Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:8168

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-09-2020
Datum publicatie
17-09-2020
Zaaknummer
C/10/568782 / HA ZA 19-189
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De woning is van de man. De hypothecaire geldlening staat mede op naam van de vrouw. De aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid rechtvaardigt dat de man bewerkstelligt dat de vrouw wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid. Afspraak over tenaamstelling polis niet uitvoerbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2021/83
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/568782 / HA ZA 19-189

Vonnis van 16 september 2020

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats eiseres] , gemeente [gemeente 1] ,

eiseres,

advocaat mr. R.P. Heeren te Leiden,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] , gemeente [gemeente 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. A. Alam-Khan te Delft.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 5 februari 2019,

  • -

    de conclusie van antwoord,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 14 oktober 2019, met de daaraan gehechte productie,

  • -

    de nadere akte tevens aanvulling van eis, van de vrouw,

  • -

    de antwoordakte van de man,

  • -

    de overigens overgelegde producties,

  • -

    de weigering van de rechtbank om de vrouw toe te staan een akte te mogen nemen als reactie op de antwoordakte van de man.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Partijen hebben samengewoond uit hoofde van een affectieve relatie. Uit deze relatie zijn twee thans meerderjarige kinderen geboren ( [naam kind 1] en [naam kind 2] , geboren in 1999 en 2001). De samenwoning vond plaats in een (alleen) aan de man in eigendom toebehorende woning op het adres [adres] te Middelharnis (hierna ook te noemen: de woning).

2.2.

Partijen zijn in het jaar 2000 gezamenlijk een geldlening aangegaan bij de ING Bank voor verbouwing van de woning. Hiervoor is een (tweede) hypotheek verleend op de woning. De geldlening bedraagt ƒ 250.000 (circa € 113.445,05). Partijen zijn voor deze lening hoofdelijk aansprakelijk.

2.3.

De affectieve relatie tussen partijen is in 2012 ten einde gekomen. Toen is de vrouw elders gaan wonen. De twee kinderen wonen ook niet meer bij de man. De man woont thans in de woning met zijn nieuwe partner.

2.4.

De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 14 november 2012 onder meer beslist dat de man aan de vrouw een kinderalimentatie moesten betalen van € 624,75 per kind per maand.

2.5.

De ING Bank heeft de vrouw bij e-mailbericht van 3 februari 2016 medegedeeld dat er betalingsachterstanden zijn ontstaan met betrekking tot de voormelde hypothecaire geldlening. Deze achterstanden zijn ingelopen.

2.6.

Partijen hebben met elkaar onderhandeld om de vrouw te doen ontslaan uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid, tot op heden zonder resultaat.

2.7.

De man heeft op 22 januari 2019 een verzoekschrift ingediend tot wijziging (verlaging) van de door hem te betalen alimentatie voor de (jongmeerderjarige) kinderen, op de grondslag van verminderde draagkracht (daling inkomen). Deze procedure bevindt zich inmiddels in de fase van hoger beroep.

3. De vordering en het verweer

3.1.

De vrouw vordert, na akte “aanvulling van eis” bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

Primair (maar er is geen subsidiaire vordering, toevoeging rechtbank)

a. de man te veroordelen om volledige medewerking te verlenen aan de verkoop van de

woning aan de [adres] te Middelharnis door voor zover nodig toegang te verschaffen

aan Tanis & Akershoek Makelaardij te Goedereede en Hellevoetsluis en de eventuele

potentiele kopers op verzoek van die makelaar toegang tot de woning aan de [adres]

te Middelharnis te verlenen en deze in behoorlijke staat voor bezichtiging door potentiele

kopers te brengen en te houden, alsmede door een verkoopbord op een voor voorbijgangers

goed zichtbare plek te (doen) bevestigen en niet meer te verwijderen en ook overigens

redelijke voorschriften van de makelaar op te volgen teneinde het verkoopproces te

bevorderen;

b. de man te veroordelen om medewerking te verlenen aan het opstellen en ondertekenen

van de verkoopovereenkomst en de juridische levering van de woning aan de [adres]

te Middelharnis tegen een daartoe door Tanis & Akershoek Makelaardij te Goedereede en

Hellevoetsluis redelijk te achten verkoopprijs ('laatprijs') en;

i. de man te bevelen om daartoe met medeneming van een geldig

legitimatiebewijs te verschijnen bij een door de vrouw nog nader te noemen notaris op een door deze notaris vast te stellen datum en tijdstip de voor de levering op te maken notariële akte te ondertekenen volgens de door de notaris juist geachte tekst en verder al hetgeen te doen en uit te voeren dat door de notaris voor de levering aan de koper noodzakelijk wordt geacht;

ii. te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van een in wettige vorm

opgemaakte akte, strekkende tot ondertekening door de man van de

koopovereenkomst, alsmede tot het notarieel transport van de genoemde woning,

indien de man weigert de verkoopovereenkomst te ondertekenen en/of op het

door de notaris vastgestelde tijdstip niet verschijnt ofwel zijnde verschenen weigert aan de levering dan wel aan hetgeen de notaris voor de levering aan de koper noodzakelijk acht, zijn medewerking te verlenen;

iii. een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000 (één duizend euro per dag) tot een maximum van € 100.000 (één honderd duizend

euro), voorts

c. De man te veroordelen om de (eerste) begunstiging van door de man aan ING

verpande Nationale Nederlanden polis [nummer polis] onherroepelijk op naam van zijn dochters

[naam kind 1] en [naam kind 2] te stellen, op straffe van verbeurte van een

dwangsom van € 1.000 (één duizend euro per dag) tot een maximum van € 100.000

(één honderd duizend euro),

alsmede de man te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2.

De man voert verweer.

3.3.

De stellingen en weren zullen, waar nodig, in de beoordeling worden betrokken.

4. De beoordeling

4.1.

Partijen hebben ter comparitie afspraken gemaakt om te trachten onderling tot een vergelijk te komen. Partijen zijn er niet in geslaagd om onderling een (definitieve) regeling te treffen. Daarom zal vonnis worden gewezen.

4.2.

Het geschil komt op het volgende neer: de vrouw wil bevrijd worden van haar hoofdelijkheid voor een hypothecaire geldlening. Alleen de man is eigenaar van de woning maar de vrouw heeft wel meegetekend voor een schuld waarvoor (tweede) hypotheek op de woning is verleend. Deze geldlening is 20 jaar geleden afgesloten, in 2000, toen partijen nog samenwoonden. Partijen zijn inmiddels acht jaar uit elkaar, sinds 2012.

Daarnaast is in geding de vraag of de man de ter comparitie gemaakte afspraak over een polis van levensverzekering deugdelijk is nagekomen.

4.3.

Wat betreft de hypothecaire geldlening wordt als volgt overwogen.

4.4.

De vrouw stelt dat de man heeft toegezegd te zullen bewerkstelligen dat de vrouw wordt ontslagen uit haar hoofdelijkheid. De man betwist dit, zodat de toezegging van de man niet vaststaat. De rechtbank laat dit verder in het midden. Ook indien de gestelde toezegging niet is gedaan, mag nog steeds van de man gevergd worden dat hij dit ontslag bewerkstelligt (althans: laat bewerkstelligen). In dit oordeel weegt het volgende mee.

4.5.

Het gaat hier om de onderlinge verhouding tussen twee hoofdelijke schuldenaren. Een schuld is geen goed, dus de wettelijke bepalingen omtrent verdeling van een gemeenschappelijk goed zijn (formeel) niet toepasselijk. Wel toepasselijk is artikel 6:8 BW, dat bepaalt dat op de onderling rechtsbetrekkingen tussen hoofdelijke schuldenaren artikel 6:2 BW van overeenkomstige toepassing is.

4.6.

Artikel 6:2 BW bepaalt:

“1.Schuldeiser en schuldenaar zijn verplicht zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid.

2.Een tussen hen krachtens wet, gewoonte of rechtshandeling geldende regel is niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.”

4.7.

Als tussen partijen niet is afgesproken dat de man zal bewerkstelligen dat de vrouw zal worden ontslagen uit haar hoofdelijkheid, bevat de rechtsverhouding tussen partijen een leemte. Dan geldt de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid van voormeld lid 1. Het is naar het oordeel van de rechtbank redelijk en billijk dat de man bewerkstelligt dat de vrouw ontslagen wordt uit haar hoofdelijkheid. Bij beëindiging van een affectieve relatie dient het zoveel mogelijk tot financiële ontvlechting tussen de ex-partners te komen, en wel binnen een redelijke termijn. Die termijn is inmiddels verstreken. Partijen zijn al acht jaar uit elkaar. Het geld van de lening is in de woning gestoken. De vrouw heeft sinds haar vertrek geen baat meer bij deze investering. Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft in gelijke zin geoordeeld in een voldoende vergelijkbaar geval (ECLI:NL:GHSHE:2019:2284).

4.8.

De man voert aan dat het hem feitelijk onmogelijk is om te voldoen aan de vordering van de vrouw. De man stelt dat hij onvoldoende inkomen geniet, zodat de ING Bank niet bereid is om medewerking te verlenen aan ontslag van de vrouw uit haar hoofdelijkheid. Dit verweer faalt. Op zich valt niet uit te sluiten dat het inkomen van de man, zoals hij aanvoert, is gedaald (volgens de man: drastisch is gedaald). Wat hiervan echter ook zij, de man heeft ter comparitie erkend dat de woning een overwaarde heeft van circa € 300.000. De man kan dus uit de overwaarde de in geding zijnde schuld aan de ING Bank voldoen. Nakoming is dus niet feitelijk onmogelijk.

4.9.

Echter, het belang bij toewijzing van de vordering van de vrouw is onvoldoende zwaarwegend. In het verleden zijn er achterstanden geweest in aflossing op de lening door de man, maar van (min of meer) recente betalingsachterstanden is niet gebleken. De vrouw woont, zo verklaarde zij ter comparitie, thans samen met haar nieuwe partner in diens koopwoning. De vrouw is van onderdak voorzien en zij loopt niet tegen het probleem aan dat zij vanwege haar hoofdelijkheid geen hypothecaire geldlening kan aangaan voor de aanschaf van een eigen woning. Het woonbelang van de man en zijn nieuwe partner wegen ook mee. De man stelt een BKR registratie te hebben. Het is begrijpelijk dat de man geen nieuwe schulden wil aangaan. De financiële ontvlechting tussen partijen zal echter toch een keer zijn beslag moeten krijgen.

Een en ander afwegend is de rechtbank van oordeel dat de man weliswaar veroordeeld kan worden om zijn woning te verkopen teneinde met de opbrengst de hoofdelijkheid van de vrouw te beëindigen, maar dat hem daarvoor geruime tijd moet worden gegund. De rechtbank zal daarom aan de toewijzing de voorwaarde verbinden dat de man niet verplicht is om de woning aan een derde te leveren vóór 1 januari 2023. Dit geeft de man ruime tijd om een redelijke prijs voor zijn woning te kunnen bedingen en tevens om bij de bank de mogelijkheid te beproeven of hij, met als onderpand de overwaarde van zijn woning, toch niet een nieuwe lening kan afsluiten om de lening waarvoor de vrouw hoofdelijk aansprakelijk is, af te lossen.

4.10.

De dwangsom zal worden beperkt en gemaximeerd. De dwangsom zal slechts worden gesteld op de feitelijke handelingen die de man moet verrichten (zoals het toelaten van gegadigden en de makelaar tot de woning) maar niet op de rechtshandelingen die de man in dit verband moet verrichten (het ondertekenen van de koopovereenkomst en het verlenen van medewerking aan notariële levering van de woning aan een derde). Dit is onnodig omdat, zoals gevorderd, toch al beslist zal worden dat onderhavig vonnis in de plaats zal treden van de desbetreffende, door de man te verrichten rechtshandelingen.

Voor zover de vrouw beoogt te vorderen (duidelijk is dat niet) dat het vonnis in de plaats treedt van de gehele notariële akte, wordt dit afgewezen. De rechtbank acht de tussenkomst van de notaris wenselijk. Dit zal in de beslissing tot uitdrukking worden gebracht.

4.11.

De rechtbank acht bij deze deelvordering het belang van de vrouw dat is gediend met uitvoerbaarverklaring van het vonnis bij voorraad (dat wil zeggen: een eventueel hoger beroep schorst de werking van het vonnis niet) zwaarder wegen dan het andersluidende belang van de man. Het vonnis zal daarom, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Het verweer van de man tegen de uitvoerbaarverklaring bij voorraad faalt.

4.12.

Over de polis wordt als volgt geoordeeld.

4.13.

Partijen hebben over een door de man bij Nationale Nederlanden afgesloten polis van levensverzekering ter comparitie het volgende afgesproken: “De man zal voor de polis [nummer polis] onherroepelijke begunstiging voor [naam kind 1] en [naam kind 2] effectueren. [naam kind 1] is thans meerderjarig en kan deze begunstiging zelf aanvaarden, [naam kind 2] zal op 9 november 2019 meerderjarig worden en zal alsdan deze begunstiging zelf kunnen aanvaarden.”

4.14.

De vrouw vordert veroordeling van de man tot nakoming van deze afspraak, op straffe van verbeurte van een dwangsom. De vrouw stelt dat de man de afspraak niet goed is nagekomen. De vrouw erkent dat uit de door man overgelegde, door Nationale Nederlanden opgestelde “Aantekening Wijziging Verzekering” die is afgegeven op 8 november 2019 (productie 29 vrouw) zou “kunnen volgen” dat de afgesproken wijziging van de begunstiging daadwerkelijk is geëffectueerd. Maar de vrouw vertrouwt het niet, omdat de man de tekst die daaronder staat heeft afgedekt zodat het aan de vrouw verstrekte afschrift niet volledig leesbaar is. Voorts stelt de vrouw dat de man ten onrechte niet heeft bewerkstelligd dat de wijziging van de begunstiging onherroepelijk is.

4.15.

De rechtbank zal deze vordering afwijzen. Uit de door Nationale Nederlanden opgestelde tekst van de poliswijziging blijkt genoegzaam dat thans als eerste begunstigden zijn aangewezen: de twee kinderen van partijen. Aan dit oordeel doet niet af dat de man van de overige begunstigden, lager in rang, de namen onleesbaar heeft gemaakt op het aan de vrouw verstrekte afschrift. De afspraak tussen partijen omvat niet de verplichting de namen van deze overige begunstigden kenbaar te maken.

4.16.

Wat betreft de onherroepelijkheid van de wijziging van de begunstiging ten name van de twee dochters: tussen partijen is inderdaad afgesproken dat de begunstiging onherroepelijk zou worden gemaakt. Maar niemand kan worden veroordeeld tot nakoming van het onmogelijke. De vrouw legt zelf een brief over van Nationale Nederlanden van 12 december 2019. Daarin schrijft Nationale Nederlanden “De begunstiging is niet onherroepelijk gewijzigd. Om de begunstiging onherroepelijk te wijzigen zouden begunstiging aanvaard moeten worden. Het aanvaarden van de begunstiging is niet mogelijk, omdat de rechten uit deze verzekering verpand zijn.”

4.17.

Volgens (de advocaat van) de vrouw staat dit bericht er niet aan in de weg om de begunstiging onherroepelijk te maken, zolang maar het pandrecht van de ING Bank erkend wordt. Het is de rechtbank niet duidelijk waar dit standpunt van de vrouw op gebaseerd is. Dit staat niet in het bericht van Nationale Nederlanden. Daargelaten of het (juridisch) mogelijk is om de begunstiging onherroepelijk te maken: Nationale Nederlanden wil het kennelijk niet doen. En dan houdt het op. Van de man mogen redelijkerwijs niet meer inspanningen gevergd worden dan hij in dit verband inmiddels heeft verricht. Dit betekent overigens niet per definitie dat de vrouw met lege handen komt te staan. Mocht de man in de toekomst de begunstiging wijzigen ten nadele van de twee kinderen, dan valt niet uit te sluiten dat hij daardoor tegenover de twee kinderen schadeplichtig wordt wegens wanprestatie (in de vorm van schending van een door de twee kinderen aanvaard derdenbeding).

4.18.

De proceskosten tussen partijen zullen, gelet op hun relatie (ex-partners) worden gecompenseerd.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt de man om volledige medewerking te verlenen aan de verkoop van de

woning aan de [adres] te Middelharnis door voor zover nodig toegang te verschaffen

aan Tanis & Akershoek Makelaardij te Goedereede en Hellevoetsluis en de eventuele

potentiele kopers op verzoek van die makelaar toegang tot de woning aan de [adres]

te Middelharnis te verlenen en deze in behoorlijke staat voor bezichtiging door potentiele

kopers te brengen en te houden, alsmede door een verkoopbord op een voor voorbijgangers

goed zichtbare plek te (doen) bevestigen en niet meer te verwijderen en ook overigens

redelijke voorschriften van de makelaar op te volgen teneinde het verkoopproces te

bevorderen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500 (vijfhonderd euro) per dag) tot een maximum van € 50.000, (vijftig duizend euro), voorts

5.2.

veroordeelt de man om medewerking te verlenen aan het opstellen en ondertekenen

van de verkoopovereenkomst en de juridische levering van de woning aan de [adres]

te Middelharnis tegen een daartoe door Tanis & Akershoek Makelaardij te Goedereede en

Hellevoetsluis redelijk te achten verkoopprijs ('laatprijs') en

5.3.

beveelt de man om daartoe met medeneming van een geldig legitimatiebewijs te verschijnen bij een door de vrouw nog nader te noemen notaris op een door deze notaris vast te stellen datum en tijdstip de voor de levering op te maken notariële akte te ondertekenen volgens de door de notaris juist geachte tekst en verder al hetgeen te doen en uit te voeren dat door de notaris voor de levering aan de koper noodzakelijk wordt geacht;

5.4.

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van een in wettige vorm opgemaakte akte, strekkende tot ondertekening door de man van de koopovereenkomst, alsmede in de plaats van de rechtshandelingen die de man moet verrichten voor de totstandkoming van de notariële akte van levering van de genoemde woning, indien de man weigert de verkoopovereenkomst te ondertekenen en/of op het door de notaris vastgestelde tijdstip niet verschijnt ofwel zijnde verschenen weigert aan de levering dan wel aan hetgeen de notaris voor de levering aan de koper noodzakelijk acht, zijn medewerking te verlenen;

5.5.

bepaalt dat de man in alle gevallen gerechtigd is de juridische levering van de woning aan een derde niet eerder te doen plaatsvinden dan 1 januari 2023;

5.6.

verklaart het vonnis tot zover zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

bepaalt dat ieder van partijen de eigen proceskosten draagt;

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. van den Bergh en ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. C. Bouwman, rolrechter, op 16 september 2020.

[2517/2504]

1

1 type: coll: