Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:8228

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-09-2020
Datum publicatie
18-09-2020
Zaaknummer
602187 KG ZA 20-729
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kort geding. Exhibitievordering. De Nederlandse stichting Both ENDS vordert van Boskalis afgifte van een groot aantal bescheiden die te maken hebben met zandwinningswerkzaamheden door een Indonesische dochtermaatschappij van Boskalis in het kader van het Makassar New Port Project op Zuid-Sulawesi (Indonesië). De voorzieningenrechter verklaart Both ENDS niet ontvankelijk in haar vordering. Niet voldaan is aan de vereisten die artikel 3:305a BW stelt aan het instellen van een collectieve actie. De vordering van Both ENDS heeft onvoldoende nauwe band met de Nederlandse rechtssfeer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/602187 / KG ZA 20-729

Vonnis in kort geding van 18 september 2020

in de zaak van

de stichting STICHTING BOTH ENDS,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaten: mrs. Ch. Samkalden en E. ten Vergert te Amsterdam,

tegen

de naamloze vennootschap KONINKLIJKE BOSKALIS WESTMINSTER N.V.,

statutair gevestigd Sliedrecht, kantoorhoudende te Papendrecht,

gedaagde,

advocaten: mrs. R. de Bree en F.H.H. Sijbers te Den Haag.

Partijen worden hierna Both ENDS en KBW genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 25 augustus 2020, met producties en aanvullende producties;

  • -

    de producties van KBW;

  • -

    de mondelinge behandeling gehouden op 2 september 2020;

  • -

    de pleitnota van Both ENDS;

  • -

    de pleitnota van KBW;

  • -

    de tijdens de mondelinge behandeling door Both ENDS ingediende wijziging van eis.

1.2.

Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft Both ENDS een eiswijziging ingediend. KBW heeft daartegen bezwaar gemaakt. De voorzieningenrechter heeft meegedeeld dat in dit vonnis op de eiswijziging wordt beslist.

1.3.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Both ENDS is een in 1990 naar Nederlands recht opgerichte stichting. Blijkens artikel 2 van haar statuten heeft zij ten doel het bijdragen aan en het bevorderen van een verantwoord natuur- en milieubeheer wereldwijd en voorts al hetgeen dat met een en ander rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin van het woord.

2.2.

KBW is een in Nederland gevestigde vennootschap. Zij is met zeven tussenschakels indirect aandeelhouder van de in Indonesië gevestigde vennootschap PT Boskalis International Indonesia (hierna: Boskalis Indonesia).

2.3.

Boskalis Indonesia is als subcontractor betrokken bij het project Makassar New Port (hierna: het Havenproject), een project waarbij de haven van Makasar in Zuid-Sulawesi (Indonesië) met circa 45 hectare wordt uitgebreid. De Indonesische vennootschap PT Pelindo IV (hierna: Pelindo) is de havenexploitant. Zij heeft PT PP (Persero) Tbk (hierna: PT PP), evenals Pelindo een Indonesisch staatsbedrijf, ingeschakeld als contractor. Boskalis Indonesia is als subcontractor verantwoordelijk voor de zandwinning enerzijds en voor het aanwinnen van land anderzijds. Boskalis Indonesia heeft op haar beurt overeenkomst(en) met concessiehouders van diverse zandwinningslocaties, Boteng Laut en Alefu Karya Makmur.

2.4.

WALHI is een Indonesische NGO die zich inzet voor milieubescherming in Indonesië.

2.5.

Bij e-mail van 1 augustus 2019 schrijft Both ENDS, mede namens WALHI, aan KBW:

Both ENDS and WALHI found that Boskalis will do another sand mining and reclamation project in Makassar. This time for the Makassar New Port (MNP). (…) our contact with communities around the MNP project area and communities living along the Takalar coast (…) revealed that these communities haven’t been informed or consulted with.(…)

We urge Boskalis to do everything it can to use its leverage on the project owner, Pelindo, in order to ensure that a proper information, consultation and compensation process takes place in relation to the MNP project before the sand mining and reclamation work of Boskalis starts.

We also urge Boskalis and Atradius DSB to push for a meaningful dialogue in Makassar together with (…) the Indonesian government, affected communities by the CPI project, NGO’s and other relevant stakeholders with the goals to discuss the alleged impacts and the responsibility of each organisation, including follow-up steps, before the sand mining and reclamation work of Boskalis starts for the MNP project.

2.6.

In e-mails van 22 november 2019 en 25 februari 2020 heeft Both ENDS mede namens WALHI, aan KBW verzocht om met hen in gesprek te treden.

2.7.

KBW heeft in reactie op die verzoeken, onder meer, laten weten open te staan voor een gesprek maar pas in gesprek te willen treden wanneer er meer duidelijkheid is over de precieze locaties van de werkzaamheden.

2.8.

Op of omstreeks 12 februari 2020 is Boskalis Indonesia begonnen met haar zandwinningswerkzaamheden voor het Havenproject. Dit houdt onder meer in dat zij met het schip the Queen of the Netherlands heen en weer vaart tussen de haven en de zandwinningslocatie.

2.9.

Bij brief van 4 maart 2020 schrijft Pelindo het volgende aan WALHI (Engelse vertaling vanuit het Bahasa):

(…) Following up on the letter from the Director of WALHI South Sulawesi about the request for an addendum of the Environmental Impact Analysis (Analisis Mengenai Dampak Lingkungan Hidup or AMDAL) for the development of the Makassar New Port, we hereby would like to inform you of a number of things:

a. The construction activities of the Makassar New Port Terminal was equipped with an AMDAL document which was approved by the Minister of Environment and Forestry through Decree No. 177 of 2010;

b. Currently PT Pelabuhan Indonesia IV (Persero) is preparing the addendum documents of an Environmental Impact Statement (Analisis Dampak Lingkungan Hidup or ANDAL) and an Environmental Management Plan and an Environmental Monitoring Plan (Rencana

Pengelolaan Lingkungan Hidup dan Rencana Pemantauan Lingkungan Hidup or RKL-RPL) in relation to the terminal development activities of the Makassar New Port;

c. The above documents are still under an assisted improvement process following an

assessment meeting with the Technical Team and the Central Office of AMDAL Evaluation

Commission on August 5—6, 2019 and it is estimated that an environmental permit will be

issued in April 2020. (…)

2.10.

Na de aanvang van de zandwinningswerkzaamheden hebben WALHI en Both ENDS bij e-mail van 20 februari 2020 contact opgenomen met het Nationaal Contactpunt voor de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen Nederland (hierna: het NCP) en haar verzocht een gesprek (“an urgent intervention dialogue”) te faciliteren met KBW. Both ENDS en WALHI schrijven onder meer dat er geen betekenisvolle consultatie en informatievoorziening heeft plaatsgevonden. Het NCP heeft hierop KBW en Both ENDS uitgenodigd voor een gesprek. Mede in verband met de coronamaatregelen heeft dat gesprek (in digitale vorm) plaatsgevonden op 27 mei 2020, waarbij Both ENDS ook WALHI vertegenwoordigde.

2.11.

Tijdens het gesprek heeft KBW een presentatie gehouden. De naam van Boskalis Indonesia staat op het voorblad daarvan vermeld. In dia 10 van deze presentatie staat vermeld dat AMDAL (een milieueffectrapportage), SIKK (mining permit), SIKR (reclamation permit) are sole responsibility of and owned by the Employer (Pelindo) en dat ‘Boskalis’ uit hoofde van haar due-diligence-verplichtingen verantwoordelijk is voor:

  • -

    Verification of the AMDAL, SIKK, SIKR

  • -

    Verification of socialization

  • -

    Observation RPL (voorzieningenrechter: environmental monitoringsplan)

  • -

    Grievance accessibility and verification fishermen

  • -

    Standard topic during weekly meeting with Employer

In dia 9 van deze presentatie wordt melding gemaakt van een SIKK die op 3 september 2019 is afgegeven en 4 jaar geldig is. Tevens wordt melding gemaakt van een SIKR die op 12 juli 2017 is afgegeven, 4 jaar geldig is en waarvoor op 10 februari 2020 een addendum is afgegeven. In dia’s 12 en 13 van de presentatie wordt melding gemaakt van een door Royal Haskoning DHV (hierna: RHDHV) in het kader van de socialisatieverplichtingen uitgevoerd (en voortgezet) onderzoek bij de lokale gemeenschappen bij de projectlocatie.

2.12.

Bij e-mail van 29 mei 2020 heeft het NCP partijen geadviseerd om hun dialoog voort te zetten en daaraan toegevoegd dat het gesprek tussen partijen daarvoor aanknopingspunten biedt en dat dit op hoofdlijnen betreft:

Both ENDS vult reeds verstrekte informatie aan, danwel verduidelijkt deze (op verzoek van Boskalis). In het algemeen per gemeenschap een reële schatting van het aantal inwoners, mannen (meestal de vissers) en vrouwen (…)van die gemeenschap die afhankelijk zijn van de visserij en de visverwerking. (…)

Boskalis deelt de beschikbare informatie die gedeeld kan/moet worden op basis van de Richtlijnen (…) op verzoek van Both ENDS. Daarbij geeft Boskalis aan waar en wanneer bijeenkomsten zijn gehouden en wat de uitkomst van deze bijeenkomsten was (…) “.

2.13.

Bij e-mail van eveneens 29 mei 2020 heeft KBW aan Both ENDS aangekondigd haar een Non Disclosure Agreement (NDA) te zullen sturen, zodat de geheimhouding wordt vastgelegd tussen alle betrokken partijen. In deze e-mail schrijft KBW dat dit voor haar van belang is om “aan haar juridische verplichtingen te voldoen en de confidentialiteit van de verstrekte informatie te waarborgen”.

2.14.

Vanaf 7 juni 2020 zijn er in, althans voor de kust van, Zuid-Sulawesi meerdere keren gewelddadige protesten geweest. Deze protesten waren gericht tegen de zandwinningwerkzaamheden van Boskalis Indonesia.

2.15.

Bij e-mails van 9 juni en 18 juni 2020 heeft Both ENDS naar aanleiding van het gesprek van 27 mei 2020 nadere (inhoudelijke) vragen aan KBW gesteld. Daarnaast heeft zij vragen gesteld over de verzochte NDA. Tot slot heeft zij gevraagd of KBW kan bevestigen dat Boskalis aangifte heeft gedaan tegen twee vissers van het eiland Kodingareng Lompo (omdat ze “bommen”(waar vissers mee vissen) naar het schip van Boskalis zouden hebben gegooid).

2.16.

In een bericht van 13 juli 2020 van NOS NIEUWS over protesten in, althans voor de kust van, Zuid-Sulawesi staat het volgende:

Het klopt dat een zandwinningsgebied waar het bedrijf baggert, overlapt met visgebied, zegt [belanghebbende 1] van Boskalis. Daarom zijn er volgens haar in zes dorpen fondsen opgezet om de vissers te compenseren.

(...)

Boskalis deed vooraf uitgebreid onderzoek naar mogelijke consequenties voor de vissers, stelt [belanghebbende 1] . De vissers klagen dat informatie over het baggerwerk niet beschikbaar is. Dat komt volgens [belanghebbende 1] omdat die informatie privacygevoelige gegevens bevat die niet mag worden vrijgegeven.

2.17.

Bij brief van 13 juli 2020 hebben (vertegenwoordigers van voornamelijk) WALHI onder meer het volgende aan de Nederlandse ambassadeur in Indonesië geschreven:

We write this letter relating to the ongoing sea sand mining activities in South Sulawesi Province, which is being carried out by a Dutch company, Royal Boskalis. Based on our monitoring results, the Royal Boskalis company project really needs be stopped because of serious concerns for how the company’s business activities in the absence of adequate environmental and social protection measures constitute violations of human rights for the coastal communities in South Sulawesi.

To this date, this project has caused significant environmental, economic, and social problems for local communities, especially for the vulnerable and marginalized members of the communities including women. Fisherfolk and their families depending daily on fishing for subsistence are accumulating debt when their incomes are irreversibly decimated when not being able to sustain the daily catch. The mining activities have also led to the decimation of fish spawning grounds

Daarnaast staat in de brief dat de vissersgemeenschappen voorafgaand aan de werkzaamheden niet openbaar zijn geconsulteerd.

Naar aanleiding van deze brief heeft de Nederlandse ambassade gesprekken gevoerd met (wat vanuit de ambassade wordt aangeduid als) Boskalis (opmerking voorzieningenrechter: waarbij niet duidelijk is dit Boskalis Indonesia is of KBW) en met verschillende NGO’s.

2.18.

Bij e-mail van 22 juli 2020 heeft mevrouw [belanghebbende 2] namens de Nederlandse ambassade het volgende geschreven aan, onder meer, Both ENDS:

(…)

With Boskalis we have discussed about compliance with the OECD guidelines and the efforts undertaken on environmental impact assessments and outreach to the communities. Boskalis provided us with information about the Environmental Impact Assessment that was done by the concession holder, and the additional work that Boskalis commissioned to ensure compliance with OECD guidelines. One of the things that has become clear through these discussions is that the community of Kodingareng was not included in these efforts originally, but that they have now been included and that on 15 July an agreement was signed with the local community. On the basis of this Boskalis resumed their activities, but was forced to stop due to new protests.

With the NGOs we discussed at length (over 3 hours) about their concerns and the protests that have been taking place. Their main concerns are that the fishing area will be impacted long-term due to the dredging activities. They are also concerned about current hardships of the fishing communities, among others due to pay-back schemes for financial loans and COVID. In their view there has not been sufficient socialization and they indicate that the community has been coerced into signing the agreement for compensation. Specifically their request is for the Dutch government to withdraw Boskalis from the activities in the area.

In both the meetings we have urged the parties to engage in a constructive dialogue to find a solution to this conflict. We have advised Boskalis to be transparent about the environmental assessments that have been done by them and the concession holder, and suggested them to share these with the communities (we understand Boskalis is working on this). We have made clear to the NGOs that the Dutch government is not in a position to do as they request, as the Dutch government is not involved in the contract between Boskalis and the concession holders, and that the NGOs best first and foremost address their concerns to the local authorities, Pelindo IV and the concession holders. We also explained to them what we discussed with Boskalis, and that we advised Boskalis to share the Amdal and other assessments they have done. We advised the NGOs that if need be they can follow other (legal) channels available in Indonesia. We understand that they are already in the

process of doing this.

Daarnaast uit [belanghebbende 2] in deze e-mail zorgen over de gewelddadige protesten. In deze e-mail verzoekt zij Both ENDS en haar partners om afstand te nemen van het geweld en om de demonstranten ervan te overtuigen om een vreedzame dialoog aan te gaan.

2.19.

In door de Indonesische autoriteiten (Department of Law Enforcement of Ministry of Environment and Forestry, South Sulawesi) op 20 juli 2020 vastgestelde Minutes of Investigation is vastgelegd welke vergunningen er zijn voor het Havenproject en de zandwinningsactiviteiten van Boskalis Indonesia. In deze Minutes of Investigation wordt melding gemaakt van een bezoek aan de hoofdman van Kodingareng.

2.20.

Bij brief van 20 juli 2020 heeft de advocaat van Both ENDS, daarbij aangevend dat zij opkomt voor de belangen van de lokale (vissers)gemeenschappen in en nabij Makassar, KBW aansprakelijk gesteld voor de schade die de lokale (vissers)gemeenschappen lijden als gevolg van het zandwinningsproject van KBW ten behoeve van het Makassar New Port Project. In deze brief wordt KBW gesommeerd om de activiteiten ten behoeve van het Havenproject te staken totdat de lokale bevolking op de juiste manier is geconsulteerd en om inzage te verschaffen in (eventuele) bescheiden met betrekking tot de consultaties van de lokale bevolking, de milieuvergunningen en de risico-inschattingen met betrekking tot de werkzaamheden van KBW en met betrekking tot (eventuele) compensatie of financiële steun van de lokale bevolking.

2.21.

Bij brief van 28 juli 2020 heeft de advocaat van KBW aansprakelijkheid van de hand gewezen en meegedeeld dat er geen grond of recht bestaat voor de gevraagde inzage.

2.22.

Bij e-mails van 29 juli en 4 augustus 2020 heeft de advocaat van KBW de advocaat van Both ENDS verzocht om afstand te nemen van de geweldsacties, indien en voor zover Both ENDS daarbij direct of indirect (bijvoorbeeld via WALHI) betrokkenheid heeft.

2.23.

Bij e-mail van 7 augustus 2020 heeft de advocaat van Both ENDS hierop geantwoord dat zij het gebruik van geweld afwijst en dat Both ENDS niet betrokken is bij of verantwoordelijk is voor enig geweld dat zich ter plaatse zou hebben voorgedaan.

3 Het geschil

3.1.

Na wijziging van eis vordert Both ENDS, samengevat:

KBW te bevelen Both ENDS binnen zeven dagen na wijzen van het vonnis een – voor zover de voorzieningenrechter zulks nodig acht opgeschoond – afschrift van de volgende

bescheiden te doen toekomen althans daarvan uittreksel te verschaffen:

a. de (milieu)vergunningen die op de activiteiten van Boskalis dan wel Boskalis Indonesia ter plaatse betrekking hebben, inclusief, maar niet beperkt tot:

i. environmental permits voor de zandwinningslocaties alsook voor het Havenproject zelf;

ii. mining permits van Boteng Laut en Alefu Karya Makmur (SIKK);

iii. reclamation permit (SIKR), inclusief het addendum van 10 februari 2020;

de opgestelde risico-inschattingen ten aanzien van de gevolgen van het Havenproject voor het milieu en de omwonenden, inclusief, maar niet beperkt tot:

i. De AMDAL voor het Havenproject en voor de zandwinningsallocaties, waaronder, op grond van art. 25 EPMA:

1. Review or assessment of the impact of undertakings and/or activities based on the plan

2. Evaluation of activities around the location of undertakings and/or activities based on the plan;

3. Feedbacks or inputs and responses from the community (local people) in regard of the plan on the undertakings and/or activities;

4. Forecast of the magnitude and nature of significant impacts that might occur when carrying out the undertakings and/or activities based on the plan;

5. Holistic evaluation of the impacts that may occur in order to determine the environmental feasibility or infeasibility; and

6. Plan on the environmental management and monitoring (ook wel RPL en RKL);

ii. De opgestelde addenda bij de Environmental Impact Assessments;

iii. Environmental Risk Analysis op basis van art. 47 EPMA, die onder andere bestaat uit de assessment, management en communication of risk;

iv. De door Boskalis dan wel Boskalis Indonesia zelf uitgevoerde risicoanalyses voorafgaand aan het project;

v. de uitkomsten van de monitoringsactiviteiten, waaronder in ieder geval de monitoringsactiviteiten die Agro Marine voor Boskalis dan wel Boskalis Indonesia uitvoert (onder andere de ecological baseline survey by divers, collection of sediment on bi-weekly basis, monthly monitoring of reefcondition by divers);

vi. de resultaten van het offshore sampling dat Boskalis dan wel Boskalis Indonesia stelt uit te voeren;

Bescheiden omtrent de (door haar zelf omschreven) due diligence-activiteiten van Boskalis dan wel Boskalis Indonesia, inclusief, maar niet beperkt tot:

i. verificatie van de (milieu)vergunningen;

ii. verificatie van socialization door de andere partijen;

iii. observaties voor het Environmental Monitoring Plan (RPL);

iv. verificatie van de toegankelijkheid van het klachtensysteem;

v. verificatie van vissers

vi. verslag en/of notulen van het wekelijks overleg met PT. Pelabuhan Indonesia IV (Persero) voor zover deze zien op de sociale- en milieuaspecten van het Havenproject;

De bescheiden omtrent de consultaties die door RHDHV voor Boskalis dan wel Boskalis Indonesia zijn uitgevoerd, inclusief, maar niet beperkt tot:

i. de opdrachtbevestiging van Boskalis dan wel Boskalis Indonesia aan RHDHV, althans de documenten waaruit blijkt wat precies de omvang was van de opdracht die Boskalis aan RHDHV verstrekte;

ii. het verslag dan wel het rapport van RHDHV van de door haar uitgevoerde werkzaamheden en haar conclusies en/of analyses, waaronder in ieder geval de verslagen dan wel resultaten van de door Boskalis dan wel Boskalis Indonesia omschreven:

1. social baseline monitoring by engaging fishermen of Takalar communities prior to commencement reclamation;

2. engagement of community representatives through focus groups among others in Bonto Sunggu, Taasaju, Bontolebang, Sampulungan, Tamalate, Aeng Batu-Batu, Kodingareng Lompo Island and Samalona Island;

3. monthly monitoring through focus group discussions between RHDHV, concession owner and relevant villages;

4. Economic baseline performed by RHDHV in January 2020;

althans die (categorieën) bescheiden ten aanzien waarvan de voorzieningenrechter de

vordering toewijsbaar acht;

een en ander op straffe van een dwangsom en met veroordeling van KBW in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

Aan deze vordering legt Both ENDS het volgende ten grondslag.

Both ENDS treedt op als belangenorganisatie ter bescherming van het milieu en de belangen van de lokale gemeenschappen in en nabij Makassar, die schade lijden door het Havenproject. Both ENDS heeft er recht op en belang bij dat KBW informatie verstrekt over haar zand- en landwinningsactiviteiten in Makassar en de daarvan te verwachten impact op de omgeving. Deze informatie, die grotendeels openbaar hoort te zijn, hebben de omwonenden van het Havenproject nodig om hun feitelijke (risico)positie en hun rechtspositie te kunnen bepalen en ter verzekering van hun rechten al dan niet verdere juridische actie te kunnen ondernemen, bijvoorbeeld door het instellen van een verbodsvordering of het vorderen van schadevergoeding. In strijd met het Indonesische recht zijn de werkzaamheden aangevangen voordat een vergunning was afgegeven en zonder dat de lokale gemeenschappen zijn geconsulteerd.

KBW is om drie redenen verplicht om de gevorderde informatie te verschaffen. Ten eerste handelt KBW onrechtmatig door de informatie niet prijs te geven. Van een Nederlands bedrijf dat in het buitenland dergelijke werkzaamheden verricht, mag worden verwacht dat zij ten aanzien van die werkzaamheden zorgvuldigheid en transparantie betracht. Dit volgt onder meer uit de Indonesische regelgeving en uit de door KBW onderschreven OESO-richtlijnen. KBW heeft ter zake een zelfstandige verantwoordelijkheid. In de tweede plaats handelde en handelt KBW in Indonesië onrechtmatig. De omwonenden van Makassar lijden daardoor schade en hebben de gevorderde gegevens nodig om die schade nader te onderbouwen. In de derde plaats dient KBW de informatie te verschaffen, omdat deze betrekking heeft op het onrechtmatig handelen van andere betrokken partijen, zoals de Indonesische overheid of Pelindo.

Alle communicatie aangaande het Havenproject is steeds door en met KBW gevoerd. Daaruit volgt dat zij over de gevorderde informatie beschikt of daarover kan beschikken.

3.3.

KBW voert gemotiveerd verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring dan wel afwijzing van het gevorderde.

KBW stelt als eerste dat Both ENDS niet voldoet aan (verschillende) vereisten van artikel 3:305a BW. Dat betekent dat zij niet in haar vorderingen kan worden ontvangen. Volgens KBW is niet voldaan aan de vereiste representativiteit en heeft de vordering onvoldoende band met Nederland. Verder is geen sprake van gelijksoortige belangen die Both ENDS behartigt, is niet voldaan aan de claimcode vereisten en is de overlegvoorwaarde geschonden. Daar komt bij dat de werkzaamheden van Boskalis Indonesia op korte termijn afgerond worden en niet gestaakt kunnen worden op basis van de gevorderde stukken. De vordering mist daarom spoedeisend belang.

Volgens KBW is ook niet voldaan aan de vereisten van artikel 843a Rv, aangezien er geen rechtsbetrekking is en de gevorderde bescheiden onvoldoende bepaalbaar zijn. De gevorderde inzage ziet voorts op stukken die deels niet bestaan of waarover KBW niet beschikt en/of vertrouwelijk zijn. Overigens zijn er vergunningen voor zowel de landwinlocaties als de zandwinlocaties. Dat betekent dat ook aan de milieu- en socialisatieverplichtingen is voldaan. Verder zijn de zandwinlocaties als gevolg van een eerdere planwijziging geen visgebieden meer. KBW stelt ten slotte dat de zaak zich niet leent voor behandeling in kort geding.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Eiswijziging

4.1.

De op het allerlaatste moment tijdens de mondelinge behandeling ingediende wijziging (aanvulling) van eis is naar het oordeel van de voorzieningenrechter toelaatbaar. De doorgevoerde wijziging – namelijk de toevoeging dat het mede kan gaan om bescheiden van of met betrekking tot Boskalis Indonesia – is ingegeven door het ter zitting door KBW gevoerde verweer. KBW is door de wijziging niet in haar processuele belangen geschaad, aangezien zij juist op dit punt verweer heeft gevoerd. Hierbij merkt de voorzieningenrechter op dat KBW in het voortraject zelf niet of nauwelijks onderscheid heeft gemaakt tussen KBW en Boskalis Indonesia.

Vereisten artikel 3:305a BW

4.2.

De vraag die in dit kort geding als eerste moet worden beantwoord is of Both ENDS voldoet aan de stevige (ontvankelijkheids)eisen van artikel 3:305a BW, zoals deze sinds 1 januari 2020 luiden. Hierbij gaat het onder meer om het vereiste dat het moet gaan om belangen die Both ENDS ingevolge haar statuten behartigt, over het in lid 2 van artikel 3:305a BW opgenomen representativiteitsvereiste en over de door lid 3 sub b van dat artikel vereiste voldoende nauwe band met de Nederlandse rechtssfeer.

4.3.

Ingevolge haar statuten behartigt Both ENDS de belangen van milieubeheer wereldwijd en voorts al hetgeen dat met een en ander rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn. Dit doet zij onder meer door het verzamelen en verstrekken van informatie.

In dit kort geding stelt Both ENDS dat zij de belangen vertegenwoordigt van de lokale gemeenschappen in Zuid-Sulawesi die getroffen worden door de werkzaamheden van Boskalis Indonesia. Een afgebakend geheel is dat niet, slechts een aantal van deze gemeenschappen noemt zij bij naam. Daar komt bij dat het in deze procedure vooral over vissersgemeenschappen gaat en niet duidelijk is dat alle (wel) genoemde gemeenschappen, vissersgemeenschappen zijn.

Volgens Both ENDS gaat het bij deze belangen hoofdzakelijk om het verlies van inkomsten uit visserij, door tijdelijke en blijvende schade aan de visgronden. Wat daarbij opvalt, is dat Both ENDS in deze procedure over haar statutaire belangen van milieubeheer bijzonder weinig stelt. Weliswaar staat in randnummer 4 van de dagvaarding dat door de baggerwerkzaamheden (de voorzieningenrechter begrijpt: zandwinningsactiviteiten) het milieu wordt aangetast, maar in het vervolg van de dagvaarding gaat het vrijwel uitsluitend over de financiële gevolgen verband houdend met (teruglopende of onmogelijk geworden) visvangst. Die economische belangen van de vissers zijn niet (zonder meer) bij de statutaire doelstellingen van Both ENDS onder te brengen.

Het hiervoor overwogene betekent, mede in het licht van het door KBW gevoerde verweer maar ook de door het NCP gestelde vragen (zie 2.12.), dat naast twijfels over de soortgelijke belangen die statutair behartigd worden, onduidelijk is wat de precieze achterban van Both ENDS is en daarmee of Both ENDS voldoende representatief is om die achterban te vertegenwoordigen.

4.4.

Als al wordt aangenomen dat Both ENDS voldoende representatief kan worden geacht voor de door haar benoemde lokale gemeenschappen in Zuid-Sulawesi, dan moet worden beoordeeld of wordt voldaan aan het vereiste van een voldoende nauwe band met de Nederlandse rechtssfeer. Van het in dit kader relevante artikel 3:305a lid 3, sub b, BW, gaat het dan om onderdeel 2o. Duidelijk is dat voldaan is aan het vereiste dat degene tegen wie de rechtsvordering zich richt, KBW, woonplaats in Nederland heeft. Dat is echter niet voldoende, er moeten ook bijkomende omstandigheden zijn die wijzen op voldoende verbondenheid met Nederland. Uit de recente wetsgeschiedenis1 volgt dat de wetgever heeft willen voorkomen dat vorderingen die onvoldoende band met Nederland hebben, in de situatie dat een afdoende rechtvaardiging daarvoor ontbreekt, bij de Nederlandse rechter kunnen worden aangebracht.

4.5.

Both ENDS wijst in dit verband op haar vestigingsplaats en die van KBW. Daarnaast noemt zij de betrokkenheid van het NCP en van de Nederlandse ambassade in Indonesië.

4.6.

De voorzieningenrechter overweegt op het punt van de bijkomende omstandigheden als volgt.

De exhibitievordering heeft betrekking op werkzaamheden die in Indonesië, meer specifiek in Zuid-Sulawesi, worden uitgevoerd door een dochtervennootschap van KBW, niet door KBW zelf. De voor die werkzaamheden benodigde vergunningen, zoals benoemd door Both ENDS, zijn in Indonesië afgegeven of hadden daar moeten zijn afgegeven, en wel aan de havenexploitant (Pelindo), dan wel aan de, eveneens Indonesische, zandconcessiehouders. De daarvoor vereiste onderzoeken naar milieueffecten en socialisatieverplichtingen (hadden ook) moeten zijn uitgevoerd in Indonesië. Tegenover de stelling van KBW dat de vergunningen en de onderzoeken zijn geverifieerd door Boskalis Indonesia, heeft Both ENDS niet aannemelijk gemaakt dat dit is gebeurd door KBW of door haar had moeten gebeuren. Evenmin is aannemelijk dat de (volgens KBW extra) onderzoeken van RHDHV zijn uitgevoerd in opdracht van KBW (en niet van Boskalis Indonesia). Een en ander volgt ook niet uit de door KBW gehouden presentatie, die zij volgens haar verklaring uit naam van Boskalis Indonesia heeft gehouden. Verder blijkt uit de dagvaarding dat het Both ENDS er (ook) om te doen is om een vordering (eventueel) ook tot de Indonesische havenexploitant en de Indonesische concessiehouders te richten.

Op grond van het voorgaande ligt het in de rede dat Both ENDS – of misschien niet eens Both ENDS zelf maar haar achterban en/of een Indonesische NGO – niet KBW maar Boskalis Indonesia zal aanspreken, en wel in Indonesië. Gelet op de hiervoor aangehaalde wetsgeschiedenis is de voorzieningenrechter van oordeel dat de vereiste nauwe band met de Nederlandse rechtssfeer hier niet aanwezig is. Die band kan ook niet worden gecreëerd door het aanspreken van een Nederlandse moedermaatschappij voor activiteiten die betrekking hebben op een buitenlandse dochter, die hier niet zelf in rechte kan worden betrokken, en voor activiteiten van andere buitenlandse partijen die hier evenmin in rechte (kunnen) worden betrokken.

4.7.

Het feit dat KBW zich heeft gecommitteerd aan de OESO-richtlijnen, betekent niet dat zij – op grond van een eigen verantwoordelijkheid – kan worden gedwongen om bescheiden te verschaffen over een buitenlandse dochtervennootschap, die overigens ook zelf die richtlijnen onderschrijft. Dat – kennelijk tegen de achtergrond van die richtlijnen – KBW bereid is geweest zowel in Nederland als in Indonesië gesprekken te voeren en (uiteindelijk) in Nederland met Both ENDS in gesprek is gegaan, is ook onvoldoende om de vereiste nauwe band te creëren. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter mogen de (onverplicht) gevoerde gesprekken niet leiden tot het aannemen van de vereiste nauwe band met de Nederlandse rechtssfeer, die er dan zonder die gesprekken niet zou zijn geweest. Hetzelfde geldt voor de bemoeienis van de Nederlandse ambassade in Indonesië en het NCP. Als dergelijke contacten en gesprekken voldoende zouden zijn voor het aannemen van een nauwe band met de Nederlandse rechtssfeer, dan zou dat vergaande en ongewenste obstakels opwerpen voor de werkzaamheden van en bemiddeling door het NCP en ambassades. Het is juist ook in het belang van organisaties als Both ENDS dat die mogelijkheden bestaan en (hulp bij) communicatielijnen open blijven.

4.8.

Verder merkt de voorzieningenrechter op dat de exhibitievordering van Both ENDS niet los gezien kan worden van haar aansprakelijkstelling van KBW. In haar dagvaarding en tijdens de mondelinge behandeling heeft Both ENDS het standpunt ingenomen dat de exhibitie mede ertoe strekt om de vissers in staat te stellen om (hier of in Indonesië) een schadevergoeding te vorderen. Gelet daarop is de voorzieningenrechter van oordeel dat de exhibitievordering van Both ENDS niet is ingesteld met (alleen) een ideëel doel en een zeer beperkt financieel belang. Dit betekent dat – anders dan Both ENDS heeft betoogd – dat zij, gelet op het bepaalde in artikel 3:305a lid 6 BW, ook niet in haar vordering kan worden ontvangen zonder dat aan de eisen van lid 2 sub a tot en met e en lid 5 hoeft te zijn voldaan. De blote stelling van Both ENDS dat zij aan die eisen voldoet, heeft KBW gemotiveerd betwist. De voorzieningenrechter hoeft hier echter niet over te oordelen gelet op wat is overwogen over de nauwe band met de Nederlandse rechtssfeer, de representativiteit en de soortgelijke belangen. Aan een bespreking van de overige verweren van KBW, voor zover ziend op artikel 3:305a BW, komt de voorzieningenrechter om dezelfde reden niet toe. De conclusie is dat Both ENDS niet in haar vordering kan worden ontvangen. Dat betekent dat de voorzieningenrechter niet meer hoeft in te gaan op het verweer van KBW dat een spoedeisend belang bij de vorderingen ontbreekt en de zaak zich niet leent voor behandeling in kort geding. Evenmin wordt toegekomen aan een beoordeling van de exhibitievordering.

4.9.

Both ENDS wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van KBW worden begroot op:

- griffierecht € 656,00

- salaris advocaat € 980,00

Totaal € 1.636,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

verklaart Both ENDS niet-ontvankelijk in haar vordering;

5.2.

veroordeelt Both ENDS in de proceskosten, aan de zijde van KBW tot op heden begroot op € 1.636,00;

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2020.

3077/2009

1 Tweede Kamer, vergaderjaar 2016–2017, 34 608, nr. 3 en Tweede Kamer, vergaderjaar 2018–2019, 34 608, nr. 14