Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:8150

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-07-2020
Datum publicatie
17-09-2020
Zaaknummer
8313526 CV EXPL 20-4835
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

vve bijdrage niet betaald, beroep op opscberoep op opschorting wordt verworpen. Correcte toepassing van mutatieregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8313526 CV EXPL 20-4835

uitspraak: 17 juli 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

VvE [straatnaam] 40 en 42 te Rotterdam,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

gemachtigde: [naam gemachtigde] te Dordrecht,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘de VvE’ en ‘ [gedaagde] ’.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 6 februari 2020, met producties;

  • -

    de aantekeningen van 18 februari 2020 van het mondelinge antwoord van [gedaagde] ;

  • -

    het aanvullende antwoord van [gedaagde] , bestaande uit producties, ingediend ter rolzitting van 26 maart 2020;

  • -

    de conclusie van repliek, met producties;

  • -

    de door [gedaagde] ter rolzitting van 23 april 2020 overgelegde producties;

  • -

    de conclusie van dupliek, met producties.

1.2

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1

[gedaagde] is eigenaar van het appartementsrecht, rechtgevend op het uitsluitend gebruik van het appartement gelegen aan de [straatnaam] 40-A te Rotterdam. Dit appartement maakt deel uit van de onroerende zaak waarvoor de VvE is opgericht. [gedaagde] is van rechtswege lid van de VvE en is gehouden tot betaling van de in de vergadering van de VvE vastgestelde bedragen (hierna: de VvE-bijdrage).

2.2

De VvE-bijdrage bedraagt thans € 119,72 per maand.

2.3

De achterstand in de betaling van deze bijdrage bedroeg € 717,58 berekend tot en met de maand februari 2020, rekening houdend met de deelbetalingen die [gedaagde] in de periode van 5 december 2018 tot en met 29 december 2019 aan de incassogemachtigde van de VvE heeft gedaan tot een totaal bedrag van € 1.691,00.

2.4

[gedaagde] heeft na het uitbrengen van de dagvaarding op 27 februari 2020 en 27 maart 2020 beide keren een betaling van € 30,- verricht, in totaal derhalve € 60,-.

3. De vordering

3.1

De VvE heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de VvE te betalen een bedrag van € 860,92, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 860,92 vanaf 4 februari 2020 tot de dag van algehele voldoening en om de VvE-bijdrage van € 119,72 per maand aan de VvE te betalen, vanaf 1 maart 2020, gedurende de periode dat [gedaagde] als eigenaar van de woning kan worden aangemerkt, een en ander een bedrag van € 25.000,00 niet te boven gaand, een en ander met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2

Aan haar vordering heeft de VvE – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende ten grondslag gelegd.

3.2.1

[gedaagde] heeft verzuimd om de VvE-bijdrage over de periode tot en met februari 2020 en de extra bijdrage, zoals vastgesteld in de Algemene Leden Vergadering (hierna: ALV) van 28 juni 2018 en 27 augustus 2019, volledig te voldoen. Voor de periode tot en met februari 2020 is een achterstand ontstaan van in totaal € 717,58.

3.2.2

Door de wanbetaling van [gedaagde] zag de VvE zich genoodzaakt haar vordering ter incasso uit handen te geven en buitengerechtelijke incassokosten te maken. Op 11 oktober 2018 en 3 januari 2020 heeft de gemachtigde van de VvE [gedaagde] aangemaand. De ter zake gemaakte incassokosten van € 132,91 (incl. BTW) komen op grond van artikel 6:96 lid 5 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) voor rekening van [gedaagde] .

3.2.3

Verder maakt de VvE aanspraak op de wettelijke rente, waaronder een bedrag van € 10,43 aan vervallen rente berekend tot 4 februari 2020.

3.2.4

[gedaagde] heeft, nadat de termijn van veertien dagen zoals bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW was verstreken, deelbetalingen van in totaal € 1.691,00 verricht, zodat het door [gedaagde] aan de VvE verschuldigde bedrag op dit moment nog € 860,92 bedraagt, inclusief buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 132,91 en € 10,43 aan verschenen rente.

3.2.5

Na het uitbrengen van de dagvaarding heeft [gedaagde] de onder rechtsoverweging 2.5 genoemde betalingen van in totaal € 60,- verricht, welke op grond van artikel 6:44 BW in mindering moeten worden gebracht op de toe te wijzen vordering.

4. Het verweer

[gedaagde] heeft erkend dat hij de verschuldigde VvE-bijdrage niet volledig heeft betaald. [gedaagde] heeft dit gedaan vanwege de in de woning aanwezige gebreken. Deze gebreken zijn ook telkens gemeld bij de VvE, maar zij is tot op heden nog niet in de woning langsgekomen. Daarnaast heeft [gedaagde] meerdere schulden waardoor hij ook niet altijd de verschuldigde VvE-bijdrage heeft kunnen betalen.

5. De beoordeling van de vordering

5.1

Voor zover [gedaagde] met zijn verweer heeft bedoeld aan te voeren dat hij zijn betalingsverplichting mocht opschorten vanwege de in de woning aanwezige gebreken, wordt dit verweer verworpen. Nog daargelaten dat [gedaagde] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die concreet onderbouwen van welke gebreken volgens hem sprake is in de woning, geldt ook overigens dat eventuele gebreken [gedaagde] niet het recht geven om zijn betalingsverplichting op te schorten. Het ligt op de weg van [gedaagde] om deel te nemen aan de ledenvergadering van de VvE en daar het punt van het achterstallige onderhoud aan de orde te stellen. Terecht heeft de VvE gesteld dat zij niet in staat is om opdracht te geven onderhoud aan het complex uit te voeren, wanneer de leden van de VvE in gebreke blijven met betaling van de verschuldigde maandbijdragen en de vastgestelde extra bijdrage, omdat dan onvoldoende geld in kas is. [gedaagde] heeft in de met de beheerder van de VvE gevoerde correspondentie nog gesuggereerd dat van de zijde van de VvE c.q. de beheerder sprake is van fraude, doch voor die ernstige beschuldiging heeft hij geen enkel bewijs aangedragen. Dat had wel van hem verwacht mogen worden, zeker nu de VvE onweersproken heeft gesteld dat ieder lid van de VvE met behulp van een inlognaam en wachtwoord te allen tijde de administratie van de VvE digitaal kan raadplegen.

5.2

Nu [gedaagde] overigens de omvang van het door de VvE gevorderde bedrag van € 2.408,58 aan hoofdsom in zijn nadere reactie niet langer heeft betwist, wordt van de juistheid van de door de VvE gevorderde hoofdsom uitgegaan. Dat leidt ertoe dat dit bedrag in beginsel toewijsbaar is. Ingevolge artikel 6:44 BW dienen de betalingen die [gedaagde] na sommatie heeft verricht eerst in mindering te strekken op de kosten, waaronder de buitengerechtelijke incassokosten, vervolgens de vervallen rente en ten slotte van de hoofdsom. Dit brengt mee dat nu eerst moet worden beoordeeld of de vergoeding voor de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en vervallen rente toewijsbaar zijn.

5.3

De VvE maakt aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De vordering dient beoordeeld te worden aan de hand van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De VvE, althans haar gemachtigde, heeft aan [gedaagde] twee aanmaningen verzonden, die voldoen aan de in artikel 6:96, zesde lid BW gestelde eisen. [gedaagde] heeft niet betwist dat hij deze aanmaningen heeft ontvangen. Daarnaast staat, als niet weersproken, vast dat [gedaagde] niet binnen de in de aanmaning gestelde termijn tot volledige betaling van de gevorderde hoofdsom is overgegaan. Het gevorderde bedrag van € 132,91 (incl. btw) aan vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is dan ook toewijsbaar.

5.4

De gevorderde vervallen rente van € 10,43 is als onweersproken en op de wet gegrond toewijsbaar. De gevorderde rente vanaf 4 februari 2020 wordt toegewezen zoals hieronder vermeld.

5.5

Correcte toepassing van artikel 6:44 BW leidt – gelet op de door [gedaagde] verrichte deelbetalingen, zoals vermeld onder rechtsoverwegingen 2.3 en 2.4 - tot de conclusie dat de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en de vervallen rente volledig zijn voldaan en een bedrag van € 800,92 aan hoofdsom resteert, te weten
(€ 2.408,58 + € 132,91 + € 10,43) – (€ 1.691,- + € 60,-).
Genoemd bedrag van € 800,92 wordt dan ook toegewezen.

5.6

Gelet op het bepaalde in artikel 6:29 BW is de kantonrechter niet bevoegd om een betalingsregeling vast te stellen in het vonnis zonder instemming van de VvE. Voor het alsnog treffen van een betalingsregeling met de VvE, wordt [gedaagde] verwezen naar de gemachtigde van de VvE.

5.7

De vordering inzake toekomstige, nog te vervallen VvE-bijdragen vanaf 1 maart 2020, wordt toegewezen tot het einde van het ten tijde van de dagvaarding lopende boekjaar. De reden van deze beperking is dat de hoogte van de bijdragen nadien nog niet vast staat.

5.8

Als de in het ongelijk gestelde partij wordt [gedaagde] in de proceskosten van de VvE veroordeeld.

6. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan de VvE tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen € 800,92, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over het saldo dat vanaf 4 februari 2020 aan hoofdsom, exclusief kosten, telkens na elke credit- en debet mutatie, heeft uitgestaan tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] tevens om aan de VvE te voldoen de toekomstige bijdragen, zodra opeisbaar, ten bedrage van € 119,72 per maand, die vervallen in de periode vanaf 1 maart 2020, tot het einde van het ten tijde van de dagvaarding lopende boekjaar, dan wel zoveel eerder het lidmaatschap van [gedaagde] zal eindigen;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de VvE vastgesteld op € 601,96 aan verschotten en € 240,- aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44485