Naar aanleiding van dat bericht van de ING bank zijn vervolgens op het kantoor van [naam eiser 2] de overeenkomsten van geldlening opgesteld. Bij de ondertekening was [naam eiser 2] ook aanwezig en zowel hij alsook [naam 1] hebben verklaard dat ondertekening “voor de vorm” geschiedde, ter voorkoming van nader onderzoek door de ING bank en ter voorkoming van schenkbelasting. [naam gedaagde 1] is bij die gelegenheid onder druk gezet de overeenkomsten te ondertekenen. Zij was te goeder trouw en kon de gevolgen niet overzien. Primair stelt [naam gedaagde 1] dan ook dat de overeenkomsten tot stand zijn gekomen door bedrog dan wel misbruik van omstandigheden. Subsidiair beroept [naam gedaagde 1] zich op dwaling ex artikel 6:228 BW. Gelet op de affectieve relatie met [naam 1] , mocht [naam gedaagde 1] erop vertrouwen dat [naam 1] in de toekomst geen beroep zou doen op de overeenkomsten van geldlening.

4.3.

Dat [naam 1] wel degelijk de bedoeling heeft gehad [naam gedaagde 1] te bevoordelen blijkt uit het feit dat zij in het testament van [naam 1] als legataris is opgenomen en dat aan haar een behoorlijk geldbedrag is nagelaten.

4.4.

[naam gedaagde 1] heeft verzocht een eventueel toewijzend vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, zodat zij desgewenst de zaak aan een hogere rechter kan voorleggen, zonder dat nadere executiemaatregelen getroffen worden.

5. De beoordeling

5.1.

Zoals hiervoor ook al overwogen is [naam gedaagde 2] niet in het geding verschenen en is tegen hem verstek verleend. Ingevolge artikel 140 lid 3 Rv wordt tegen beide gedaagden één vonnis gewezen, dat voor beide gedaagden geldt als een vonnis op tegenspraak.

5.2.

Partijen hebben in eerste instantie uitgebreid gedebatteerd over de vraag wie bevoegd is de vermogensrechtelijke belangen van [naam 1] te behartigen. Aangenomen moet worden dat partijen nu geen belang meer hebben bij bespreking en beoordeling van die stellingen aangezien vaststaat dat [naam 1] inmiddels overleden is en tevens vaststaat dat [naam notaris 1] als executeur-afwikkelingsbewindvoerder bevoegd is namens de nalatenschap op te treden. Thans geldt [naam notaris 1] in zijn hoedanigheid van executeur-afwikkelingsbewindvoerder van [naam 1] dan ook als eisende partij. Hij heeft de plaats ingenomen van de curator, aangezien door het overlijden van [naam 1] de ondercuratelestelling van rechtswege is geëindigd.

5.3.

Het tussen partijen gerezen geschil spitst zich toe op de vraag of tussen partijen sprake is van twee overeenkomsten van geldlening ten bedrage van respectievelijk
€ 78.000,- en € 122.000,-.
[naam gedaagde 1] heeft niet weersproken dat zij de bij de inleidende dagvaarding overgelegde overeenkomsten van geldlening op 8 februari 2019 heeft ondertekend. Zij stelt echter enerzijds dat die overeenkomsten lijden aan een wilsgebrek, nu die overeenkomsten door bedrog dan wel misbruik van omstandigheden dan wel dwaling tot stand zijn gekomen, terwijl zij anderzijds stelt dat de overeenkomsten voor de vorm zijn opgemaakt.

5.3.1.

Wilsgebrek

Terecht is aan de zijde van [naam eiseres] aangevoerd dat [naam gedaagde 1] niet nader heeft gesteld in welk opzicht sprake is van bedrog dan wel misbruik van omstandigheden dan wel dwaling. Evenmin is duidelijk welke consequenties [naam gedaagde 1] aan haar stellingen wil verbinden dat de overeenkomsten van geldlening aan een wilsgebrek lijden. Zij heeft bij antwoord onder randnummer 13 gesteld dat de overeenkomsten op grond van artikel 3:44 BW vernietigd dienen te worden. Niet duidelijk is of [naam gedaagde 1] op die grond de overeenkomsten buitengerechtelijk heeft vernietigd. In ieder geval staat vast dat [naam gedaagde 1] niet in deze procedure alsnog de vernietiging van de overeenkomsten heeft gevorderd.

Alvorens nader te beslissen zal de rechtbank een mondelinge behandeling van de zaak gelasten, opdat beide partijen nadere inlichtingen kunnen verstrekken en tevens de mogelijkheid van een minnelijke regeling beproefd kan worden. De mondelinge behandeling in de onderhavige procedure zal gecombineerd worden met de voortzetting van de comparitie van partijen in de hiervoor bedoelde procedure tussen partijen bij de kamer voor kantonzaken van dit gerecht. De rechtbank is ambtshalve bekend met het vonnis dat de kantonrechter te Rotterdam op 11 september 2020 gewezen heeft in het geschil met betrekking tot de huurkwestie en in dat vonnis is een voorzetting van de comparitie van partijen bepaald op de in het dictum van dit vonnis genoemde datum.

[naam gedaagde 1] dient ter voorbereiding van de mondelinge behandeling een afschrift in het geding te brengen van de brief van de ING Bank die volgens haar zeggen de reden vormde om de onderhavige overeenkomsten van geldlening aan te gaan. Tevens dient zij zich ter zitting nader uit te laten over de wijze waarop en de omstandigheden waaronder bedrog c.q. misbruik van omstandigheden c.q. dwaling gepleegd zou zijn bij het de totstandkoming van de beide overeenkomsten van geldlening. Daarbij is ook van belang dat [naam gedaagde 1] concreet ingaat op hetgeen besproken is tijdens de bijeenkomst op 20 mei 2019. De afspraken die tijdens die bijeenkomst gemaakt zijn, hiervoor in 2.11 gedeeltelijk geciteerd, zijn moeilijk te rijmen met de stellingen van [naam gedaagde 1] in deze procedure. Ook op dat punt kan [naam gedaagde 1] tijdens de mondelinge behandeling opheldering verschaffen. Zo mocht blijken dat [naam gedaagde 1] de overeenkomsten van geldlening, althans een van die overeenkomsten, heeft vernietigd wegens een wilsgebrek, dient zij ook de brief waarmee dat gebeurd is in het geding te brengen.

Overeenkomst is voor de vorm opgemaakt

5.3.2.

Voor het geval geoordeeld wordt dat geen sprake is van een wilsgebrek, dient vervolgens het verweer van [naam gedaagde 1] beoordeeld te worden dat de beide overeenkomsten van geldlening “voor de vorm” zijn opgemaakt.

Niet duidelijk is of de in de overeenkomsten van geldlening genoemde bedragen van
€ 78.000,- en € 122.000,- als bedragen ineens aan [naam gedaagde 1] en/of haar zoon ter beschikking zijn gesteld, dan wel dat bedoelde bedragen de som zijn van de bedragen die [naam gedaagde 1] heeft onttrokken aan de bankrekening van [naam 1] . Als dat eerste het geval is, wordt van de zijde van [naam 1] verwacht dat bankafschriften in het geding gebracht worden, waaruit blijkt dat de bedragen van € 78.000,- en € 122.000,- aan [naam gedaagde 1] en/of haar zoon zijn overgemaakt. Als dat tweede het geval is, rijst de vraag hoe de stelling aan de kant van [naam 1] dat sprake is van geldleningen te rijmen valt met opmerking die [naam 1] kennelijk zelf tijdens de bijeenkomst van 20 mei 2019 gemaakt heeft dat hij tot eind 2019 [naam gedaagde 1] “wil helpen met de persoonlijke toelage van € 2.500,- per maand om in je levensonderhoud te voorzien”. Op dat punt wordt van de kant van [naam 1] verwacht dat opheldering wordt verschaft.

Van de kant van [naam eiseres] is steeds betwist dat tussen [naam 1] en [naam gedaagde 1] sprake was van een affectieve relatie. Het is echter de vraag hoe die betwisting te rijmen valt met de omstandigheid dat [naam 1] [naam gedaagde 1] in zijn testament als legataris heeft aangewezen en haar een behoorlijk geldbedrag heeft nagelaten. Ook dat punt zal de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling van de zaak aan de orde stellen.

5.4.

Alle stukken die op de zaak betrekking (kunnen) hebben en die nog niet in het geding zijn gebracht, dienen door de partij die deze ter sprake wil brengen aan de rechtbank en aan de wederpartij te worden toegezonden. Deze stukken dienen uiterlijk twee weken vóór de zitting in het bezit te zijn van de rechtbank en de wederpartij.

5.5.

[naam gedaagde 1] dient zelf ter zitting aanwezig te zijn en van de zijde van [naam notaris 1] wordt verlangd dat hij in persoon verschijnt dan wel dat hij zich tijdens de mondelinge behandeling laat vertegenwoordigen door een persoon die op de hoogte is van de feiten met betrekking tot deze kwestie. Deze vertegenwoordiger moet schriftelijk gemachtigd zijn, ook tot het treffen van een minnelijke regeling.

5.6.

Indien een partij verhinderd is op de hierna in het dictum genoemde datum en tijd, dient deze partij dat binnen een week na ontvangst van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank mede te delen, onder gelijktijdige toezending van een afschrift daarvan aan de gemachtigde van de wederpartij. Bij dat bericht dient, voor zover mogelijk, ook direct opgaaf te worden gedaan van de verhinderdata van beide partijen voor de dan komende drie maanden.

5.7.

De rechtbank wijst partijen er op dat het niet voldoen aan voormelde instructies gevolgen kan hebben voor het verdere verloop van de procedure.

5.8.

Iedere verdere beslissing wordt in dit stadium van het geding aangehouden.

6. De rechtbank,

alvorens verder te beslissen,

beveelt partijen, in persoon, vergezeld door hun raadslieden te verschijnen in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter mr. W.J.J. Wetzels, op dinsdag 27 oktober 2020 om 14.00 uur teneinde een schikking te beproeven en tot het geven van inlichtingen;

beveelt dat partijen de hiervoor bedoelde bescheiden uiterlijk twee weken vóór de zitting aan de rechtbank - sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam - en aan de wederpartij zullen toezenden;

houdt iedere verdere beslissing in dit stadium van het geding aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en in het openbaar uitgesproken op
16 sepember 2020.
1404