Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:8135

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-09-2020
Datum publicatie
16-09-2020
Zaaknummer
10/731010-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van medeplegen en van poging doodslag danwel poging zware mishandeling.

Gevangenisstraf voor de duur van 176 dagen met aftrek van voorarrest voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/731010-19

Datum uitspraak: 14 september 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] (Turkije) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] ,

[woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. K. Durdu, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 31 augustus 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. W.D. van den Berg heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van de onder 1 impliciet primair ten laste gelegde poging tot doodslag;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 impliciet subsidiair en onder 2 en 3 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht een contact- en locatieverbod met betrekking tot aangever [naam aangever] op te leggen voor de duur van 2 jaar, alsmede te bevelen dat een vervangende hechtenis van twee weken per overtreding zal worden toegepast en te bepalen dat deze vrijheidsbeperkende maatregelen dadelijk uitvoerbaar zijn.

4. Waardering van het bewijs

Inleiding

Op 18 december 2019 is er voor basisschool De Singel in Schiedam een ruzie geweest tussen [naam aangever] , de verdachte en zijn vrouw en medeverdachte [naam medeverdachte] . Deze ruzie heeft geleid tot een handgemeen tussen betrokkenen. De officier van justitie heeft de gedragingen van de verdachte daarbij als medeplegen van poging tot doodslag door te zwaaien met een klauwhamer en te proberen te schieten met een vuurwapen danwel poging tot zware mishandeling, medeplegen van bedreiging en openlijke geweldpleging tenlastegelegd.

4.1.

Vrijspraak poging doodslag

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de onder 1 impliciet primair ten laste gelegde poging tot doodslag niet wettig en overtuigend is bewezen. Het zwaaien met de klauwhamer levert geen poging tot doodslag op en het voorwerp dat de verdachte in zijn handen zou hebben gehad is niet aangetroffen zodat niet kan worden bewezen dat [naam aangever] daarmee kon worden doodgeschoten.

4.2.

Bewijswaardering

Feit 1 impliciet subsidiair en 2

Standpunt verdediging

De verdediging concludeert tot vrijspraak van alle ten laste gelegde feiten.

Standpunt officier van justitie

Uit de verklaringen van [naam aangever] , [naam getuige 1] , [naam getuige 2] en [naam getuige 3] volgt dat de verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] gelijktijdig gedurende enige tijd geweld hebben uitgeoefend tegen [naam aangever] . Zij hebben daarbij samen opgetreden en hebben beiden bewust deelgenomen aan het geweld. Kennelijk waren zij daarbij van plan om [naam aangever] een lesje te leren. Door zich niet te distantiëren van het geweld hebben beide verdachten er blijk van gegeven dat plan te willen uitvoeren, zodat er sprake is van medeplegen en de onder 1 impliciet subsidiair en 2 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend kunnen daarom worden bewezen.

Beoordeling

De tenlastelegging onder 1 komt er, kort samengevat, voor zover hier nog van belang en tegen de achtergrond van het dossier, op neer dat de verdachte samen met in elk geval [naam medeverdachte] heeft geprobeerd [naam aangever] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door met een klauwhamer naar [naam aangever] te slaan. Onder 2 wordt hem verweten dat hij met in elk geval [naam medeverdachte] , [naam aangever] heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling door met de klauwhamer te zwaaien en te dreigen te zullen schieten met een voorwerp dat op een vuurwapen lijkt. Onder 3 wordt hem verweten dat hij met in elk geval [naam medeverdachte] geweld heeft gepleegd tegen [naam aangever] door die [naam aangever] te slaan met die hamer en te slaan en te schoppen.

Klauwhamer; medepleging poging toebrengen zwaar lichamelijk letsel (feit 1) en bedreiging daarmee (feit 2)

Vast staat dat de medeverdachte [naam medeverdachte] de klauwhamer heeft vastgehad. Slaan en dreigen met de klauwhamer kan de verdachte worden verweten als hij de feiten samen met de medeverdachte heeft gepleegd. Medeplegen kan worden aangenomen als twee of meer personen gezamenlijk een strafbaar feit plegen. Daarbij is een bewuste en nauwe samenwerking tussen deze personen vereist. Dit houdt in dat de medeplegers opzettelijk - willens en wetens - samenwerken tot het verrichten van de strafbare gedraging.

Uit de verschillende verklaringen leidt de rechtbank af dat medeverdachte [naam medeverdachte] als eerste op [naam aangever] is afgelopen en dat de verdachte zich daarna in het conflict heeft gemengd. Niet is gebleken dat er sprake was van een vooropgezet plan of van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [naam medeverdachte] als het gaat om het hanteren van de klauwhamer.

De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde medeplegen en daarmee van de handelingen die de medeverdachte heeft verricht met de klauwhamer. Dit betekent dat de verdachte integraal wordt vrijgesproken van feit 1.

Beoordeling feit 2 (bedreiging met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp)

De verdachte heeft op de zitting voor de eerste maal verklaard dat hij het fruitmesje dat hij bij zich had uit zijn broekzak heeft gehaald, heeft opengeklapt en daarmee heeft gedreigd. De rechtbank begrijpt dit zo dat de aangever en getuigen deze handeling mogelijk hebben opgevat als bedreiging met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp.

De rechtbank volgt de verdediging niet. De verklaringen van de verdachte zijn inconstistent en vinden geen steun in het procesdossier en de bevindingen ter zitting. Tegenover zijn verklaringen staat de verklaring van aangever [naam aangever] . Deze heeft verklaard dat de verdachte van korte afstand een zwart wapen op hem heeft gericht. Zijn verklaring vindt steun in de verklaring van zowel zijn vrouw [naam getuige 1] als in de verklaring van de getuige [naam getuige 2] . [naam getuige 2] geeft daarbij een gedetailleerde omschrijving van het wapen en weet zelfs te vermelden dat het om een pistool ging en niet om een revolver. Op grond van deze verklaringen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [naam aangever] heeft bedreigd met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp.

Beoordeling feit 3

Wat betreft de openlijke geweldpleging in vereniging als ten laste gelegd onder feit 3 oordeelt de rechtbank als volgt. Onder het handelen in vereniging als daar bedoeld wordt onder meer verstaan het door twee of meer personen uitoefenen van geweld tegen dezelfde persoon (HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:132). Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte zich op enig moment heeft gemengd in het gevecht tussen [naam aangever] en medeverdachte [naam medeverdachte] en geweld tegen hem heeft gebruikt. Getuige [naam getuige 1] heeft verklaard dat [naam aangever] door zowel de verdachte en zijn vrouw als door medeverdachte [naam medeverdachte] werd geschopt en geslagen. Anders dan de raadsman acht de rechtbank aldus wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam aangever] .

Conclusie

Het onder 1 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. De onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten kunnen wettig en overtuigend worden bewezen op na te melden wijze.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

2.

hij op 18 december 2019 te Schiedam,

[naam slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door

een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te richten

op voornoemde [naam slachtoffer] , terwijl hij,

verdachte op korte afstand van voornoemde [naam slachtoffer]

stond en voornoemde [naam slachtoffer] op de grond lag;

3.

hij op 18 december 2019 te Schiedam,

op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam slachtoffer] ,

welk geweld bestond uit het

- duwen en/of schoppen en/of trappen tegen het lichaam van voornoemde

[naam slachtoffer] en

- slaan en/of stompen in het gezicht

en/of tegen het lichaam van voornoemde [naam slachtoffer] ;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

2. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

3. het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De verdachte heeft zich rond 08.30 uur in de buurt van de basisschool van zijn kleinzoon, waar op dat moment veel ouders en kinderen waren, schuldig gemaakt aan openlijk geweld tegen de buurman van zijn dochter, waardoor deze buurman gewond is geraakt. Door aldus te handelen heeft de verdachte een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

Bovendien heeft de verdachte het slachtoffer vervolgens onder druk gezet door hem te bedreigen met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. Dit moet voor het slachtoffer een bijzonder angstig moment zijn geweest.

Dergelijke feiten veroorzaken gevoelens van onveiligheid zowel bij het directe slachtoffer als bij de omstanders, die getuige zijn geweest van het geweld. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij een bijdrage heeft geleverd aan dit geweld.

7.2.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 maart 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

Rapportages

Het Leger des Heils, afdeling reclassering, heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 22 juni 2020. De reclassering onthoudt zich van delictanalyse en risicotaxatie en ziet geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico’s in te perken of het gedrag van de verdachte te veranderen.

De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

7.3.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Voor de door de officier van justitie gevorderde voorwaardelijke straf en voor de oplegging van een contact- en locatieverbod ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht met betrekking tot [naam aangever] ziet de rechtbank geen aanleiding, omdat niet is gebleken van een concreet risico op herhaling.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8. Vorderingen benadeelde partijen/schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd mr. Ü.D. Çolak namens [naam benadeelde 1] en [naam benadeelde 2] . Namens de benadeelde partij [naam benadeelde 2] wordt een vergoeding gevorderd van € 2.000,- aan immateriële schade.

Namens [naam benadeelde 1] wordt een vergoeding van € 1.479 aan materiële schade gevorderd (bestaande uit € 191,99 aan eigen risico ziektekostenverzekering, € 119,- aan reparatiekosten aan een Iphone, € 1.120,80 voor een jas en € 40,- voor een trainingsbroek) en een bedrag van € 3.000,- aan immateriële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De vordering van [naam benadeelde 2] is onvoldoende onderbouwd om in aanmerking te komen voor shockschade, omdat niet kan worden vastgesteld of er sprake is van een door de psychiatrie erkend ziektebeeld. De officier van justitie heeft verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren zodat de vordering kan worden voorgelegd aan een civiele rechter.

De vordering van [naam benadeelde 1] kan worden toegewezen met uitzondering van de gevorderde materiële schade met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2.

Standpunt verdediging

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 2] is primair bepleit om deze af te wijzen, subsidiair om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, omdat de strafrechtelijke grondslag voor het behandelen van deze vordering ontbreekt.

Bepleit is om de benadeelde partij [naam benadeelde 1] niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering voor zover deze ziet op de jas en de reparatiekosten van de Iphone, omdat deze kosten onvoldoende onderbouwd zijn. Over de kosten, die zien op het eigen risico en de trainingsbroek, heeft de raadsman geen op- of aanmerkingen.

8.3.

Beoordeling

De benadeelde partij [naam benadeelde 2] zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat niet is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met een van de feiten op de tenlastelegging.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] door het onder 3 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks zowel materiële als immateriële schade is toegebracht.

De materiële schade van € 191,99 voor het eigen risico van de ziektekostenverzekering en

€ 40,- voor de trainingsbroek zullen geheel worden toegewezen, aangezien dat deel van de vordering genoegzaam is onderbouwd en door de verdediging niet is betwist.

Beoordeling van het overige deel van de gevorderde materiële schade van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, omdat dat nader onderzoek van feitelijke aard zou vergen. De benadeelde partij zal daarom in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard. De vergoeding voor immateriële schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 1.000,- en wordt tot dit bedrag toegewezen. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard.Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de verdachte het strafbare feit, ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een ander, te weten [naam medeverdachte] , heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover [naam medeverdachte] de benadeelde partij betaalt is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partij [naam benadeelde 1] heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 18 december 2019.

De benadeelde partij [naam benadeelde 2] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt worden veroordeeld. Deze kosten worden begroot op nihil.

Nu de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] gedeeltelijk zal worden toegewezen, zal de verdachte als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde 1] een schadevergoeding betalen van
€ 1.231,99, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 december 2019.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 57, 141, 285 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 176 dagen;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met [naam medeverdachte] , des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] , te betalen een bedrag van € 1.231,99 (zegge: duizendtweehonderdeenendertig euro en negenennegentig eurocent ), bestaande uit € 231,99 aan materiële schade en € 1.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 18 december 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 1] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de benadeelde partij [naam benadeelde 2] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [naam benadeelde 1] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] te betalen € 1.231,99 (hoofdsom, zegge: duizendtweehonderdeenendertig euro en negenennegentig eurocent ), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 december 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 1.231,99 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 22 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door [naam medeverdachte] , tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.L.M. Boek, voorzitter,

en mrs. M. Timmerman en A. Bonder, rechters,

in tegenwoordigheid van M.M. Cerpentier, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 september 2020.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 18 december 2019 te Schiedam,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon

genaamd [naam slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel

toe te brengen, met dat opzet

- meerdere malen, althans eenmaal, met een (klauw)hamer, althans een hard

en/of zwaar voorwerp, zwaaiende en/of slaande bewegingen heeft gemaakt in de

richting van voornoemde [naam slachtoffer] en/of

- een vuurwapen op voornoemde [naam slachtoffer] heeft gericht en/of (vervolgens) de

trekker van voornoemd vuurwapen heeft overgehaald, terwijl hij, verdachte

en/of zijn mededader(s) op korte afstand van voornoemde [naam slachtoffer] stond(en) en/of

voornoemde [naam slachtoffer] op de grond lag,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 18 december 2019 te Schiedam,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen

[naam slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met

zware mishandeling, door

- meerdere malen, althans eenmaal, met een (klauw)hamer, althans een hard

en/of zwaar voorwerp, zwaaiende en/of slaande bewegingen te maken in de

richting van voornoemde [naam slachtoffer] en/of

- een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, te tonen aan voornoemde

[naam slachtoffer] , terwijl voornoemde [naam slachtoffer] op de grond lag en/of

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te richten

op voornoemde [naam slachtoffer] en/of (vervolgens) de trekker van voornoemd vuurwapen,

althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, over te halen, terwijl hij,

verdachte en/of zijn mededader(s) op korte afstand van voornoemde [naam slachtoffer]

stond(en) en/of voornoemde [naam slachtoffer] op de grond lag;

3.

hij op of omstreeks 18 december 2019 te Schiedam,

op of aan de openbare weg, de Korte Singelstraat, in elk geval op of aan een

openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam slachtoffer] ,

welk geweld bestond uit het

- meerdere malen, althans eenmaal, met een (klauw)hamer, althans een hard

en/of zwaar voorwerp, slaan op/tegen het lichaam van voornoemde [naam slachtoffer] en/of

- duwen en/of schoppen en/of trappen op/tegen het lichaam van voornoemde

[naam slachtoffer] , waardoor voornoemde [naam slachtoffer] op de grond is gevallen en/of

- meerdere malen, althans eenmaal, slaan en/of stompen in/op/tegen het gezicht

en/of op/tegen het hoofd en/of op/tegen het lichaam van voornoemde [naam slachtoffer] ,

terwijl voornoemde [naam slachtoffer] op de grond lag en/of

- meerdere malen, althans eenmaal, schoppen en/of trappen op/tegen het lichaam

van voornoemde [naam slachtoffer] , terwijl voornoemde [naam slachtoffer] op de grond lag;