Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:8233

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-09-2020
Datum publicatie
21-09-2020
Zaaknummer
10/811023-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wederrechtelijke vrijheidsberoving, feitelijke aanranding van de eerbaarheid, mishandeling en vervaardiging kinderporno. Vier volwassen verdachten hebben samen het minderjarige slachtoffer mishandeld (waarbij het slachtoffer een gebroken neus heeft opgelopen), wederrechtelijk van zijn vrijheid beroofd en in een kelderbox enige tijd vast gehouden. Om hem te vernederen hebben ze hem zich laten ontkleden, moest hij kattenmelk drinken, een banaan en een komkommer pijpen, en de komkommer in zijn anus inbrengen. Hiervan hebben zij ook foto’s en een filmpje gemaakt. Verdachten zijn strafbaar, geen sprake van noodweer of psychische overmacht. Rechtbank legt onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 maanden op. Vordering benadeelde partij wordt gedeeltelijk toegewezen. Rechtbank wijst de vordering van het OM tot opheffing van het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/811023-19

Datum uitspraak: 17 september 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in [adres verdachte]

, [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. E.B. Jobse, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 3 september 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. J.B. Wooldrik heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest;

  • -

    opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis bij de einduitspraak.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

Door de raadsman is aangevoerd dat de verdachte integraal vrijgesproken dient te worden vanwege - kort gezegd - het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs om hem als medepleger te zien van alle ten laste gelegde feiten. Het opzet van de verdachte ontbreekt alsmede het leveren van een bijdrage van voldoende gewicht. Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit, dan kan de verdachte enkel voor het onderdeel “naar de kelderbox aan de [plaats delict] te rijden” veroordeeld worden. Ten aanzien van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten kan voorts niet worden bewezen dat een taser is getoond, dat het slachtoffer werd gedwongen op zijn knieën te zitten en/of zijn broek en/of onderbroek uit te trekken en dat de verdachte geweldshandelingen heeft verricht dan wel daarmee heeft gedreigd. Ook ontbreekt er bewijs dat de verdachte het slachtoffer heeft mishandeld. Tot slot is er ook onvoldoende bewijs dat het slachtoffer bij de feitelijke aanranding en het vervaardigen van de kinderporno een komkommer in zijn anus moest houden of brengen.

4.1.2.

Beoordeling

De feiten

In deze strafzaak speelt de relatie tussen de 18 jaar oude [naam dochter medeverdachte 1] , de dochter van medeverdachte [naam medeverdachte 1] tevens nichtje van medeverdachte [naam medeverdachte 2] , met de 17 jarige aangever [naam slachtoffer] een grote rol. Deze relatie is behoorlijk onstuimig en er is veel ruzie tussen [naam dochter medeverdachte 1] en [naam slachtoffer] . Dit blijkt uit allerlei WhatsApp-gesprekken. Ook komt hieruit het beeld naar voren dat beiden op zoek zijn naar grenzen, ook op seksueel vlak. Er worden naaktbeelden naar elkaar gestuurd en er zijn ook twee seksfilmpjes. Als [naam dochter medeverdachte 1] de relatie op enig moment uitmaakt, stuurt [naam slachtoffer] een bericht dat hij iets gaat doen met de filmpjes als [naam dochter medeverdachte 1] een ander vriendje krijgt. De moeder van [naam dochter medeverdachte 1] ziet onder meer dit bericht op de telefoon van haar dochter en maakt zich zorgen over de situatie. Samen met de verdachte en nog twee medeverdachten besluit de moeder van [naam dochter medeverdachte 1] op 15 april 2019 langs te gaan bij [naam slachtoffer] , die nog bij zijn ouders woont, met het verzoek om de naaktfoto’s en seksfilmpjes van zijn telefoon te verwijderen. [naam slachtoffer] werkt hieraan mee. De volgende dag realiseren de vier volwassenen zich dat de foto’s en de filmpjes misschien nog in de iCloud aanwezig zijn. Ze besluiten [naam slachtoffer] op 17 april 2019 na zijn werk in de supermarkt met de auto op te wachten om hem te dwingen de foto’s en filmpjes uit de iCloud te verwijderen. Omdat [naam slachtoffer] zijn telefoon niet bij zich heeft, lukt dit niet. Daarop wordt [naam slachtoffer] door de vier volwassenen met geweld in de auto geduwd en meegenomen naar een kelderbox. Hij moet zich daar uitkleden, wordt geslagen en geschopt en moet onder dwang allerlei onzedelijke handelingen bij zichzelf verrichten. Na afloop wordt [naam slachtoffer] teruggebracht naar de plek vanwaar hij is meegenomen. Hij doet op 18 april 2019 aangifte bij de politie.

Selectie en weging bewijsmiddelen

De verdachte en medeverdachten hebben kort na de gebeurtenissen op 17 april 2019 uitgebreide en gedetailleerde verklaringen bij de politie afgelegd over hetgeen heeft plaatsgevonden voorafgaand en tijdens de autorit naar de kelderbox en in de kelderbox. De verdachte is zowel bij de rechter-commissaris (op 9 januari 2020) als ter terechtzitting op (delen van) zijn verklaring teruggekomen dan wel heeft zijn verklaring afgezwakt. Het is aan de rechtbank om de bewijsmiddelen te selecteren en de inhoud daarvan te wegen. De rechtbank neemt de verklaringen die de verdachten bij de politie hebben afgelegd als uitgangspunt, omdat deze kort na de gebeurtenissen zijn afgelegd en de verklaringen grotendeels overeenkomen met hetgeen het slachtoffer heeft verklaard in zijn aangifte. Bovendien heeft de verdachte bij de politie niet kenbaar gemaakt dat zijn verklaring - zoals deze op papier stond - of delen daarvan, niet juist waren.

Ten aanzien van de ten laste gelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving, feitelijke aanranding en mishandeling gaat de rechtbank er op basis van de inhoud van de bewijsmiddelen van uit dat de verdachte en zijn medeverdachten het minderjarige slachtoffer op 17 april 2019 in Schiedam hebben opgewacht. Daarna is het slachtoffer met geweld in een auto geduwd. Hij is in de auto mishandeld en naar een kelderbox aan de [plaats delict] in Rotterdam gebracht waar hij wederrechtelijk van zijn vrijheid is beroofd en enige tijd beroofd is gehouden. De geweldshandelingen in de auto en in de kelderbox bestonden onder meer uit het meermalen slaan en schoppen van het slachtoffer.

Verder is hem een taser getoond en voorgehouden. Dit blijkt uit de verklaring van het slachtoffer en uit de verklaring van de medeverdachte [naam medeverdachte 3] (hierna: [naam medeverdachte 3] ). In de kelderbox moest het slachtoffer zich ontkleden en ontuchtige handelingen plegen, waaronder een banaan en een komkommer pijpen, en de komkommer in zijn anus brengen. Ook moest het slachtoffer over zijn penis wrijven. Van deze seksuele handelingen zijn in de kelderbox foto’s en een filmpje gemaakt.

Ten aanzien van het vierde ten laste gelegde feit, het vervaardigen van kinderporno, gaat de rechtbank er vanuit dat de verdachten op de hoogte waren of konden zijn van de werkelijke leeftijd van het slachtoffer, destijds dus 17 jaar oud. Het slachtoffer had immers al een jaar een relatie met de dochter van de medeverdachte [naam medeverdachte 1] en heeft rijlessen gevolgd op de rijschool van de medeverdachte [naam medeverdachte 3] . Voor de bewezenverklaring van dit feit is overigens reeds voldoende dat ter terechtzitting is komen vast te staan dat het slachtoffer minderjarig was ten tijde van het plegen van dit delict.

De rechtbank is tot slot van oordeel dat de verdachte als medepleger dient te worden aangemerkt, omdat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. De verdachte maakte deel uit van een groep volwassenen die voorafgaand aan hun gedragingen met elkaar in contact stonden en op basis van een vooropgezet plan meerdere strafbare feiten hebben gepleegd. Daarbij heeft de verdachte, naar hij heeft verklaard, ook zelf een fysieke rol vervuld. Bovendien blijkt uit niets dat verdachte zich op een daartoe geëigend tijdstip heeft gedistantieerd van de gepleegde strafbare feiten jegens het slachtoffer, terwijl hij hiertoe wel de gelegenheid had.

4.1.3.

Conclusie

Gelet op voornoemde omstandigheden in onderlinge samenhang bezien acht de rechtbank

wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de hem ten laste gelegde opzettelijke vrijheidsberoving, feitelijke aanranding van de eerbaarheid, mishandeling, en het vervaardigen van kinderporno. De verweren tot (gedeeltelijke) vrijspraak vinden hun weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen en worden dan ook verworpen.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 17 april 2019 te Schiedam en Rotterdam,

tezamen en in vereniging met anderen,

opzettelijk [naam slachtoffer]

wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden,

door

- die [naam slachtoffer] in een auto te duwen en

- die [naam slachtoffer] meermalen te slaan en

- vervolgens naar een woning/kelderbox/garage gelegen aan de [plaats delict] te

rijden en

- die [naam slachtoffer] in voornoemde woning/kelderbox/garage vast te houden en

- die [naam slachtoffer] een taser te tonen en voor te houden en

- die [naam slachtoffer] meermalen te schoppen en/of te trappen;

2.

hij op 17 april 2019 te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met anderen,

door geweld of door bedreiging met

geweld [naam slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van ontuchtige handelingen, namelijk het

- brengen en houden van een banaan in zijn mond en

- het brengen en houden van een komkommer in zijn mond en in zijn anus

en

- wrijven over zijn eigen penis,

het geweld en de bedreiging met geweld

hebben bestaan uit het

- schoppen en/of trappen en

- tonen en/of voorhouden van een taser en

- dwingen van die [naam slachtoffer] om op zijn knieën te zitten en zijn broek

en onderbroek uit te trekken;

3.

hij op 17 april 2019 te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met anderen

[naam slachtoffer] heeft mishandeld door hem meermalen te slaan en/of te

stompen en/of te schoppen en/of te trappen;

4.

hij op 17 april 2019

te Rotterdam,

tezamen en in vereniging,

afbeeldingen - en/of gegevensdragers, bevattende afbeeldingen -

van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van

achttien jaar nog niet had bereikt, te weten

[naam slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] 2001

is betrokken,

heeft vervaardigd, welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven -

bestonden uit het:

- brengen en houden van een banaan in zijn mond en

- brengen en houden van een komkommer in zijn mond en

in zijn anus en

- wrijven over zijn penis.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

5. Strafbaarheid feiten

5.1.

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren op:

feit 1

medeplegen van opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden;

de eendaadse samenloop van:

feit 2

feitelijke aanranding van de eerbaarheid, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

en feit 3

medeplegen van mishandeling;

feit 4

medeplegen van een afbeelding/gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, vervaardigen, meermalen gepleegd.

5.2.

Strafbaarheid

5.2.1.

Standpunt verdediging

De verdachte komt een beroep op overmacht in de zin van noodtoestand toe. Hij heeft deelgenomen aan de strafbare feiten omdat de dochter van de medeverdachte [naam medeverdachte 1] in nood verkeerde. Die noodtoestand dient zwaarder te wegen dan de plicht van de verdachte om de wet na te leven. Daarbij heeft de verdachte voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.

5.2.2.

Beoordeling en conclusie

De volgende gang van zaken is aannemelijk geworden.

De verdachte heeft op 15 april 2019 kennisgenomen van seksueel beeldmateriaal van de dochter van de medeverdachte [naam medeverdachte 1] op de telefoon van het slachtoffer. De verdachte is vervolgens op dezelfde dag met de medeverdachten naar het ouderlijk huis van het slachtoffer gegaan, waarna het slachtoffer in bijzijn van zijn ouders is benaderd om het beeldmateriaal van zijn telefoon te verwijderen. Dit beeldmateriaal is op dat moment van de telefoon van het slachtoffer verwijderd. De verdachte is daarna met de medeverdachten vertrokken. Op 16 april 2019 heeft de verdachte met de medeverdachte [naam medeverdachte 3] contact gehad over het opwachten van het slachtoffer, waarna de verdachte met de medeverdachten het slachtoffer op 17 april 2019 hebben opgewacht en over zijn gegaan tot de ten laste gelegde gedragingen.

Voor een geslaagd beroep op noodtoestand is vereist dat sprake is van een gedraging die voortvloeit uit een actuele en concrete nood (bestaande uit een belangenconflict) en die geëigend is om daaraan een eind te maken. De strafbare gedraging moet direct voortspruiten uit de conflictsituatie en gericht zijn op de opheffing van de als onhoudbaar geachte situatie. Daarnaast moet de noodsituatie objectiveerbaar zijn en dus niet alleen in de opvatting of verbeelding van de dader bestaan of leven. Bovendien moet het gedrag een toetsing aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit kunnen doorstaan.

Niet is gebleken dat zich op 17 april 2019 een dergelijke uitzonderlijke situatie heeft voorgedaan, laat staan dat daarbij aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit is voldaan. Voor zover de verdachte stond voor een noodzaak te kiezen uit onderling strijdige plichten, dan heeft hij zich met die conflictsituatie geconfronteerd gezien toen hij op 15 april 2019 werd ingelicht over het beeldmateriaal van de dochter van de medeverdachte. Met de aangevoerde daarmee gepaard gaande druk kon hij kennelijk voldoende adequaat omgaan door op dezelfde dag met de medeverdachten het slachtoffer in bijzijn van zijn ouders te benaderen. Hieruit leidt de rechtbank af dat de verdachte wist wat een min of meer gepaste reactie op de situatie was. De vrijheidsberoving en mishandeling vond vervolgens twee dagen na het bezoek aan het slachtoffer plaats en kwam dus niet direct voort uit de kennisneming op 15 april 2019, maar was naar eigen zeggen van de verdachte gegrond op een vrees dat niet al het beeldmateriaal was verwijderd. Onder die omstandigheden is niet aannemelijk geworden dat de verdachte ten tijde van de strafbare gedragingen vanuit een actuele en concrete nood door concurrerende rechtsbelangen heeft gehandeld. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Voor zover het beroep op noodtoestand ziet op de feitelijke aanranding (feit 2) en het vervaardigen van de kinderporno (feit 4) wordt dit verweer eveneens verworpen op basis van hetgeen hiervoor onder is overwogen.

Ook overigens zijn er geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

6.1.

Standpunt verdediging

De verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hem een beroep toekomt op psychische overmacht. De situatie van de dochter van de medeverdachte

[naam medeverdachte 1] leverde bij de verdachte gevoelsmatig en vanuit zijn Hindoestaanse culturele achtergrond een psychische druk op waartegen weerstand redelijkerwijs niet kon worden gevergd.

6.2.

Beoordeling

De verdediging heeft hetzelfde feitencomplex en dezelfde argumentatie ten grondslag gelegd aan zowel het beroep op noodtoestand als het beroep op psychische overmacht. Op grond van de hiervoor onder 5.2.2. weergegeven overwegingen is niet aannemelijk geworden dat ten tijde van de ten laste gelegde gedragingen bij de verdachte sprake was van een van buiten komende psychische drang die zijn wilsvrijheid zodanig aantastte waardoor hij daaraan redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, valt niet in te zien dat de verdachte twee dagen na de kennisneming en verwijdering van het beeldmateriaal van de telefoon van het slachtoffer een dergelijke van buiten komende drang heeft ervaren. Dat de verdachte meende niet anders te kunnen dan zich te moeten inzetten om het mogelijke beeldmateriaal verwijderd te krijgen uit de iCloud van het slachtoffer en dat seksuele handelingen in de Hindoestaanse cultuur taboe zouden zijn, volstaat in elk geval niet om van een overmachtssituatie te kunnen spreken. De verdachte is dan ook niet in een situatie gekomen dat hij geen wilsvrijheid meer had, maar heeft steeds de keuze gehad om anders te handelen, hetgeen hij niet heeft gedaan. Het verweer wordt verworpen.

Ook overigens zijn er geen omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.2.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

20 augustus 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

7.2.2.

Rapportages

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd

20 augustus 2019. Dit rapport houdt onder meer het volgende in. De verdachte is niet eerder veroordeeld voor strafbare feiten en de reclassering ziet geen recidiveverhogende risicofactoren. Het hebben van werk, huisvesting en een steunend gezinssysteem zijn beschermende factoren. Het is de reclassering niet duidelijk in welke mate de medeverdachten een beïnvloedende rol op de verdachte hebben uitgeoefend en of de verdachte een weloverwogen beslissing heeft gemaakt. Er wordt echter geen noodzaak gezien tot het adviseren van interventies of reclasseringstoezicht.

7.3.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

De verdachte en zijn mededaders, vier volwassen personen, hebben het minderjarige slachtoffer mishandeld (waarbij het slachtoffer een gebroken neus heeft opgelopen), wederrechtelijk van zijn vrijheid beroofd en in een kelderbox enige tijd vastgehouden. Aldaar hebben ze hem zich laten ontkleden, moest hij kattenmelk drinken, een banaan en een komkommer pijpen, en de komkommer in zijn anus inbrengen. Hiervan hebben zij ook foto’s en een filmpje gemaakt. Dit zijn schokkende en weerzinwekkende misdrijven.

De verdachte heeft verklaard dat zijn handelen is ingegeven door hetgeen het slachtoffer de dochter van een medeverdachte - met wie het slachtoffer een relatie had - zou hebben aangedaan. Nog los van het feit dat niet is komen vast te staan, ook voor de verdachte niet, wat en onder welke omstandigheden zich in die relatie precies heeft afgespeeld, is de wijze waarop verdachte en zijn mededaders dit ‘hebben willen oplossen’ buiten elke proportie.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de berekenende wijze waarop de verdachte en zijn mededaders hebben gehandeld. Het was de bedoeling om het slachtoffer te vernederen en onder druk te zetten. Daartoe hebben zij zich ook voorbereid. Zij hadden immers kattenmelk, een kommetje, een banaan en een komkommer meegenomen. Ze hebben met vier volwassenen het minderjarige slachtoffer opgewacht en hem in een auto geduwd, en zijn daarna met hem naar een kelderbox gegaan. Zij hebben daarbij op geen enkele wijze rekening gehouden met de (psychische) impact die de feiten op het slachtoffer hebben gehad en de gevoelens van angst die het slachtoffer heeft ervaren, doordat hij in een zeer bedreigende en vernederende situatie was terecht gekomen.

Gelet op het vorenstaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met oplegging van een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Er bestaat dan ook geen ruimte voor een met een voorwaardelijke vrijheidsstraf gecombineerde (maximale) werkstraf, zoals door de verdediging is voorgesteld.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmaat wel rekening gehouden met het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is gekomen. De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het rapport van de reclassering van 20 augustus 2019.

De rechtbank houdt voorts rekening met het gegeven dat de verdachte grotendeels openheid van zaken heeft gegeven en heeft aangegeven in te zien dat zijn handelen verkeerd is geweest. Hij heeft ter zitting oprechte spijt betuigd.

Alles overwegende zal de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van 18 maanden.

8. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [naam slachtoffer] ter zake van de ten laste gelegde feiten. De benadeelde partij vordert – na wijziging voorafgaand aan het requisitoir – een vergoeding van € 345,80 aan materiële schade en een vergoeding van € 7.500,00 aan immateriële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Zij refereert zich ten aanzien van de hoogte van de immateriële schade aan het oordeel van de rechtbank.

8.2.

Standpunt verdediging

De raadsman verzoekt de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in verband met de integrale vrijspraak die ten aanzien van de ten laste gelegde feiten is bepleit. Voorts kan (bij een veroordeling) niet gesteld worden dat sprake is van causaal verband tussen de handeling van de verdachte en de gevorderde materiële en immateriële schade. Evenmin komt de benadeelde partij in aanmerking voor een vergoeding in verband met een geslaagd beroep op psychische overmacht. De vordering is in het geheel onredelijk bezwarend voor het strafgeding vanwege een gebrek aan onderbouwing aan de zijde van de benadeelde partij van met name de immateriële schade.

De raadsman verzoekt meer subsidiair om de vordering van de benadeelde partij aanzienlijk te matigen. De schade met betrekking tot de trui is niet voldoende onderbouwd en de immateriële schade dient in algemene zin gematigd te worden tot een bedrag van € 2.000,00. Het overige deel dient niet-ontvankelijk verklaard te worden.

8.3.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door de bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de vordering op dat punt naar het oordeel van de rechtbank, anders dan door de verdediging is aangevoerd, genoegzaam is onderbouwd, zal deze worden toegewezen.

De rechtbank is verder van oordeel dat aan de benadeelde partij door de bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De immateriële schade zal op basis van de gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid worden vastgesteld op € 3.750,00. De rechtbank is van oordeel dat de nadere behandeling van het overige deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. De benadeelde partij zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in het resterende deel van de vordering. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partij betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 17 april 2019.

Nu de vordering van de benadeelde partij (gedeeltelijk) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 4.095,80, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9. Vordering tot opheffing geschorst bevel voorlopige hechtenis

De officier van justitie heeft gevorderd het bevel van deze rechtbank tot schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen.

De rechtbank wijst deze vordering af. Het zwaarwegend persoonlijk belang van de verdachte bij schorsing van de voorlopige hechtenis bestaat nog steeds en duurt voort zolang hij niet onherroepelijk tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal zijn veroordeeld.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 47, 55, 57, 240b, 246, 248, 282 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

11. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met diens mededaders, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer] , te betalen een bedrag van € 4.095,80 (zegge: vierduizend vijfennegentig euro en tachtig eurocent), bestaande uit € 345,80 aan materiële schade en € 3.750,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 17 april 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering;

bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam slachtoffer] te betalen € 4.095,80 (hoofdsom, zegge: vierduizend vijfennegentig euro en tachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 april 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening;

bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 4.095,80 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 50 dagen;

de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

wijst af de vordering tot opheffing van het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. I.M.A. Hinfelaar, voorzitter,

en mrs. H.I. Kernkamp-Maathuis en E.M. Rocha, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Sengezken, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 september 2020.

De voorzitter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 17 april 2019 te Schiedam en/of Rotterdam,

althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk

[naam slachtoffer]

wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden,

door

- die [naam slachtoffer] in een auto te duwen en/of

- die [naam slachtoffer] meermalen te stompen en/of te slaan en/of

- vervolgens naar een woning/kelderbox/garage gelegen aan de [plaats delict] te

rijden en/of

- die [naam slachtoffer] in voornoemde woning/kelderbox/garage vast te houden en/of

- die [naam slachtoffer] een taser, althans een op een taser gelijkend voorwerp, te tonen en/of voor houden en/of

- die [naam slachtoffer] meermalen te schoppen en/of te trappen;

2.

hij op of omstreeks 17 april 2019 te Rotterdam,

althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met

geweld of door bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) iemand, te

weten [naam slachtoffer] , heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een

of meer ontuchtige handeling(en), namelijk het

- brengen en/of houden van een banaan in zijn mond en/of

- het brengen en/of houden van een komkommer in zijn mond en/of in zijn anus

en/of

- wrijven over zijn eigen penis,

het geweld en/of een andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met geweld

of de bedreiging met andere feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben bestaan uit het

- schoppen en/of trappen en/of

- tonen en/of voorhouden van een taser, althans een op een taser gelijkend voorwerp, en/of

- dwingen van die [naam slachtoffer] om op zijn knieën te zitten en/of zijn broek

en/of onderbroek uit te trekken;

3.

hij op of omstreeks 17 april 2019 te Rotterdam,

althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen

[naam slachtoffer] heeft mishandeld door hem meermalen te slaan en/of te

stompen en/of te schoppen en/of te trappen;

4.

hij

op of omstreeks 17 april 2019

te Rotterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging, althans alleen,

afbeeldingen - en/of gegevensdragers, bevattende afbeeldingen -

van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van

achttien jaar nog niet had bereikt, te weten

[naam slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] 2001

is betrokken of schijnbaar is betrokken,

heeft vervaardigd, welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven -

bestonden uit het:

- brengen en/of houden van een banaan in zijn (slachtoffers) mond en/of

- het brengen en/of houden van een komkommer in zijn (slachtoffers) mond en/of

in zijn anus en/of

- wrijven over zijn (slachtoffers) penis,