Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:8205

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-09-2020
Datum publicatie
18-09-2020
Zaaknummer
10/730131-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

13 jaar cel voor doodschieten van 25-jarige man op de Westkousdijk in Rotterdam. Rechtbank acht voorbedachte rade niet bewezen en komt tot een veroordeling voor doodslag. Beoordeling van onder meer shockschade, affectieschade en schade als gevolg van aantasting in de persoon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0652
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/730131-19

Datum uitspraak: 18 september 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Krimpen aan den IJssel,

raadsman mr. B. van Elst, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 4 september 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. C.J. Kroon heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde moord;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaar met aftrek van voorarrest.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Inleiding

Op 3 juli 2019 heeft de verdachte op de [plaats delict] te Rotterdam [naam slachtoffer] met een vuurwapen neergeschoten. [naam slachtoffer] zat op dat moment achterin in een Fiat Punto. Hij zat achter de bestuurder van de auto, [naam bestuurder] . Voorin, naast de bestuurder, zat [naam bijrijder] , met het portierraampje naar beneden.

Toen de verdachte op [naam slachtoffer] schoot stond hij aan de rechterzijde van de auto op korte afstand van het achterportier. De kogel verbrijzelde de ruit van dat portier en trof [naam slachtoffer] in de zijkant van zijn hoofd. [naam slachtoffer] is daardoor zo ernstig gewond geraakt dat hij op 6 juli 2019 in het ziekenhuis is overleden.

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte [naam slachtoffer] toen met opzet heeft gedood door met een vuurwapen op korte afstand gericht op [naam slachtoffer] te schieten en hem daarbij zo in het hoofd te raken, dat hij daardoor is overleden.

De vraag waarvoor de rechtbank zich vervolgens gesteld ziet is of de verdachte, zoals de officier van justitie heeft tenlastegelegd, [naam slachtoffer] niet alleen met opzet, maar ook met voorbedachte raad heeft gedood, of dat daarvan geen sprake was, zoals de verdediging heeft aangevoerd.

4.2.

Voorbedachte raad

Voor bewezenverklaring van ’voorbedachte raad’ moet uit de bewijsmiddelen komen vast te staan dat:

  • -

    de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en

  • -

    dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling,

  • -

    zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Hiervoor is dus onder meer van belang wanneer de verdachte het besluit heeft genomen om [naam slachtoffer] te doden, of hij daarna ook voldoende gelegenheid heeft gehad om zijn besluit te overdenken en hij ook daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn handelen.

De officier van justitie en de verdediging verschillen hierover van mening en schetsen twee verschillende scenario’s.

4.2.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat sprake is van voorbedachte raad bij de verdachte. Hij wijst daarbij op het feit dat de verdachte op 3 juli 2019 een vuurwapen bij zich had en in zijn auto rondjes is gaan rijden door de stad.

De officier van justitie vermoedt dat de verdachte toen op zoek was naar [naam slachtoffer] , omdat een vriend van [naam slachtoffer] hem op 1 juli 2019 in zijn been geschoten had en de verdachte [naam slachtoffer] verweet daartoe opdracht gegeven te hebben.

Op het moment dat de verdachte de Fiat Punto, waarin [naam slachtoffer] meereed, aan de overzijde van de weg zag rijden, is hij direct omgekeerd en achter de auto aangereden.

Toen de Fiat Punto vervolgens op de Westzeedijk voor het verkeerslicht stil stond om rechtsaf de [plaats delict] op te rijden, is hij met zijn auto naast die Fiat gaan staan en heeft hij agressief ogende gebaren naar de auto gemaakt. Vervolgens is hij door het rode licht voor de Fiat Punto langs ook rechtsaf geslagen. De verdachte heeft zijn auto verderop geparkeerd en is op de weg gaan staan. Toen de Fiat Punto langzaam aan kwam rijden en nagenoeg bij hem tot stilstand kwam, is hij met een vuurwapen in zijn hand naar de rechterzijde van de auto toegelopen en heeft hij vrijwel direct op [naam slachtoffer] geschoten.

De officier van justitie leidt uit deze handelingen af dat de verdachte van meet af aan de confrontatie met [naam slachtoffer] heeft gezocht en dat hij hem heeft willen doodschieten.

Hij heeft daarbij ook voldoende tijd gehad om zich te kunnen beraden op zijn beslissing om op [naam slachtoffer] te gaan schieten en heeft niet gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. De verklaring van de verdachte dat hij geschoten zou hebben vanwege een opmerking, die [naam slachtoffer] op dat moment tegen hem maakte, acht hij niet geloofwaardig. Hij laat immers nog steeds het achterste van zijn tong niet zien en heeft pas een verklaring afgelegd nadat het onderzoek klaar was.

De officier van justitie concludeert daarom tot bewezenverklaring van moord.

4.2.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat uit het dossier juist niet kan worden afgeleid dat de verdachte een doelgericht plan had om [naam slachtoffer] te doden, laat staan dat hij zich daarvan rekenschap heeft gegeven of heeft nagedacht over de gevolgen van dat besluit.

De verdachte ontkent het stellig en in het dossier is daarvoor volgens de verdediging ook geen bewijs. Het blijkt niet uit hetgeen vóór 3 juli 2019 is gebeurd, noch uit de gedragingen van de verdachte op de dag zelf. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij alleen met [naam slachtoffer] wilde praten om te achterhalen waarom hij op 1 juli 2019 beschoten was en om dat conflict te stoppen. Hij wilde met rust gelaten worden. Hij had enkel voor zijn eigen veiligheid een vuurwapen bij zich en wilde dat wapen hooguit gebruiken om ervoor te zorgen dat [naam slachtoffer] uit zou stappen. Toen [naam slachtoffer] dat niet deed, de auto weg ging rijden en [naam slachtoffer] hem met betrekking tot dat eerdere schietincident toeriep dat hij dood had moeten zijn, heeft hij vanuit een drift gehandeld en in die gemoedsopwelling op [naam slachtoffer] geschoten.

4.2.3.

Beoordeling

Uit het dossier leidt de rechtbank af dat er al eerder een conflict speelde en dat men op zoek was naar de verdachte. Bij het bespreken van dat probleem op 1 juli 2019 is de verdachte in zijn been geschoten. Hoewel dat schot niet is gelost door [naam slachtoffer] (een ander is daarvoor inmiddels veroordeeld), heeft de verdachte hem daar wel voor verantwoordelijk gehouden.

De verdachte heeft ter zitting erkend dat hij daags na dit incident een vuurwapen in een schoudertas bij zich is gaan dragen, naar zijn zeggen omwille van zijn eigen veiligheid.

Verder verklaart hij dat hij wel in Rotterdam rondgereden heeft en dat hij met meerdere mensen over de toedracht van het schietincident van 1 juli 2019 gesproken heeft, maar alleen heeft willen weten waarom er op hem geschoten was.

Ook op 3 juli 2019 was de verdachte nog in het bezit van dat geladen vuurwapen en heeft hij rondgereden in een zwarte Volkswagen Golf.

Camerabeelden laten op die dag rond 18.08 uur zien dat de Fiat Punto, met daarin [naam slachtoffer] , en de zwarte Volkswagen Golf van de verdachte elkaar in tegenovergestelde richting op de Schiedamseweg hebben gepasseerd. Op het moment dat zij langs elkaar rijden maakt het hoofd van de verdachte een naar links draaide beweging in de richting van de auto met het slachtoffer. De verdachte beaamt ter zitting dat hij op dat moment [naam slachtoffer] in de Fiat Punto zag. Hij bevestigt dat hij toen zijn auto heeft gekeerd, achter de auto met [naam slachtoffer] is aangereden en uiteindelijk op de Westzeedijk bij de kruising met de [plaats delict] zijn auto voor het verkeerslicht naast de Fiat Punto heeft gezet.

Hij heeft toen met hand- of armgebaren geprobeerd de aandacht te trekken van de inzittenden van de Fiat Punto en is vervolgens door het rode licht en voor de Fiat Punto langs gereden, rechtsaf de [plaats delict] op. Even verderop heeft de verdachte zijn auto geparkeerd, is de weg overgestoken en heeft de Fiat Punto opgewacht.

Deze gang van zaken past niet alleen in het scenario van de officier van justitie, maar ook in dat van de verdachte. Weliswaar kan worden vastgesteld dat de verdachte vanaf het moment dat hij [naam slachtoffer] in de auto had gezien bewust op een confrontatie met [naam slachtoffer] heeft aangestuurd, maar welke vorm die confrontatie vervolgens zou hebben volgt daar niet uit.

Voor het standpunt van de officier van justitie dat de verdachte toen uit was op wraak en van plan was [naam slachtoffer] dood te schieten is geen objectief bewijsmiddel in het dossier aanwezig. Een later binnengekomen melding van de TCI, waarin over wraak door de verdachte wordt gesproken, kan daarvoor geen basis bieden. Immers, nog los van het tijdstip waarop die informatie beschikbaar is gekomen, heeft de betrouwbaarheid van die informatie niet kunnen worden vastgesteld en kan dergelijke informatie sowieso niet voor het bewijs gebruikt worden.

Uitsluitsel over welk scenario nu het juiste is volgt evenmin uit de gebeurtenissen die daarna zijn gevolgd, te weten nadat de Fiat Punto bij de verdachte nagenoeg tot stilstand was gekomen.

Uit de verklaringen van de verdachte en de bestuurder van de Fiat Punto blijkt namelijk dat de verdachte naar de bijrijderskant van de auto is gelopen en daarbij eerst in de auto heeft gekeken. Op dat moment wordt nog door geen van de inzittenden of andere getuigen een vuurwapen in handen van de verdachte gezien.

De verklaring van de verdachte dat hij toen door het open raam met bijrijder [naam bijrijder] en [naam slachtoffer] zelf gesproken heeft vindt enige ondersteuning in de verklaring van getuige [naam getuige] . Deze heeft weliswaar niet kunnen horen wat er is gezegd, maar heeft wel mondbewegingen van de bijrijder gezien die op een gesprek wijzen.

In dat licht zijn de verklaringen van de bestuurder en de bijrijder dat de verdachte zonder enig woord te wisselen vrijwel direct tweemaal op het slachtoffer heeft geschoten, minder aannemelijk.

Dit brengt mee dat er nog steeds ruimte bestaat voor de verklaring van de verdachte dat [naam slachtoffer] , op zijn vraag “Waarom?”, tegen hem gezegd zou hebben: “Je had dood moeten zijn, flikker”, de opmerking waarvan de verdachte verklaart dat die de aanleiding was om in drift op [naam slachtoffer] te schieten.

Tussen het kijken in de auto, het wisselen van enige woorden, en het door de verdachte vervolgens tevoorschijn halen van zijn vuurwapen en het schieten op [naam slachtoffer] heeft slechts korte tijd gezeten. Uit dit tijdsverloop kan niet worden afgeleid dat de verdachte zijn besluit om op [naam slachtoffer] te schieten rustig heeft overdacht, en vervolgens de consequenties daarvan heeft overzien en aanvaard. Anders dan de officier van justitie kan naar het oordeel van de rechtbank uit deze gang van zaken dan ook niet eenduidig worden afgeleid dat sprake is geweest van voorbedachte raad.

De verklaring van de verdachte dat hij [naam slachtoffer] bij toeval tegen kwam, vervolgens achter hem aanreed om met hem te praten en uiteindelijk naar aanleiding van een opmerking van [naam slachtoffer] impulsief heeft besloten om op hem te schieten, past evenzeer in de feiten en omstandigheden zoals die uit dossier naar voren komen, als de mogelijkheid van een al eerder, weloverwogen genomen besluit van de verdachte om [naam slachtoffer] te doden.

De rechtbank neemt aan dat de verdachte uit was op een confrontatie met [naam slachtoffer] om tot enige vorm van verklaring of oplossing te komen en dat hij daarbij ook de mogelijkheid van (het dreigen met) geweld heeft ingecalculeerd.

Desondanks kan niet met voldoende zekerheid worden uitgesloten dat verdachte staande bij de auto en na een kortstondige woordenwisseling met [naam slachtoffer] , in een opwelling op hem heeft geschoten. Dat hij dat besluit daartoe al eerder had genomen en voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad om zich rekenschap te geven van de betekenis en de gevolgen van zijn daad, kan niet door de rechtbank op basis van bewijsmiddelen worden vastgesteld.

Daarom kan wel bewezen worden dat de verdachte [naam slachtoffer] opzettelijk heeft doodgeschoten, maar niet dat hij toen heeft gehandeld met voorbedachte raad.

Dat betekent dat sprake is van doodslag en niet van moord. De verdachte dient daarvan te worden vrijgesproken.

4.2.4.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte opzettelijk [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd en daarmee het impliciet subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het impliciet subsidiair bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 03 juli 2019 te Rotterdam

opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte opzettelijk, met een vuurwapen één kogel afgevuurd op het hoofd van die [naam slachtoffer] , tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] (op 6 juli 2019) is overleden;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

Doodslag

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft op klaarlichte dag, midden in een woonwijk, met mensen op straat, [naam slachtoffer] in een auto neergeschoten. Het slachtoffer, toen nog maar 25 jaar oud, is een paar dagen later aan zijn verwondingen overleden.

De verdachte heeft hem hiermee op brute wijze beroofd van zijn kostbaarste bezit: zijn leven.

Hij heeft daarbij ook onnoemelijk leed teweeg gebracht bij de mensen die het slachtoffer lief hadden. Zijn zoon zal zonder zijn vader opgroeien. Zijn ouders, familieleden en vrienden zullen voorgoed met het gemis moeten omgaan. De moeder van het slachtoffer heeft op de terechtzitting verwoord hoe groot het verlies van haar zoon is en welke impact dit op haar leven heeft.

De rechtbank rekent het de verdachte ook zwaar aan dat hij er geen enkele belemmering in heeft gezien om in een woonwijk gewapend met een vuurwapen de confrontatie met het slachtoffer aan te gaan. De aanwezigheid van willekeurige omstanders en zelfs de aanwezigheid van twee andere inzittenden in de auto, die verder niets met het conflict van doen hadden, hebben voor hem geen drempel opgeworpen om van het gebruik van een vuurwapen af te zien.

Het feit dat de verdachte zelf twee dagen daarvoor slachtoffer was van een schietincident en dat [naam slachtoffer] daarbij mogelijk betrokken zou zijn geweest, leidt bij de rechtbank niet tot begrip voor zijn handelen of tot het opleggen van een lagere straf.

Immers, de keuze van de verdachte om de politie niet in te schakelen en op deze wijze een conflict op te willen lossen kan daardoor nooit gerechtvaardigd worden.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 21 augustus 2020, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld, onder meer terzake van het bezit van wapens.

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een lange gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank ook acht geslagen op straffen die zijn opgelegd in andere zaken, waarin het een levensdelict betrof. Een lange gevangenisstraf kan het onherstelbare leed bij de nabestaanden nooit wegnemen, maar deze straf is bij het geldende wettelijke strafmaximum wel het beoogde antwoord van de maatschappij op dit soort zwaar geweld.

8. Vorderingen benadeelde partijen / schadevergoedingsmaatregelen

In deze strafzaak hebben meerdere personen als benadeelde partij gesteld.

Bij de beoordeling van de schade die zij hebben geleden als gevolg van het door de verdachte gepleegde feit hanteert de rechtbank de volgende uitgangspunten.

Vooropgesteld wordt dat de geclaimde schade steeds deugdelijk moet zijn onderbouwd. Wanneer de schade wordt betwist en deze niet (voldoende) is onderbouwd kan de rechtbank soms in redelijkheid een schatting doen en een gedeelte toekennen.

Wanneer het onderzoek naar de schade de strafzaak echter te zeer belast, wordt de benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaard en kan hij deze claim alsnog bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Zo zijn er in de onderstaande vorderingen bijvoorbeeld geen concrete bewijzen (bonnen etc.) overgelegd voor de geclaimde parkeerkosten en het aantal bezoeken aan instanties. De rechtbank zal naar redelijkheid een deel van die kosten toekennen, te weten de kosten verbonden aan het bezoek aan het ziekenhuis, de uitvaart en de advocaat en de vorderingen voor het overige niet ontvankelijk verklaren.

Ten aanzien van de geclaimde shockschade geldt dat uit jurisprudentie van Hoge Raad volgt dat vergoeding kan worden toegewezen wanneer het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

Van de in art. 6:106 lid 1, onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon (op andere wijze dan door shockschade) is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept zal dan wel voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld (Hoge Raad 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376). Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

De rechtbank zal hierna per benadeelde partij de vordering beoordelen.

8.1.

Vordering [naam benadeelde 1]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd:

[naam benadeelde 1] (moeder van [naam slachtoffer] ), wonende te Rotterdam, ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 13.685,94 aan materiële schade (bestaande uit kosten lijkbezorging van € 12.807,93, zorgkosten van € 385,-, alarmkosten van € 299,- reiskosten van € 37,49 en parkeerkosten van € 156,52) en een vergoeding van immateriële schade, bestaande uit € 20.000,- aan affectieschade en een vergoeding van € 40.000,- aan shockschade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van het gevorderde bedrag, waarbij wel moet worden bezien in hoeverre aan de vereisten voor shockschade is voldaan. Daarnaast heeft de officier van justitie de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht gevorderd.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de gevorderde affectieschade en de uitvaartkosten tot een bedrag van € 3.530,98 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Voor de overige gevorderde bedragen heeft de raadsman geconcludeerd tot afwijzing dan wel niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht zal de vordering (deels) worden toegewezen als volgt.

Kosten lijkbezorging

De kosten lijkbezorging zullen worden toegewezen tot een bedrag van € 10.032,93 (uitvaartkosten, gedenksteen, recreatieruimte en boeket). Voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard omdat dat gedeelte van de vordering onvoldoende is onderbouwd.

Reiskosten en parkeerkosten

De reiskosten en parkeerkosten zullen worden toegwezen tot een bedrag van € 99,95. Voor het overige (reiskosten psycholoog) zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard omdat dat gedeelte van de vordering onvoldoende is onderbouwd.

Affectieschade

De gevorderde schadevergoeding van € 20.000,- is gebaseerd op het Besluit vergoeding affectieschade, is niet betwist en zal worden toegewezen.

Shockschade

Uit jurisprudentie van Hoge Raad volgt dat vergoeding voor shockschade kan worden toegewezen als het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

De benadeelde partij is in 2016 behandeld geweest voor angstklachten, waarmee niet uit te sluiten is dat bij benadeelde al een stoornis heeft bestaan vóór het bewezen strafbare feit. Op grond van de nu voorliggende vordering kan niet zonder nader onderzoek worden vastgesteld of en, zo ja, welke schade rechtstreeks aan het bewezen feit kan worden toegerekend. Verder onderzoek daarnaar zou de strafzaak te zeer belasten. De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan zij bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 3 juli 2019.

Nu de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 1] een schadevergoeding betalen van

€ 30.132,88, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

8.2.

Vordering [naam benadeelde 2]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd:

[naam benadeelde 2] (vader van [naam slachtoffer] ), wonende te Rotterdam, ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 1.501,36 aan materiële schade (bestaande uit kosten lijkbezorging van € 1.361,32, reiskosten van € 39,26 en parkeerkosten van € 100,78) en een vergoeding van immateriële schade, bestaande uit € 17.500,- aan affectieschade en € 40.000,- aan shockschade.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van het gevorderde bedrag, waarbij wel moet worden bezien in hoeverre aan de vereisten voor shockschade is voldaan. Daarnaast heeft de officier van justitie de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht gevorderd.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de gevorderde affectieschade gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Voor de overige gevorderde bedragen heeft de raadsman geconcludeerd tot afwijzing dan wel niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht, zal de vordering deels worden toegewezen, als volgt.

Kosten lijkbezorging

De kosten voor de lijkbezorging zal worden toegewezen tot een naar billijkheid vastgesteld bedrag van € 250,- voor de bloemen. Voor het overige zal dit deel van de vordering worden afgewezen als zijnde geen rechtstreeks uit het bewezen feit voor benadeelde zelf voortgevloeide schade.

Reiskosten en parkeerkosten

De gevorderde reiskosten en parkeerkosten zullen worden toegewezen tot een bedrag van € 100,36. Voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard omdat dit gedeelte van de vordering onvoldoende is onderbouwd.

Affectieschade

Aan de benadeelde partij is door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks immateriële schade (affectieschade) toegebracht. De gevorderde schadevergoeding van € 17.500,- is gebaseerd op het Besluit vergoeding affectieschade, is niet betwist en zal worden toegewezen.

Shockschade

Uit jurisprudentie van Hoge Raad volgt dat vergoeding voor shockschade kan worden toegewezen als het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dit zal in het algemeen slechts het geval zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Uit medische stukken blijkt echter niet van een diagnose van een erkend ziektebeeld. Verder onderzoek daarnaar zou de strafzaak te zeer belasten en de benadeelde partij zal in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 3 juli 2019.

Nu de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 2] een schadevergoeding betalen van

€ 17.850,36 vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

8.3.

Vordering [naam benadeelde 3]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd:

[naam benadeelde 3] (moeder van de zoon van [naam slachtoffer] ), wonende te Enschede, ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 583,04 aan materiële schade, bestaande uit reiskosten en parkeerkosten, die zij voor haar zoon [naam zoon] , heeft moeten maken.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van het gevorderde bedrag. Daarnaast heeft de officier van justitie de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht gevorderd.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft primair tot afwijzing dan wel niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij en heeft zich subsidiair gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met de opmerking dat het gevorderde bedrag eveneens in de vordering van haar minderjarige zoon [naam benadeelde 4] wordt opgevoerd en slechts eenmaal dient te worden toegewezen.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht, bestaande uit reiskosten en parkeerkosten tot een bedrag van € 583,04 zal de vordering worden toegewezen.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 3 juli 2019.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 3] een schadevergoeding betalen van

€ 583,04 vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

8.4.

Vordering [naam benadeelde 4]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd:

[naam benadeelde 4] (zoon van [naam slachtoffer] ), wonende te Enschede, ter zake van het ten laste gelegde feit. [naam benadeelde 3] treedt op als zijn wettelijk vertegenwoordiger. De benadeelde partij vordert primair een vergoeding van € 17.083,04 (bestaande uit € 16.500,- aan kosten voor levensonderhoud en € 583,04 aan reiskosten en parkeerkosten) en subsidiair een vergoeding van € 4.708,04 (bestaande uit € 4.125,- aan kosten voor levensonderhoud en € 583,04 aan reiskosten en parkeerkosten) aan materiële schade. Daarnaast wordt een vergoeding van € 50.000,- aan immateriële schade gevorderd, bestaande uit € 30.000,- aan aantasting in persoon (anders dan shockschade) en € 20.000,- aan affectieschade.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van het gevorderde bedrag, waarbij wel moet worden bezien in hoeverre aan de vereisten voor de aantasting in persoon is voldaan. Daarnaast heeft de officier van justitie de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht gevorderd.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de gevorderde affectieschade gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Voor de overige gevorderde bedragen heeft de raadsman geconcludeerd tot afwijzing dan wel niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht, zal de vordering deels worden toegewezen, als volgt.

Reiskosten en parkeerkosten

Dit deel van de vordering zal worden afgewezen, nu deze gevorderde materiële schade reeds aan de wettelijke vertegenwoordiger van de benadeelde partij wordt vergoed.

Kosten levensonderhoud

De benadeelde partij zal in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd.

Vaststaat dat [naam benadeelde 4] door het strafbare feit zijn biologische vader is verloren. Dit enkele feit is echter niet voldoende om de verschuldigdheid van kinderalimentatie en de hoogte daarvan vast te kunnen stellen. Wil gederfd levensonderhoud voor toewijzing in aanmerking komen dient vast te komen staan dat het slachtoffer feitelijk heeft bijgedragen in het levensonderhoud van de benadeelde partij en dat in het levensonderhoud van [naam benadeelde 4] niet was voorzien. Ten laste van het slachtoffer is verder geen bijdrage in het levensonderhoud vastgesteld, noch is dit door een concrete berekening van de kinderalimentatie onderbouwd. Verder onderzoek hiernaar zou het strafgeding te zwaar belasten.

Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Affectieschade

Aan de benadeelde partij is door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks immateriële schade (affectieschade) toegebracht. De gevorderde schadevergoeding van € 20.000,- is gebaseerd op het Besluit vergoeding affectieschade, niet betwist en zal worden toegewezen.

Aantasting in persoon (anders dan shockschade)

Van de in art. 6:106 lid 1, onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon op andere wijze is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld (zie Hoge Raad 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376).

De rechtbank constateert dat door en/of namens de benadeelde partij onvoldoende concrete gegevens (bijvoorbeeld in de vorm van medische stukken) zijn aangedragen waaruit kan volgen dat bij [naam benadeelde 4] in verband met het bewezen feit psychische schade in de zin van geestelijk letsel is ontstaan.

Hoe droevig het ook is dat [naam benadeelde 4] verder zal moeten opgroeien zonder zijn biologische vader, dit enkele feit brengt nog niet zonder meer mee dat op basis daarvan al een aantasting in zijn persoon kan worden aangenomen. Dit is niet alleen afhankelijk van het karakter van [naam benadeelde 4] , maar ook van de omstandigheden waaronder hij verder opgroeit. De vordering is daarmee onvoldoende onderbouwd.

Gelet hierop zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 3 juli 2019.

Nu de vordering van de benadeelde partij deels zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 4] een schadevergoeding betalen van

€ 20.000,- vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

8.5.

Vordering [naam benadeelde 5]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd:

[naam benadeelde 5] (broer van [naam slachtoffer] ), wonende te Rotterdam, ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 10.437, 50 aan materiële schade (studievertraging).

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van het gevorderde bedrag. Daarnaast heeft de officier van justitie de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht gevorderd.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft tot afwijzing dan wel niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij geconcludeerd.

Beoordeling

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de vordering onvoldoende is onderbouwd. Weliswaar spreekt de decaan van een studievertraging van zes maanden, maar deze is zo algemeen geformuleerd dat het rechtstreeks verband tussen de duur van de studievertraging en het bewezen verklaarde feit op basis van de overgelegde stukken niet zonder meer worden vastgesteld. Dit vergt nader onderzoek dat het strafgeding te zwaar zou belasten. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

Conclusie

In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen.

8.6.

Vordering [naam benadeelde 6]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd:

[naam benadeelde 6] (broer van [naam slachtoffer] ), wonende te Rotterdam, ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 21.382,- aan materiële schade, bestaande uit € 20.875 aan studievertraging, € 107,90 aan reiskosten en parkeerkosten en € 400,- aan kosten lijkbezorging.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van het gevorderde bedrag. Daarnaast heeft de officier van justitie de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht gevorderd.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft tot afwijzing dan wel niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij geconcludeerd.

Beoordeling

Studievertraging

De benadeelde partij zal in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de vordering onvoldoende is onderbouwd. Het rechtstreekse verband tussen de studievertraging c.q. het veranderen van studie en het bewezen verklaarde feit kan op basis van de overgelegde stukken niet worden vastgesteld. Nader onderzoek daarnaar zou het strafgeding te zwaar belasten. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Reiskosten en parkeerkosten

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht, bestaande uit reiskosten en parkeerkosten tot een bedrag van € 107,90 zal dit deel van de vordering worden toegewezen.

Kosten lijkbezorging

De benadeelde partij zal in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 3 juli 2019.

Nu de vordering van de benadeelde partij deels zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 6] een schadevergoeding betalen van

€ 107,90 vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

8.7.

Vordering [naam benadeelde 7]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd:

[naam benadeelde 7] (moeder van de benadeelde [naam benadeelde 8] ), wonende te Rotterdam, ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 295,42 aan materiële schade, bestaande uit € 239,13 aan kosten lijkbezorging en € 56,29 aan reiskosten en parkeerkosten.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van het gevorderde bedrag. Daarnaast heeft de officier van justitie de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht gevorderd.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft primair tot afwijzing dan wel niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij en heeft zich ten aan zien van de reiskosten en de parkeerkosten subsidiair gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met de opmerking dat het gevorderde bedrag eveneens in de vordering van haar minderjarige dochter [naam benadeelde 8] wordt opgevoerd en slechts eenmaal dient te worden toegewezen.

Beoordeling

Reiskosten en parkeerkosten

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht, bestaande uit reiskosten en parkeerkosten tot een bedrag van € 56,29 zal dit deel van de vordering worden toegewezen.

Kosten lijkbezorging

De benadeelde partij zal in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 3 juli 2019.

Nu de vordering van de benadeelde partij deels zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 7] een schadevergoeding betalen van

€ 56,29 vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

Vordering [naam benadeelde 8]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd:

[naam benadeelde 8] (zus van [naam slachtoffer] ), wonende te Rotterdam, ter zake van het ten laste gelegde feit. [naam benadeelde 7] treedt op als haar wettelijk vertegenwoordiger. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 295,42 aan materiële schade, bestaande uit € 239,13 aan kosten lijkbezorging en € 56,29 aan reiskosten en parkeerkosten en een vergoeding van € 20.000,- aan immateriële schade, bestaande uit primair shockschade en subsidiair aantasting in persoon (anders dan shockschade).

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van het gevorderde bedrag, waarbij wel moet worden bezien in hoeverre aan de vereisten voor shockschade dan wel de aantasting in persoon is voldaan. Daarnaast heeft de officier van justitie de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht gevorderd.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft primair tot afwijzing dan wel niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij.

Beoordeling

Reiskosten en parkeerkosten

Dit deel van de vordering zal worden afgewezen, nu deze gevorderde materiële schade reeds aan de wettelijke vertegenwoordiger van de benadeelde partij wordt vergoed.

Kosten lijkbezorging

De benadeelde partij zal in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd.

Shockschade

Uit jurisprudentie van Hoge Raad volgt dat vergoeding voor shockschade kan worden toegewezen als het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dit zal in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Uit medische stukken blijkt niet van een diagnose van een erkend ziektebeeld. De benadeelde partij zal ten aanzien van de gevorderde shockschade niet-ontvankelijk worden verklaard, nu dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Aantasting in persoon (anders dan shockschade)

Van de in art. 6:106 lid 1, onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon op andere wijze is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld (zie Hoge Raad 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376).

De rechtbank constateert dat door en/of namens de benadeelde partij onvoldoende concrete gegevens (bijvoorbeeld in de vorm van medische stukken) zijn aangedragen waaruit kan volgen dat in verband met het bewezen feit psychische schade in de zin van geestelijk letsel is ontstaan. De vordering is daarmee onvoldoende onderbouwd. Gelet hierop zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

Conclusie

In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen.

8.8.

Vordering [naam benadeelde 9]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd:

[naam benadeelde 9] (bestuurder van de auto), wonende te Rotterdam, ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 3.047,92 aan materiële schade, bestaande uit € 350,- aan kleding, € 2.544,64 aan verlies aan verdienvermogen, € 153,28 aan reis- en parkeerkosten en een vergoeding van € 20.000,- aan immateriële schade, bestaande uit primair shockschade en subsidiair aantasting in persoon (anders dan shockschade).

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van het gevorderde bedrag, waarbij wel moet worden bezien in hoeverre aan de vereisten voor de shockschade dan wel de aantasting in persoon is voldaan. Daarnaast heeft de officier van justitie de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht gevorderd.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft geconcludeerd tot afwijzing dan wel niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht, zal de vordering (deels) worden toegewezen, als volgt.

Kleding

Het gevorderde bedrag van € 350,- aan kleding is voldoende onderbouwd en zal worden toegewezen.

Reiskosten en parkeerkosten

De reiskosten en parkeerkosten zullen tot een bedrag van € 100,47 worden toegewezen.

Voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in dit deel van de vordering omdat dat gedeelte onvoldoende is onderbouwd.

Verlies aan verdienvermogen

De benadeelde partij zal in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd. Zo had benadeelde ten tijde van het feit geen betaald werk en is hij pas op 23 augustus 2019 bij een uitzendbureau in dienst getreden. De vraag in hoeverre de beperkte duur van zijn contract beïnvloed is door het strafbare feit vergt onderzoek dat het strafgeding te zwaar zou belasten. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Shockschade

De benadeelde partij heeft schade opgelopen door de confrontatie met het misdrijf en de gevolgen van het misdrijf. Hij was de bestuurder van de auto, waarin het slachtoffer zat tijdens de beschieting. Uit jurisprudentie van Hoge Raad volgt dat vergoeding voor shockschade kan worden toegewezen bij het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

Uit een brief van zijn behandelend psycholoog bij De Waag blijkt dat bij de benadeelde partij sprake is van psychotrauma. De schade kan naar het oordeel van de rechtbank op dit moment in ieder geval worden begroot op een bedrag van € 2.500,- en dat bedrag zal de rechtbank daarom toewijzen. Voor het overige deel van de gevorderde shockschade zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 3 juli 2019.

Nu de vordering van de benadeelde partij deels zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 9] een schadevergoeding betalen van € 2.950,47 vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

8.9.

Vordering [naam benadeelde 10]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd:

[naam benadeelde 10] (eigenares van de auto), wonende te Rotterdam, ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 1.605,- aan materiële schade.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van het gevorderde bedrag. Daarnaast heeft de officier van justitie de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht gevorderd.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de hoogte van de vordering niet is betwist, zal de vordering worden toegewezen.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 3 juli 2019.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 10] een schadevergoeding betalen van

€ 1.605,- vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het impliciet primair ten laste gelegde (moord) heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde (doodslag), zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 (dertien) jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1], te betalen een bedrag van € 30.132,88 (zegge: dertigduizendhonderdtweeëndertig euro en achtentachtig eurocent), bestaande uit

€ 10.132,88 aan materiële schade en € 20.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 3 juli 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] te betalen

€ 30.132,88 (hoofdsom, zegge: dertigduizendhonderdtweeëndertig euro en achtentachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat bij uitblijven van betaling gijzeling kan worden toegepast tot een maximum van 185 (honderdvijfentachtig) dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2], te betalen een bedrag van € 17.850,36 (zegge: zeventienduizendachthonderdvijftig euro en zesendertig eurocent), bestaande uit

€ 350,36 aan materiële schade en € 17.500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 3 juli 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

wijst af de vordering van de benadeelde partij voor het deel dat betrekking heeft op de overige gevorderde kosten lijkbezorging;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 2] te betalen € 17.850,36 (hoofdsom, zegge: zeventienduizendachthonderdvijftig euro en zesendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat bij uitblijven van betaling gijzeling kan worden toegepast tot maximaal 124 (honderdvierentwintig) dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 3], te betalen een bedrag van € 583,04 (zegge: vijfhonderddrieëntachtig euro en vier eurocent) aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 3 juli 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 3] te betalen

€ 583,04 (hoofdsom, zegge: vijfhonderddrieëntachtig euro en vier eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat bij uitblijven van betaling gijzeling kan worden toegepast tot een maximum van 11 (elf) dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 4], te betalen een bedrag van € 20.000,- (zegge: twintigduizend euro),

aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 3 juli 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 4] te betalen

€ 20.000,- (hoofdsom, zegge: twintigduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat bij uitblijven van betaling gijzeling kan worden toegepast tot maximaal 135 (honderdvijfendertig) dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 5] niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de benadeelde partij [naam benadeelde 5] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 6], te betalen een bedrag van € 107,90 (zegge: honderdzeven euro en negentig eurocent) aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 3 juli 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 6] te betalen € 107,90 (hoofdsom, zegge: honderdzeven euro en negentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat bij uitblijven van betaling gijzeling kan worden toegepast tot maximaal 2 (twee) dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

wijst af de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 8] voor het deel dat betrekking heeft op de reiskosten en parkeerkosten;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 8] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de benadeelde partij [naam benadeelde 8] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 7], te betalen een bedrag van € 56,29 (zegge: zesenvijftig euro en negenentwintig eurocent) aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 3 juli 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 7] te betalen € 56,29

(hoofdsom zegge: zesenvijftig euro en negenentwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat bij uitblijven van betaling gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 1 (één) dag; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 9], te betalen een bedrag van € 2.950,47 (zegge: tweeduizendnegenhonderdvijftig euro en zevenenveertig eurocent), bestaande uit

€ 450,47 aan materiële schade en € 2.500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 3 juli 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 9] te betalen

€ 2.950,47 (hoofdsom, zegge: tweeduizendnegenhonderdvijftig euro en zevenenveertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat bij uitblijven van betaling gijzeling kan worden toegepast tot maximaal 39 (negendertig) dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 10], te betalen een bedrag van € 1.605,- (zegge: duizendzeshonderdenvijf euro) aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 3 juli 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 10] te betalen

€ 1.605,- (hoofdsom, zegge: duizendzeshonderdenvijf euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat bij uitblijven van betaling gijzeling kan worden toegepast tot een maximum van 26 (zesentwintig) dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.G. van de Grampel, voorzitter,

en mrs. A.M.G. van de Kragt en J.M.L. van Mulbregt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. van der Hoeff, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De en de jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 03 juli 2019 te Rotterdam

opzettelijk en met voorbedachten rade,

een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg,

met een vuurwapen één of meer kogels afgevuurd op/in het hoofd van die

[naam slachtoffer] ,

tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] (op 6 juli 2019) is overleden;

(artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht);