Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:8203

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-09-2020
Datum publicatie
21-09-2020
Zaaknummer
8624016 VZ VERZ 20-13351
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Overboeking door de voormalig directeur van een bedrag van ruim € 4.100,- op zijn privé rekening in de gegeven omstandigheden geen dringende reden voor ontslag op staande voet. Kantonrechter vernietigt het ontslag op staande voet. Het tegenverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt ook afgewezen. Werkgever moet werknemer in staat stellen om de afgesproken functie van docent uit te oefenen. Vermaning van de kantonrechter aan de werknemer dat hij in zijn nieuwe functie van docent professionele distantie dient te bewaren ten aanzien van de organisatie en de bedrijfsvoering van de werkgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-1157
XpertHR.nl 2020-20004743
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8624016 VZ VERZ 20-13351

uitspraak: 21 september 2020

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[verzoeker/verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] ,

wonende te [woonplaats verzoeker] ,

verzoeker,

tevens verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,

gemachtigde: mr. C.N. van den Heuvel,

tegen

[verweerster/verzoekster in het (voorwaardelijk) tegenverzoek]

,

gevestigd te [plaats] ,

verweerster,

tevens verzoekster in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,

gemachtigde: mr. E.J. van Leeuwen.

Partijen worden hierna nader aangeduid als “ [verzoeker/verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] ” en “ [verweerster/verzoekster in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken:

  • -

    het verzoekschrift, met bijlagen;

  • -

    het verweerschrift, tevens houdende een (voorwaardelijk) tegenverzoek,

met bijlagen;

 de pleitaantekeningen aan de zijde van [verzoeker/verweerder in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] .

1.2

De mondelinge behandeling heeft in aanwezigheid van partijen plaatsgevonden op

13 augustus 2020. Beide partijen hebben ter zitting hun standpunten nader toegelicht.

De procedure is vervolgens voor de duur van twee weken aangehouden teneinde partijen in de gelegenheid te stellen in overleg te treden over een minnelijke regeling. Partijen hebben op 27 augustus 2020 laten weten dat zij geen overeenstemming hebben bereikt en zij hebben om een uitspraak verzocht.

1.3

De uitspraak van beschikking is bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

In deze procedure zal worden uitgegaan van de navolgende vaststaande feiten.

2.1

[verzoeker] heeft in 1992 [verweerster] opgericht. [verweerster] heeft als doel het bevorderen van de sociale, emotionele en motorische ontwikkeling van kinderen middels circusspel in de ruimste zin van het woord. [verweerster] is onder meer gebonden aan de Governance Code Cultuur.

2.2

Vanaf 1 januari 1995 is [verzoeker] in dienst bij [verweerster] op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Vanaf de aanvang van het dienstverband bekleedde [verzoeker] de functie van directeur op basis van een arbeidsomvang van zesendertig uur en laatstelijk tegen een salaris van € 5.427,00 bruto per maand.

2.3

[verzoeker] heeft in 2000 voor de ondersteuning van circussen in Ethiopië de stichting “ [naam stichting 1] (hierna: SVCE) opgericht. [verzoeker] is als penningmeester lid van het bestuur van deze stichting.

2.4

In 2005 is [verzoeker] samen met het toenmalige bestuur van [verweerster] betrokken geweest bij het oprichten van de stichting “ [naam stichting 2] ” (hierna: SVCR). Deze stichting heeft onder ander als doel het generen van financiële middelen ter ondersteuning van [verweerster] en het jeugdcircuswerk in het algemeen en andere culturele, charitatieve of algemeen nut beogende instellingen. [verweerster] en SVCR zijn zelfstandige stichtingen met een eigen bestuur.

2.5

In februari 2017 heeft [verzoeker] de bankrekening van SVCE opgeheven. Het bedrag van

€ 4.109,48 dat destijds op de bankrekening van SVCE stond is door [verzoeker] op 27 februari 2017 gestort op de bankrekening van SVCR.

2.6

[verzoeker] is tijdens een benefietavond in 2018 een inzamelingsactie gestart voor de Gamo Circusschool in Ethiopië. Deze actie heeft een bedrag van € 370,00 opgeleverd. Dit bedrag is ontvangen op de bankrekening van SVCR.

2.7

[verzoeker] heeft in december 2018 aan de salarisadministrateur van [verweerster] verzocht hem honderd overuren uit te betalen. De overuren zijn vervolgens in maart 2019 door [verzoeker] terugbetaald, althans verrekend met de volgende salarisbetaling.

2.8

Op 10 november 2019 vond bij [verweerster] een CircusZondag plaats. [verzoeker] heeft bij die gelegenheid hem in eigendom toebehorende circusmaterialen weggegeven in ruil voor een vrijwillige bijdrage aan cursussen in Ethiopië. Geïnteresseerden kregen een strookje met daarop het rekeningnummer van SVCR met het verzoek om als betalingskenmerk te vermelden “Circus in Ethiopië. Deze actie heeft een bedrag
€ 913,50 opgebracht.

2.9

[verweerster] en [verzoeker] hebben in juli 2019 een mediationtraject gevolgd. Partijen hebben vervolgens op 18 juli 2019 een overeenkomst getekend, waarin diverse afspraken zijn opgenomen.

2.10

[verzoeker] heeft op 25 november 2019 het bestuur van [verweerster] verzocht vervroegd plaats te maken voor een nieuw bestuur.

2.11

[verweerster] en [verzoeker] hebben op 31 januari 2020 een vaststellingsovereenkomst gesloten. Partijen zijn daarbij overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] als directeur met inachtneming van de opzegtermijn met wederzijds goedvinden per 1 maart 2020 zal eindigen, met doorbetaling van het loon door [verweerster] tot 1 juni 2020, onder toekenning aan [verzoeker] van een beëindigingsvergoeding van € 35.238,00 bruto. In de vaststellingsovereenkomst is voorts opgenomen dat [verzoeker] de bedrijfsvoering en de daarmee zakelijke contacten behorende bij de functie van directeur voor 1 maart 2020 zal overdragen aan de zakelijk leider en dat partijen ten aanzien van de vaststellingsovereenkomst strikte geheimhouding zullen betrachten.

2.12

Tevens is onderdeel van de vaststellingsovereenkomst dat [verzoeker] per 1 maart 2020 bij [verweerster] op basis van een (nieuwe) arbeidsovereenkomst werkzaam zal zijn in de functie van docent op basis van een (gemiddelde) arbeidsomvang van achttien uur per week, tegen een salaris van € 1.871,00 bruto, exclusief emolumenten per maand. Op deze arbeidsovereenkomst is de CAO Sociaal Werk van toepassing.

2.13

Op 17 maart 2020 is een artikel gepubliceerd in het AD met als titel “Directeur [naam directeur] weg bij [naam circus 1] ”.

2.14

[verzoeker] heeft op 19 maart 2020 een bedrag van € 5.392,98 overgeboekt van de bankrekening van SVCR naar een nieuwe door hem op zijn naam geopende bankrekening
onder vermelding van “Overboeking saldo Circussen in Ethiopie”.

2.15

[verweerster] heeft [verzoeker] op 30 maart 2020 een officiële waarschuwing gegeven die - voor zover van belang - luidt als volgt:

(…) “De hiervoor genoemde overeenkomsten bevatten een uitdrukkelijk geheimhoudingsbeding. (…)

Het bestuur van de [verweerster] heeft - helaas - moeten constateren dat je je weinig lijkt aan te trekken van de op jouw rustende geheimhoudingsplicht. Eén en ander blijkt wel uit de inhoud van de op 23 maart 2020 door jou met de heer [naam persoon] van [naam stichting 3] gevoerde correspondentie, waarbij je nota bene uitdrukkelijk verwijst naar een webpagina [naam website], waarop “verontwaardigde reacties op mijn plotselinge vertrek” te vinden zouden zijn. In de correspondentie doe je vervolgens een oproep tot het verzenden van verdere reacties aan jou en tot het verzenden van reacties aan het bestuur van de stichting.

Het zal je duidelijk zijn dat dergelijke uitlatingen zonder meer in strijd zijn met de gemaakte afspraken en met de eerder bespreken geheimhoudingsplicht. Namens het bestuur verzoek en voor zover nodig sommeer ik je daarom om je vanaf nu geheel en al van dergelijke uitlatingen te onthouden. Op dit moment wil ik volstaan met een uitdrukkelijke waarschuwing in jouw richting, die ook in je personeelsdossier zal worden opgenomen. In geval van een herhaling van dergelijke, of gelijksoortige uitlatingen richting relaties van de stichting, richting de media, of anderszins dien je echter rekening te houden met verdere gaande reacties van de zijde van het bestuur. Daarbij behoort ook een ontslag op staande voet als hiervoor bedoeld tot de mogelijkheden”. (…)

2.16

[verweerster] heeft [verzoeker] bij brief van 1 mei 2020 verzocht uitleg te geven over de overboeking van 19 maart 2020, die door [verweerster] als ‘frauduleus handelen’ wordt aangemerkt. Diezelfde dag heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoeker] en [naam bestuursvoorzitter] (bestuursvoorzitter) en [naam penningmeester] (penningmeester) namens [verweerster] . Bij dit gesprek was tevens aanwezig [naam voorzitter/secretaris SVCE] (voorzitter/secretaris SVCE).

2.17

[verweerster] heeft [verzoeker] op 2 mei 2020 op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief is - voor zover van belang - het volgende opgenomen:

(…) “Het bestuur van de [naam stichting 2] en het bestuur van de Stichting CR hebben op 1 mei 2020 geconstateerd dat jij op 19 maart 2020 een bedrag van € 5.392,98 toebehorend aan de nauw met de stichting CR verbonden [naam stichting 2] hebt overgemaakt naar de aan jou toebehorende privérekening met bankrekeningnummer (…).

Deze storting vond plaats zonder dat jij hiertoe bevoegd was en zonder voorafgaande opdracht of toestemming van het bestuur van de [naam stichting 2] en ook zonder enig overleg met of kennisgeving aan het bestuur van de [naam stichting 2] . (…)

Het bestuur is van mening dat jouw handelwijze, zoals hiervoor weergegeven, voor de Stichting CR volstrekt niet acceptabel is. Als gevolg van jouw handelen heb jij het door de Stichting CR en het bestuur daarvan in jouw gestelde vertrouwen zeer ernstig geschaad. De door jou aangevoerde feiten en omstandigheden, zoals hiervoor vermeld, kunnen jouw handelwijze niet rechtvaardigen, omdat vast blijft staat (staan) dat jij zonder de vereiste opdracht of toestemming gehandeld hebt en daarover ook nimmer openheid hebt verschaft. (…)

We hebben in onze besluitvorming laten meewegen dat jij je in het verleden al eerder schuldig hebt gemaakt aan een soortgelijk incident. Op 9 februari 2020 is vastgesteld dat je zelfstandig bent overgegaan tot het toekennen en uitbetalen van overuren aan jezelf. Op 11 maart 2020 is tijdens de bestuursvergadering vastgesteld en aangegeven dat dergelijke betalingen niet anders kunnen plaatsvinden dan na een hiertoe genomen bestuursbesluit. Ook heb je op 30 maart 2020 een schriftelijke waarschuwing ontvangen betreffende het door jou schenden van de in de arbeidsovereenkomst opgenomen geheimhoudingsplicht.

Jouw handelwijze in de kwestie van de overmaking van gelden op je privérekening, zoals hiervoor weergegeven tezamen met, maar ook los van de eerdere incidenten, vormt voor ons een dringende reden om jouw arbeidsovereenkomst per heden te beëindigen.

Dit betekent dat jouw dienstverband op en ingaande 2 mei 2020 met onmiddellijke ingang wordt beëindigd op grond van de hierboven beschreven dringende reden. (…)

3. Het geschil

in het verzoek ex artikel 7:681 BW

3.1

[verzoeker] heeft verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair het op 2 mei 2020 gegeven ontslag op staande voet te vernietigen en [verweerster] te veroordelen tot betaling van het (achterstallige) loon tot aan de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd, een en ander te vermeerderen met wettelijke verhoging en wettelijke rente. [verzoeker] heeft voorts verzocht [verweerster] te gebieden hem toe te laten tot

de werkzaamheden uit hoofde van zijn arbeidsovereenkomst op straffe van een dwangsom alsmede [verweerster] te veroordelen tot betaling van de in de vaststellingsovereenkomst van 31 januari 2020 overeengekomen beëindigingsvergoeding ten bedrage van € 35.238,00, met veroordeling van [verweerster] in de kosten van de procedure. Voor zover het ontslag op staande voet in stand mocht worden gelaten verzoekt [verzoeker] subsidiair toekenning van de transitievergoeding.

3.2

Aan zijn verzoek heeft [verzoeker] - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd.

Zijn handelwijze kan op geen enkele wijze als een dringende reden worden gekwalificeerd die een ontslag op staande voet rechtvaardigt. [verzoeker] is de ‘founding father’ van [verweerster] en hij heeft zich sinds 1992 met hart en ziel voor het circus ingezet. [verzoeker] is op zeer geraffineerde wijze door het huidige bestuur uit zijn eigen circus gewerkt, eerst als directeur en nu als docent. [verweerster] tracht een normale transactie te verdraaien alsof sprake zou zijn van frauduleus handelen door [verzoeker] .

3.3

Het bestuur van [verweerster] was volledig op de hoogte van het bestaan van SVCE en de rol van [verzoeker] als penningmeester. [verzoeker] heeft na het opheffen van de bankrekening van SVCE in 2017 het geld dat aan SVCE toebehoorde met toestemming van de voormalig penningmeester [naam voormalig penningmeester] ‘geparkeerd’ op de bankrekening van SVCR. Het ingezamelde bedrag van € 4.109,48 is opgenomen in de jaarrekening 2017 als schuld van SVCR aan SVCE. Het in 2018 opgehaalde bedrag van € 370,00 voor de Gamo Circusschool Ethiopië is eveneens aan het potje van SVCE toegevoegd en is opgenomen in de jaarrekening 2018.

Het in 2019 opgehaalde bedrag voor “Circus in Ethiopië” is eveneens toegevoegd aan het potje van SVCE en is opgenomen in de jaarrekening 2019. De jaarrekeningen zijn achtereenvolgens door [naam voormalig penningmeester] en [naam penningmeester] goedgekeurd, hetgeen aan het bestuur kan worden toegerekend. Uit de verklaring van de medebestuurder van SVCE, [naam voorzitter/secretaris SVCE] , blijkt ook dat [verzoeker] niet voor zichzelf, maar voor en namens SVCE handelde.

3.4

[verzoeker] was volledig bevoegd om betalingen te verrichten vanuit SVCR, waar hij als vrijwilliger aan verbonden was. Daarop is nimmer een (schriftelijke en ondubbelzinnige) beperking gegeven. [verzoeker] heeft de overboeking van het bedrag van € 5.392,98 dus niet gedaan vanuit zijn dienstbetrekking met [verweerster] . De overboeking ziet bovendien op gelden die niet toebehoren aan [verweerster] of aan SVCR. Derhalve was ook geen toestemming nodig van het bestuur van [verweerster] voor de transactie. Zowel [verweerster] als SVCR hebben geen enkele zeggenschap over SVCE en daarmee ook niet over het feit dat [verzoeker] een privérekening op zijn naam ten behoeve van SVCE heeft geopend. Voor zover de betaling al onrechtmatig was, had SVCR daaraan gevolgen kunnen verbinden, maar dit rechtvaardigt niet een ontslag op staande voet door [verweerster] . De betaling was volledig legitiem. SVCR en [verweerster] zijn verschillende entiteiten met aparte besturen en een eigen financiële huishouding. [verweerster] en [verzoeker] hebben elkaar bovendien finale kwijting verleend ter zake van alle finale geschilpunten die betrekking hebben op de functie van [verzoeker] als directeur. [verweerster] laat desondanks een incident dat betrekking heeft op de functie van directeur meewegen bij het ontslag van [verzoeker] als docent. [verweerster] wekt geheel ten onrechte de indruk dat [verzoeker] zich het bedrag zelf heeft toegeëigend. [verzoeker] heeft altijd volledige openheid van zaken gegeven en hij heeft op 1 mei 2020 in het bijzijn van de medebestuurder van SVCE uitleg over de transactie gegeven, maar dit was voor SVCR niet voldoende.

3.5

[verweerster] heeft aan het ontslag op staande voet geen enkele daad, eigenschap of gedraging ten grondslag gelegd met betrekking tot de functie van [verzoeker] als docent.

De uitbetaling van de honderd overuren kan evenmin hebben geleid tot een verlies aan vertrouwen als reden voor een ontslag op staande voet. Voor de uitbetaling van de overuren bestond immers een rechtsgrond, namelijk dat deze uren - meer nog dan het symbolische aantal van honderd - daadwerkelijk door [verzoeker] zijn gemaakt. De discussie hierover tussen partijen is volgens [verzoeker] bovendien al lang en breed afgewikkeld. Ook de officiële waarschuwing van 30 maart 2020 is door [verweerster] onterecht gegeven. [verzoeker] heeft het geheimhoudingsbeding niet geschonden. [verzoeker] heeft in het kader van de berichtgeving aan [naam stichting 3] slechts verwezen naar een algemeen toegankelijke website en hij heeft geen bedrijfsgevoelige informatie gedeeld.

3.6

Ondanks het feit dat op geen enkele wijze sprake is geweest van onrechtmatige (frauduleuze) gedragingen van [verzoeker] , heeft [verweerster] desondanks aan hem de zwaarste sanctie opgelegd. Van een reële en passende belangenafweging door [verweerster] is op geen enkele wijze gebleken. Na een dienstverband van bijna 30 jaar had dit van [verweerster] verwacht mogen worden, nog los van hetgeen [verzoeker] als oprichter voor [verweerster] heeft betekend en de persoonlijke gevolgen voor de goede naam en reputatie van [verzoeker] .

3.7

[verzoeker] maakt onverkort aanspraak op betaling van de in de vaststellingsovereenkomst opgenomen beëindigingsvergoeding. [verweerster] is deze afspraak zonder deugdelijke grond niet nagekomen. Het feit dat [verweerster] de vergoeding weigert uit te keren typeert haar opstelling jegens [verzoeker] .

het verweer van [verweerster] tegen het verzoek ex artikel 7:681 BW

3.8

Het verweer van [verweerster] strekt primair tot afwijzing van het verzoek tot vernietiging van het ontslag, doorbetaling van het loon en de wettelijke verhoging en de wedertewerkstelling. [verweerster] heeft voorts verzocht [verzoeker] te veroordelen tot betaling aan haar van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging als bedoeld in artikel 7:677 lid 2 BW. In het geval het ontslag op staande voet in stand mocht blijven verzoekt [verweerster] subsidiair het verzoek tot toekenning van een transitievergoeding af te wijzen. Zowel primair als subsidiair verzoekt [verweerster] het verzoek tot betaling van de beëindigingsvergoeding als bedoeld in artikel 2.1 van de vaststellingsovereenkomst af te wijzen, met veroordeling van [verzoeker] in de kosten van de procedure.

3.9

[verweerster] heeft daartoe - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

[verweerster] is in de loop der jaren veranderd van een kleine organisatie met een bevlogen oprichter tot een professionele organisatie met betaalde docenten en stafmedewerkers. Het bestuur van [verweerster] is van mening dat het functioneren van [verzoeker] de laatste jaren een remmende invloed heeft gehad op de organisatie. Dit heeft in de loop der tijd steeds geleid tot diverse verschillen van inzicht tussen partijen. Een en ander heeft ertoe geleid dat partijen in januari 2020 na een zorgvuldig en lang traject zijn overeengekomen dat [verzoeker] zou terugtreden als directeur en dat hij uitsluitend nog de rol van docent zou vervullen.

3.10

Anders dan [verzoeker] stelt meent [verweerster] dat de werkzaamheden van [verzoeker] voor SVCR uitsluitend hebben plaatsgevonden in en vanuit zijn functie als directeur. [verzoeker] was ook ten tijde van zijn directeurschap tot 1 maart 2020 uitsluitend bevoegd betalingen te doen ten laste van de bankrekening van SVCR na daartoe vooraf een specifieke opdracht van het bestuur van SVCR ontvangen te hebben. [verzoeker] heeft op onbevoegde en verre van transparante wijze gelden aan het vermogen van SVCR en daarmee [verweerster] onttrokken. Vervolgens stonden deze middelen [verzoeker] gedurende langere tijd via een voor [verweerster] onbekende privébankrekening ter vrije beschikking. Daarmee is de laakbaarheid van het handelen van [verzoeker] gegeven. Juist [verzoeker] als bevlogen oprichter en voormalig directeur had zich verre moeten houden van dergelijk handelen. De oprichting van SVCE is een pure privé kwestie van [verzoeker] geweest. Van zijn bestuurslidmaatschap als penningmeester heeft [verzoeker] nimmer melding gemaakt, noch bij het bestuur van [verweerster] , noch bij het bestuur van SVCR. [verweerster] was slechts bekend met SVCE als stichting waaraan SVCR nog een betaling verschuldigd was. Van enige relatie tussen de organisatie van [verweerster] en SVCR enerzijds en SVCE anderzijds is nooit sprake geweest.

3.11

[verzoeker] heeft slechts twee dagen nadat hem per 17 maart 2020 de bevoegdheid was ontnomen betalingen voor [verweerster] en SVCR te doen het bedrag van € 5.392,98 eigenmachtig en zonder toestemming overgemaakt op zijn privérekening. Het totale saldo omvatte ook gelden die toebehoorden aan SVCR en [verweerster] en voor een deel aan [naam circus 2] . Het vermoeden van verduistering lag voor [verweerster] dan ook voor de hand. [verzoeker] is geen lid van het bestuur van SVCR en het beheer ligt uitsluitend in handen van de penningmeester. Ook in het geval het geld toebehoort aan een derde mocht [verzoeker] niet vrijelijk beschikken over de geparkeerde gelden. Het wekt bevreemding dat [verzoeker] een nieuwe privérekening heeft geopend en daarop opnieuw het geld heeft gestort. Bemoeienis van [verzoeker] met enige geldstroom van [verweerster] of SVCR in de functie van docent was bovendien niet gepast. [verweerster] heeft daarnaast eerst in maart 2019 moeten constateren dat [verzoeker] onbevoegd honderd overuren aan zichzelf heeft laten uitbetalen, hetgeen door hem bewust is verzwegen. [verweerster] acht dit onprofessioneel en in strijd met een door een directeur van een non-profitorganisatie te hanteren ethische normen.

3.12

[verweerster] ging er ten tijde van de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst vanuit dat de wrijvingen tussen het bestuur en [verzoeker] samenhingen met de verschillen van inzicht over de toekomst van [verweerster] . Niet alleen verliep de overdracht van de directietaken van [verzoeker] problematisch, maar [verzoeker] heeft zich schuldig gemaakt aan het doen van een financiële transactie waartoe hij niet bevoegd was. De handelwijze van [verzoeker] maakt dat betaling van de beëindigingsvergoeding in redelijkheid niet van [verweerster] kan worden verwacht. [verweerster] meent primair dat zij zich niet als goed werkgever als bedoeld in artikel 7:611 BW zou gedragen als zij aan [verzoeker] een vergoeding zou betalen, nu dit onbehoorlijk zou zijn tegenover andere werknemers en daarvoor subsidiegelden worden gebruikt. Subsidiair is [verweerster] van mening dat de uitvoering van artikel 2.1 van de vaststellingsovereenkomst in strijd met de redelijkheid en billijkheid is.

in het (voorwaardelijk) tegenverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst

3.13

Het verzoek van [verzoekster] strekt tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] - voor het geval de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is geëindigd op 2 mei 2020 - primair op grond van artikel 7:669 lid 3 sub e BW, subsidiair en meer subsidiair op grond van artikel 7:669 lid 3 sub g, h en i BW en daarbij geen rekening te houden met de opzegtermijn en te bepalen dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en dientengevolge geen recht heeft op een transitievergoeding, althans aan haar een intrekkingstermijn toe te kennen, met veroordeling van [verweerder] in de proceskosten.

3.14

[verzoekster] heeft ter onderbouwing van ontbindingsverzoek - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende naar voren gebracht.

De handelwijze van [verweerder] kwalificeert in de eerste plaats als (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten op grond waarvan van [verzoekster] niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Voor zover daarvan geen sprake mocht zijn, is sprake van een verstoorde verhouding, althans andere omstandigheden die zodanig zijn dat de arbeidsovereenkomst in redelijkheid niet kan voortduren, althans een combinatie daarvan. De reden daarvoor is niet alleen gelegen in de onbevoegde transactie en de feiten die ten grondslag lagen aan de officiële waarschuwing, maar tevens in de voortdurende en openlijk negatieve opstelling van [verweerder] jegens het bestuur, zijn opzegging van het vertrouwen in het bestuur niet lang na een mediationtraject, alsmede zijn latere weigerachtigheid om mee te werken aan de overdracht van zijn taken. [verweerder] is voortdurend zijn toezeggingen niet nagekomen en uitsluitend door zijn toedoen is een verstoorde relatie ontstaan. [verzoekster] heeft geen enkel vertrouwen meer in een samenwerking met [verweerder] , ook niet als docent.

het verweer van [verweerder] tegen het (voorwaardelijk) tegenverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst

3.15

Het verweer van [verweerder] strekt tot primair tot afwijzing van het ontbindingsverzoek en tot het veroordelen van [verzoekster] tot het ontplooien van re-integratieactiviteiten in spoor 1 en [verzoekster] te veroordelen [verweerder] , zodra hij weer arbeidsgeschikt is, terug te laten keren als docent, een en ander op straffe van een dwangsom. Subsidiair voor het geval de ontbinding wordt toegewezen verzoekt [verweerder] toekenning van de transitievergoeding, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, een billijke vergoeding en doorbetaling van het salaris vanaf onder verstrekking van een eindafrekening, met veroordeling van [verzoekster] in de kosten van het geding.

3.16

[verweerder] heeft daartoe - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

De gronden voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst van [verweerder] als docent zijn niet aanwezig. Van (ernstig) verwijtbaar handelen of een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding, veroorzaakt door [verweerder] , is geen sprake. Partijen hebben vanwege het verschil van inzicht tussen [verweerder] als directeur en het bestuur een vaststellingsovereenkomst gesloten en hebben elkaar finale kwijting verleend. Ook de werkoverdracht houdt daarmee verband. Het past niet dat [verzoekster] op die problematiek een ontbindingsverzoek baseert. [verweerder] is bovendien nog steeds ziek, veroorzaakt door de wijze waarop het bestuur [verweerder] volledig buiten spel heeft gezet, maar tegelijkertijd wel van hem verlangde dat hij het werk na één maand zou overdragen, terwijl de ziekmelding niet werd geaccepteerd en het ontbindingsverzoek is gebaseerd op de verwijten na de ziekmelding. [verweerder] meent dat hij zijn bevlogenheid verder voor [verzoekster] kan inzetten en prima als docent werkzaam kan zijn, zodra hij weer volledig arbeidsgeschikt is. Het bestuur van [verzoekster] heeft zich op geen enkele wijze ingespannen om deze samenwerking wel tot een succes te maken.

3.17

De overige stellingen van partijen worden - voor zover voor de uitkomst van de procedure van belang - bij de beoordeling betrokken.

4. De beoordeling

in het verzoek ex artikel 7:681 BW

4.1

De kern van het geschil betreft de vraag of [verweerster] [verzoeker] op goede gronden op staande voet heeft ontslagen.

4.2

In artikel 7:671 lid 1 sub c juncto artikel 7:677 lid 1 BW is bepaald dat de werkgever de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang kan opzeggen vanwege een dringende reden. Ingevolge artikel 7:678 lid 1 BW worden voor de werkgever als dringende redenen als vorenbedoeld beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Voor de beoordeling van de vraag of

sprake is van een dringende reden die een beëindiging van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt, dienen alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking te worden genomen. Gegeven die maatstaf wordt als volgt overwogen.

4.3

[verweerster] heeft aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegd dat [verzoeker] zonder voorafgaande opdracht of toestemming van en zonder overleg of kennisgeving met het bestuur van [verweerster] of SVCR een bedrag van € 5.392,98 heeft overgeboekt van de rekening van SVCR naar een privérekening die op zijn naam stond.

4.4

Voorop wordt gesteld dat [verweerster] ter zitting niet langer heeft bestreden dat de overgeboekte gelden niet aan haar of aan SVCR toebehoren, maar aan SVCE (zijnde een bedrag van € 4.109,48 en een bedrag van € 913,50) en aan [naam circus 2] Ethiopia (een bedrag van € 370,00). Deze bedragen zijn achtereenvolgens opgenomen in de jaarrekeningen van SVCR over 2017, 2018 en 2019 onder de post “Stg Vrienden van circussen in Ethiopië”. De jaarrekeningen 2017 en 2018 zijn door het bestuur goedgekeurd, zodat het bestuur van SVCR ervan op de hoogte was dat dit bedrag bestemd was voor SVCE. De schriftelijke verklaring van [naam voormalig penningmeester] , penningmeester van SVCR, wijst ook in die richting, nu zij bevestigt dat zij als penningmeester op de hoogte was dat het bedrag was verantwoord in de jaarrekeningen van SVCR als schuld aan SVCE. Uit de schriftelijke verklaring van [naam voorzitter/secretaris SVCE] , voorzitter/secretaris SVCE, blijkt ook dat het geld van SVCE per 27 februari 2017 na de opheffing van de zakelijke bankrekening van SVCE administratief is ondergebracht op de bankrekening van SVCR en dat het totale saldo van

€ 5.392,98 op 19 maart 2020 met zijn medeweten is overgemaakt op een nieuw geopende tijdelijke bankrekening op naam van [verzoeker] . Voor zover deze posten vragen hebben opgeroepen bij het bestuur van [verweerster] of SVCR valt niet in te zien waarom [verweerster] of SVCR niet eerder aan [verzoeker] een toelichting hebben gevraagd. [verweerster] en SVCR zijn bovendien aparte entiteiten met een eigen bestuur en eigen financiële verantwoording.

4.5

Het totaalbedrag van € 5.392,98 dat door [verzoeker] is overgeboekt komt tot de eurocent nauwkeurig overeen met de bedragen die in de jaarrekeningen zijn genoemd en corresponderen met het bedrag op het bankafschrift van SVCE van 1 maart 2017 alsook de bedragen die vanaf 2014 en tijdens de CircusZondag bij [verweerster] voor SVCE en in 2018 voor de Gamo Circusschool via de bankrekening van SVCR zijn ingezameld. Het voorgaande wijst dan ook in het geheel niet in de richting van frauduleus handelen. De vraag of [verzoeker] de transactie heeft verricht in de hoedanigheid van docent of vrijwilliger acht de kantonrechter daarbij minder van belang. Dat [verzoeker] met de transactie zichzelf heeft willen verrijken is op geen enkele wijze gebleken. Wel heeft [verzoeker] naar het oordeel van de kantonrechter op zijn minst onhandig geopereerd door de bankrekening van SVCE (enkel en alleen vanwege de kosten voor het in stand houden van die bankrekening) op te heffen en het geld in eerste instantie op de bankrekening van SVCR te “parkeren” en vervolgens dat geld zonder enig overleg met het bestuur van SVCR of [verweerster] over te boeken op een speciaal daarvoor door hem geopende bankrekening die op zijn naam stond.

Hoewel [verzoeker] heeft aangevoerd dat de verstandhouding met de bestuursvoorzitter mevrouw [naam bestuursvoorzitter] op dat moment slecht was, had desondanks van hem verwacht mogen worden dat hij haar over het overboeken van het geld naar een privérekening had geïnformeerd.

Dat [verzoeker] het bedrag heeft overgeboekt, kennelijk twee dagen nadat hem de bevoegdheid tot het doen van betalingen voor en namen [verweerster] en SVCR was ontnomen, heeft op zijn minst tot vraagtekens geleid bij [verweerster] . Wel heeft [verzoeker] daarvoor een plausibele verklaring gegeven, namelijk dat het op dat moment niet mogelijk was een zakelijke bankrekening te openen en de privérekening niet op naam van SVCE kon worden gezet.

4.6

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het ontslag op staande voet in zoverre een te zware sanctie is geweest en dat [verzoeker] niet een zo ernstig verwijt kan worden gemaakt dat dit een ontslag op staande voet - met alle verstrekkende gevolgen - kan rechtvaardigen. Daarbij is meegewogen dat sprake is van een lang dienstverband van vijfentwintig jaar bij een circus dat door [verzoeker] zelf is opgericht. Het geven van een ontslag op staande voet is een ultimum remedium en [verweerster] dient bij het nemen van de zwaarste sanctie in het arbeidsrecht alle belangen in ogenschouw te nemen, ook die van [verzoeker] . Ook de overige verwijten die door [verweerster] zijn meegewogen kunnen een ontslag op staande voet niet dragen. Niet alleen zijn de uitbetaalde overuren door [verzoeker] (als directeur) terugbetaald, maar [verweerster] heeft daaraan in maart 2019 geen consequenties verbonden, terwijl met de officiële waarschuwing van 30 maart 2020 voor het overtreden van het geheimhoudingsbeding, wat daar verder ook van zij, ook die zaak als afgedaan moet worden beschouwd.

4.7

Nu geen sprake is van een dringende reden was [verweerster] niet bevoegd de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] onverwijld op te zeggen zoals bedoeld in artikel 7:677 BW. Het verzoek tot vernietiging van de opzegging zal dan ook worden toegewezen. Er is immers sprake van een opzegging in strijd met artikel 7:671 BW.

loon

4.8

Nu de opzegging van 2 mei 2020 wordt vernietigd duurt de arbeidsovereenkomst voort en heeft [verzoeker] recht op doorbetaling van het loon. Daarbij dient conform de gemaakte afspraken tussen partijen in de vaststellingsovereenkomst d.d. 31 januari 2020 te worden uitgegaan van een bedrag van € 5.427,00 bruto per maand, exclusief emolumenten vanaf

2 mei 2020 tot 1 juni 2020 en een bedrag van€ 1.871,00 bruto, exclusief emolumenten vanaf 1 juni 2020. [verzoeker] heeft ter zitting als onweersproken gesteld dat volgens de toepasselijke cao 100% loon bij ziekte wordt uitbetaald, zodat daarvan zal worden uitgegaan.

wettelijke rente en wettelijke verhoging

4.9

De wettelijke rente en de wettelijke verhoging over het achterstallige loon zijn eveneens toewijsbaar. De kantonrechter ziet in de gegeven omstandigheden wel aanleiding de wettelijke verhoging te matigen tot 15%.

wedertewerkstelling

4.10

Door de vernietiging van de opzegging is de arbeidsovereenkomst in stand gebleven.

Mede gelet op hetgeen hierna onder 4.21 ten aanzien van het ontbindingsverzoek wordt overwogen zal het verzoek van [verzoeker] om hem toe te laten tot zijn werkzaamheden als docent worden toegewezen, voor zover [verzoeker] volledig arbeidsgeschikt is. Aan die veroordeling zal een dwangsom worden verbonden, met dien verstande dat deze zal worden gemaximeerd op de wijze zoals in het dictum vermeld en eerst zal ingaan één maand na betekening van deze beschikking. [verweerster] wordt daarmee in de gelegenheid gesteld aan de veroordeling te voldoen en de terugkeer van [verzoeker] , zij het in zijn nieuwe rol van docent, voor te bereiden.

beëindigingsvergoeding

4.11

[verweerster] is uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst van 31 januari 2020 onverkort gehouden tot betaling aan [verzoeker] van de beëindigingsvergoeding als bedoeld in artikel 2.1. Partijen zijn deze vergoeding immers nadrukkelijk en na uitgebreide onderhandelingen overeengekomen in het kader van de beëindiging van de sinds 1 januari 1995 bestaande arbeidsovereenkomst van [verzoeker] als directeur. Reeds hiervoor is overwogen dat het handelen van [verzoeker] niet als frauduleus of onoorbaar kan worden aangemerkt, hetgeen ook geen grond kan vormen voor gedeeltelijke vernietiging of buiten toepassing laten van de vaststellingsovereenkomst of matiging van de beëindigingsvergoeding. Het beroep van [verweerster] op artikel 7:611 BW en 6:248 BW kan evenmin slagen. [verweerster] moet geacht worden vooraf de implicaties van de verplichtingen die zij is aangegaan bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst te hebben kunnen overzien. Evenmin is betaling van de beëindigingsvergoeding in strijd met de redelijkheid en billijkheid, laat staan dat voldoende feiten en/of omstandigheden vaststaan die dit onaanvaardbaar maken. Op dit punt punt ontbreken relevante (onderbouwde) stellingen van [verweerster] . In de door [verweerster] aangehaalde uitspraak ziet de kantonrechter geen aanleiding voor een ander oordeel. De slotsom luidt dat het tussen partijen afgesproken bedrag van € 35.238,00 bruto toewijsbaar is.

4.12

Nu de opzegging van 2 mei 2020 wordt vernietigd en het primaire verzoek wordt toegewezen, behoeft het subsidiaire verzoek tot toekenning van een transitievergoeding geen bespreking en beoordeling meer. Dit geldt eveneens voor het verzoek van [verweerster] tot toekenning van een vergoeding als bedoeld in artikel 7:677 lid 2 BW, nog daargelaten dat zij deze vergoeding reeds heeft verrekend. Voor die verrekening bestaat echter geen grond, gezien hetgeen hiervoor ten aanzien van het ontslag op staande voet is overwogen en beslist.

in het (voorwaardelijk) ontbindingsverzoek

4.13

Aangezien de arbeidsovereenkomst door de vernietiging van het ontslag voortduurt is de voorwaarde waaronder het ontbindingsverzoek is ingediend vervuld.

4.14

Uit artikel 7:671b lid 2 BW volgt dat de kantonrechter een verzoek op grond van het eerste lid alleen kan inwilligen indien er geen opzegverboden gelden. Ter zitting is gebleken dat [verzoekster] de ziekmelding van [verweerder] inmiddels heeft geaccepteerd en dat verzuimbegeleiding is ingeschakeld, zij het dat partijen van mening verschillen over de exacte datum van ziekmelding. [verweerder] moet thans nog als arbeidsongeschikt worden geacht en nu de ziekte nog geen twee jaar heeft geduurd, is er in beginsel sprake van een opzegverbod als bedoeld in artikel 7:670 lid 1 sub a BW. In dit geval is echter niet gebleken dat het ontbindingsverzoek verband houdt met de ziekte van [verweerder] . Het opzegverbod staat ingevolge het bepaalde in artikel 7:671b lid 6 sub a BW dan ook niet in de weg aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

4.15

Uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden, indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer in een andere passende functie binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt, voor zover geen sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer.

e-grond

4.16

[verzoekster] heeft primair aangevoerd dat de redelijke grond voor ontbinding is gelegen in het (ernstig) verwijtbaar handelen van [verweerder] als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub e BW, zodanig dat van haar als werkgeefster in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Aan het verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] heeft [verzoekster] hetzelfde feitencomplex ten grondslag gelegd als voor het ontslag op staande voet. Zoals hiervoor reeds is overwogen, rechtvaardigt de handelwijze van [verweerder] in de gegeven omstandigheden niet een ontslag op staande voet en dit levert evenmin verwijtbaar handelen of nalaten op, in die zin dat het dienstverband op die grond (onmiddellijk) ontbonden moet worden. Daarbij is met name van belang dat op geen enkele wijze gebleken is dat [verweerder] zichzelf heeft willen verrijken en hij de bedoeling had om het geld ten eigen bate aan te wenden. Van ander handelen of nalaten van [verweerder] dat als verwijtbaar kan worden aangemerkt is niet gebleken.

g-grond

4.17

[verzoekster] heeft subsidiair aan het verzoek tot ontbinding ten grondslag gelegd dat sprake is een verstoorde arbeidsverhouding. Uit het standpunt van [verzoekster] blijkt dat er wat haar betreft geen behoorlijk draagvlak meer bestaat voor een verdere samenwerking met [verweerder] , omdat het vertrouwen aan haar kant ontbreekt. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen wettigen de gestelde en gebleken omstandigheden echter niet het standpunt dat sprake zou zijn van en onherstelbare vertrouwensbreuk. Gelet op de door zowel [verzoekster] als [verweerder] gegeven voorbeelden is wel een beeld ontstaan dat de afgelopen jaren als gevolg van de verdere professionalisering van [verzoekster] tussen [verweerder] een en het bestuur een verschil van inzicht is ontstaan over de invulling van zijn functie van directeur en de toekomstvisie van [verzoekster] . Dat in die periode problemen zijn gerezen in de verhouding tussen [verweerder] en [verzoekster] en dat zij moeite met elkaar hebben door alles wat is gebeurd, is begrijpelijk. Niet gesteld of gebleken is dat de verhouding niet meer te repareren valt.

4.18

Partijen hebben eerst na het volgen van een mediationtraject afspraken gemaakt en zij hebben vervolgens op 31 januari 2020 een uitgebreide vaststellingsovereenkomst gesloten waarbij nadrukkelijk is overeengekomen dat [verweerder] zou terugtreden als directeur en dat hij aan [verzoekster] verbonden zou blijven als docent, gelet op zijn bijzondere positie en staat van dienst. De ontwikkelingen die zich hebben voorgedaan voorafgaand aan het sluiten van de vaststellingsovereenkomst kunnen niet bijdragen aan het oordeel dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding met [verweerder] als docent of anderszins van een redelijke grond voor beëindiging van de arbeidsrelatie. Het voorgaande geldt evenmin voor het verwijt aan [verweerder] dat de overdracht van de directietaken aan de zakelijk leider problematisch verliep, waarbij de termijn van één maand de kantonrechter overigens kort voorkomt. Vaststaat dat [verweerder] mede in verband met de coronacrisis en het gegeven ontslag op staande voet feitelijk nog geen dag als docent heeft gewerkt. Aldus dient aan [verweerder] naar het oordeel van de kantonrechter nog een kans geboden te worden om de functie van docent uit te oefenen, hetgeen ook uitdrukkelijk zijn wens is. Het voorgaande neemt niet weg dat [verweerder] zich dient te realiseren dat hij in de rol van docent de besluitvorming aan het bestuur van [verzoekster] over dient te laten. Een rehabilitatie, een en ander op de wijze zoals door [verweerder] is voorgesteld, acht de kantonrechter niet aan de orde. Dat het vertrek van [verweerder] als directeur hem aan het hart gaat is begrijpelijk, maar juist omdat hij op 31 januari 2020 heeft ingestemd met zijn terugtreden als directeur, dient hij zich in het vervolg beslist te onthouden van acties in zijn eigen belang, zoals het opzetten van een website waarop (protest)reacties over zijn vertrek als directeur kunnen worden achtergelaten, het benaderen van ouders, leerlingen en andere docenten alsmede de burgemeester en wethouder van de gemeente Rotterdam voor reacties op zijn vertrek als directeur en het uitdelen van kaarten aan leerlingen en ouders met daarop zijn beeltenis en zijn e-mailadres. Die acties hebben op zijn minst tot frustratie en irritatie bij [verzoekster] geleid, hetgeen zeker ook niet onbegrijpelijk is. In het geval [verweerder] als docent geen professionele distantie kan bewaren ten aanzien van de organisatie en de bedrijfsvoering van [verzoekster] , dient hij er rekening mee te houden dat het zeker niet uitgesloten is dat een eventuele nieuwe ontbindingsprocedure in zijn nadeel uitvalt.

4.19

Gelet op het bovenstaande moet worden geconcludeerd dat een ontbinding op de

g-grond op dit moment niet toewijsbaar is.

h-grond/i-grond

4.20

De stellingen van [verzoekster] vormen ook geen deugdelijke onderbouwing voor de aanwezigheid van andere omstandigheden als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 onder h BW of een combinatie van omstandigheden als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub i BW.

Voor wat betreft de i-grond wordt overwogen dat de cumulatiegrond bedoeld is voor die gevallen waarin voortzetting van het dienstverband in redelijkheid niet meer van de werkgever gevergd kan worden, waarbij de werkgever dat niet kan baseren op omstandigheden uit één enkele ontslaggrond, maar dit wel kan motiveren en onderbouwen met omstandigheden uit meerdere ontslaggronden samen. De enkele stelling van [verzoekster] dat sprake is van een combinatie van verwijtbaar handelen of nalaten op basis van de g-grond en h-grond en een door toedoen van [verweerder] ontstane verstoorde arbeidsverhouding is daartoe onvoldoende, terwijl bovendien geen van de afzonderlijke ontslaggronden (bijna) voldragen zijn.

conclusie

4.21

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst dient te worden afgewezen. Om die reden wordt niet toegekomen aan de nevenverzoeken van [verzoekster] en de subsidiaire verzoeken van [verweerder] .

4.22

Het verzoek van [verzoeker] om [verweerster] te veroordelen tot het ontplooien van

re-integratieactiviteiten in spoor I zal wegens gebrek aan belang worden afgewezen.

Gebleken is immers dat [verweerster] reeds verzuimbegeleiding heeft ingeschakeld en onvoldoende is gebleken dat zij de re-integratie van [verzoeker] niet voortvarend ter hand zal nemen.

in alle verzoeken

4.23

De proceskosten komen voor rekening van [verweerster] omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. Gelet op de samenhang van de verzoeken worden deze kosten toegewezen op de wijze zoals in het dictum vermeld.

5. De beslissing

de kantonrechter:

in het verzoek ex artikel 7:681 BW

vernietigt het op 2 mei 2020 gegeven ontslag op staande voet;

veroordeelt [verweerster] om [verzoeker] , zodra hij weer volledig arbeidsgeschikt is verklaard, binnen één maand na betekening van deze beschikking toe te laten tot de werkzaamheden uit hoofde van zijn arbeidsovereenkomst als docent, op straffe van een dwangsom van
€ 250,00 per dag dat [verweerster] daarmee in gebreke mocht blijven, met dien verstande dat zij maximaal € 10.0000,00 aan dwangsommen zal verbeuren;

veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoeker] van het (achterstallige) loon (op de wijze zoals in 4.8 vermeld) vanaf 2 mei 2020 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met 15% van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en het aldus verhoogde bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over het achterstallige loon vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoeker] van een bedrag van € 35.238,00 bruto aan beëindigingsvergoeding, zoals vermeld in de vaststellingsovereenkomst d.d. 31 januari 2020;

in het verzoek ex artikel 7:671b BW

wijst het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af;

in alle verzoeken

veroordeelt [verweerster] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verzoeker] vastgesteld op € 499,00 aan griffierecht en € 1.250,- aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.J.J. Wetzels en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

829