Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:8115

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-09-2020
Datum publicatie
16-09-2020
Zaaknummer
C/10/593555 / HA ZA 20-316
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil over de vraag of er een aannemingsovereenkomst tot stand is gekomen en, zo ja, of de aannemer aansprakelijk is voor de schade ten gevolge van gebreken in het werk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/593555 / HA ZA 20-316

Vonnis van 9 september 2020

in de zaak van

[eiser 1] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. A.S.J. van Etten,

tegen

[gedaagde] h.o.d.n. [handelsnaam],

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. G.J. Kerver.

Partijen zullen hierna [eiser 1] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 9 maart 2020, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie van 6 mei 2020, met producties;

  • -

    het faxbericht van [gedaagde] van 29 juni 2020, met een aanvullende productie;

  • -

    het faxbericht van [gedaagde] van 21 juli 2020, met een aanvullende productie;

  • -

    de akte houdende overlegging producties en vermeerdering van eis van [eiser 1] van 22 juli 2020, met producties;

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 22 juli 2020.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

[gedaagde] exploiteert onder de naam [handelsnaam] een bouwbedrijf dat zich bezighoudt met renovatie.

2.2.

Vanaf april/mei 2019 hebben [eiser 1] en [gedaagde] gesproken over de renovatie van de woning van [eiser 1] . Op 2 augustus 2019 heeft [gedaagde] aan [eiser 1] een e-mailbericht gestuurd waarin staat dat hij vanwege drukte geen tijd heeft voor het project van [eiser 1] .

2.3.

Op 15 augustus 2019 heeft [gedaagde] aan [eiser 1] een offerte afgegeven ter zake werkzaamheden aan het dak, vloerversteviging en –isolatie en het plaatsen van PVC ramen en deuren voor een bedrag van € 39.450,20. Deze werkzaamheden betreffen de woning van [eiser 1] .

2.4.

Eveneens op 15 augustus 2019 heeft [gedaagde] factuur nr. 19 ad € 39.470,20 gestuurd in verband met werkzaamheden aan het dak, de vloer en in verband met het plaatsen van PVC ramen en deuren. Ter zake deze factuur heeft [eiser 1] de volgende girale betalingen aan [gedaagde] gedaan:

i. op 16 augustus 2019 € 10.000,-- ;

ii. op 20 augustus 2019 € 13.682,12;

iii. op 3 september 2019 € 9.850,39, en

iv. op 26 september 2019 € 3.500,--.

2.5.

Op 26 augustus heeft [gedaagde] een offerte aan [eiser 1] afgegeven ter zake elektriciteit ad € 11.173,14.

2.6.

Op 7 september 2019 heeft [gedaagde] een offerte aan [eiser 1] afgegeven ter zake werkzaamheden in verband met het plaatsen van geluidwerende wanden ad € 8.712,--. Op 10 oktober 2019 heeft [eiser 1] aan [gedaagde] € 7.200,-- contant vooruitbetaald.

2.7.

Op 7 september 2019 heeft [gedaagde] een offerte aan [eiser 1] afgegeven ter zake werkzaamheden aan de wanden, vloerverwarming en loodgieterswerk ad € 25.470,50. Op 9 september 2019 heeft [eiser 1] aan [gedaagde] € 15.000,-- contant vooruitbetaald.

2.8.

[gedaagde] heeft een aantal girale en contante betalingen gedaan aan [naam 1] , één van de personen die feitelijk de werkzaamheden aan de woning van [eiser 1] hebben verricht.

2.9.

In de periode augustus 2019 – oktober 2019 zijn er tussen [eiser 1] en [gedaagde] WhatsAppberichten verstuurd. Behalve berichten over de door [gedaagde] te leveren materialen en de contactgegevens van de personen die de werkzaamheden zouden uitvoeren, zijn ook de volgende berichten verstuurd:

“ (…)

19/09/19, 20:57 – [naam 2] : [gedaagde] , en let op dat [naam 3] geen schroeven zal inschroeven aan de kant van de buren

(…)

20/09/19, 07:38 – [naam 2] : [gedaagde] , ik wil graag aandacht vragen voor bitumen op de tweede foto, dat bitumen niet onder de metaalplaat ligt, nadat het met hem gesproken werd. Anders gezegd, de tweede laag die daarvoor er niet was

(…)

21/09/19, 19.01 - [naam 2] : [gedaagde] , [naam 2] vraagt of het raam van de keuken 10 cm hoger gemaakt zou kunnen worden?

21/09/19, 19.01 - [naam 2] :: en 10 cm lager monteren

21/09/19, 19:04 – [gedaagde] : ja, dat kan ….zo gezegd, alles is mogelijk

(…)

27/09/19, 08:09 – [gedaagde] : [naam 4] zal jou bellen, vertel aan hem over het dak dat jij tegen mij gisteren hebt verteld, ok ….Ik bedoeld over de plek die opnieuw gedaan moet worden

27/09/19, 08:11 – [naam 2] : Loodgieter?

27/09/19, 08:11 – [gedaagde] : Ja

(…)

12/10/19, 19:18 - [naam 2] : [gedaagde] , ik zou graag willen weten welke beslissing zullen jullie nemen en wat zijn jullie van plan om met het dak te doen, wezenlijk, in het algemeen, niet voor deze lekkage

12/10/19, 19:38 – [gedaagde] : het is toch duidelijk …

13/10/19, 12:20 - [naam 2] : [gedaagde] , wat heb jij gisteren besloten over het dak?

13/10/19, 12:28 – [gedaagde] : Maandag, dinsdag zal ik weten wat we grondig allemaal zullen doen ….

2.10.

[gedaagde] heeft een creditnota d.d. 27 september 2019 gestuurd ter zake factuur nr. 19 ad € 39.470,20.

2.11.

Op 22 november 2019 heeft [gedaagde] een e-mailbericht aan [eiser 1] gestuurd met de volgende inhoud en met aangehecht de creditnota d.d. 27 september 2019:

No works will be performed illegal in your project, please find some other contractor or workers who will perform this kind of works for you…I will compile the invoice for the works actually performed for you… The invoice number 19 is withdrew and registered because the actual works and works agreed on the invoice differ from works performed in your project…As I just realized, that from the beginning the invoice number 19th were needed from you to get the money from the bank only, and eventually you started to ask me to perform works that are not in starting offer, in the result it stopped me from doing the works agreed…in combination with this you stopped me from finishing the roof and in the result you have a leak at your neighbour wall. Do not forget that you ask me to perform those works without VAT and in/price lowered offers… Of which I can not and will not do… I will send you the invoices related to the works performed with prices related to the trade union statute…

I am very sad that I got tricked into all this mess related to your activities towards my work…

If you want to ask me something please feel free to send me the sufficient email… no irrelative emails before are counted nor threatening call’s will make me work for you…

For the moment PLEASE FIND THE ATTACHED…

2.12.

[gedaagde] heeft een eindnota opgesteld voor een bedrag van € 59.844,81. Deze eindnota is gedateerd 23 november 2019.

2.13.

In opdracht van [eiser 1] hebben DH Dakwerken, BDA Advies, TBW Keuringen en Kakeswaal expertise onderzoek verricht naar verschillende onderdelen van de woning van [eiser 1] .

2.14.

In haar inspectierapport d.d. 22 oktober 2019 concludeert DH Dakwerken ten aanzien van de dakbedekking en isolatie als volgt:

Naar aanleiding van mijn ontdekkingen en richtlijnen Vebidak voorschriften, is mij duidelijk dat dit gehele dak inclusief isolatie is afgekeurd (zie bijgevoegde foto’s).

2.15.

In haar inspectierapport van 10 januari 2020 concludeert BDA Advies dat de dakbedekkingsconstructie volledig moet worden verwijderd en dat een nieuwe dakbedekkingsconstructie moet worden aangebracht.

2.16.

In haar inspectierapport d.d. 29 oktober 2019 concludeert TBW Keuringen ten aanzien van de vaste elektrische installatie als volgt:

Uw installatie voldoet NIET aan de normen en veiligheidseisen zoals gesteld in de NEN1010/NEN3140.

Wijze van aanleg en aangetroffen gebreken doet mij vermoeden dat de installateur geen kennis heeft van de Nederlandse norm (de NEN1010) welke in het bouwbesluit is aangewezen als de geldende norm voor elektrotechnische installaties.

2.17.

In haar deskundigenrapport naar aanleiding van de inspectie van de woning op

29 november 2011, concludeert Kakeswaal expertise voor zover relevant als volgt:

“ (…)

1) Welke werkzaamheden zijn overeengekomen?

De overeengekomen werkzaamheden op basis van facturen en offertes. Partij 2 offreerde in totaal een bedrag van € 76.113,39 inclusief btw. Dit is gebaseerd op de factuur van € 39.470,20 van 15 augustus 2019 (dak, vloeren, plafonds, kozijnen), de offerte van

€ 11.173,14 inclusief btw van 26 augustus 2019 (elektrische installatie), de offerte van

€ 25.470,05 van 7 september 2019 (binnengevelisolatie, muurdoorbraken, lateien, vloerverwarming, 25m2 wand en loodgieterswerk), de offerte van € 8.712,00 van

7 september 2019 (geluidwerende voorzetwanden).

2) Welke overeengekomen werkzaamheden zijn wel/niet uitgevoerd?

Van de geoffreerde werkzaamheden zijn niet uitgevoerd: het verwezenlijken van de muurdoorbraken, het monteren van de vloerverwarming, al het loodgieterswerk en het leveren en monteren van de kozijnen.

3) Zijn de overeengekomen werkzaamheden goed uitgevoerd?

Nee, dakrenovatie en de elektrische installatie zijn niet goed uitgevoerd.

4) Welke (herstel)werkzaamheden dienen nog te worden uitgevoerd?

Het dak dient te worden hersteld ad € 15.000,00 inclusief BTW.

Het nat geworden, verlaagde plafond dient te worden vervangen ad € 7.500,00 inclusief BTW.

Kozijnen dienen nog te worden geleverd en aangebracht ad € 15.000,00 inclusief BTW.

De gehele elektrotechnische installatie dient te worden vervangen ad € 20.000,00 inclusief BTW.

Nog aan te brengen vloerverwarming, sanitaire voorzieningen; muurdoorbraken ad € 17.500,00 inclusief BTW.

In totaal dient voor nog € 75.000,00 inclusief BTW aan werkzaamheden te worden verricht.

(…)

2.17.

Bij brief van 10 december 2019 heeft de advocaat van [eiser 1] [gedaagde] in gebreke gesteld en hem een termijn van twee weken gegeven om alsnog aan zijn verplichtingen te voldoen.

2.18.

De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft [eiser 1] op 19 februari 2020 verlof verleend om ten laste van [gedaagde] conservatoir derdenbeslag te doen leggen onder ING Bank N.V.

3. Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser 1] vordert na eiswijziging om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

[gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiser 1] van

(I) € 75.000,--;

(II) € 3.835,30 ter zake kosten ter vaststelling van de schade (deskundigen);

(III) € 544,50 ter zake kosten ter vaststelling van de schade (vertalingen);

(IV) € 2.050,-- per maand aan dubbele woonlasten vanaf oktober 2019 tot en met de datum dat vonnis gewezen wordt, en

(V) € 5.950,-- aan schade wegens gemiste subsidies.

Subsidiair

[gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiser 1] van € 39.470,20.

Primair en subsidiair

[gedaagde] te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c BW en de beslagkosten ad € 1.934,79 en [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf de vijftiende dag na het te wijzen vonnis en in de nakosten.

3.2.

[eiser 1] legt aan zijn vordering sub I ten grondslag dat hij met [gedaagde] een overeenkomst is aangegaan die inhield dat [gedaagde] bepaalde werkzaamheden aan de woning van [eiser 1] zou verrichten. [gedaagde] is in verzuim ten aanzien van de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van die overeenkomst omdat er sprake is van gebreken in het werk en sommige werkzaamheden niet zijn uitgevoerd, waardoor [eiser 1] schade heeft geleden. [gedaagde] heeft bovendien jegens hem onrechtmatig gehandeld door zich niet te houden aan de normen NEN1010/NEN3140 en de “Vakrichtlijn Gesloten Dakbedekkingssystemen, versie 2018”. [eiser 1] heeft ook hierdoor schade geleden. Aan zijn vorderingen sub II en III legt [eiser 1] ten grondslag dat hij kosten heeft gemaakt in verband met het inschakelen van deskundigen en het vertalen van bepaalde berichten uit het Litouws, waarvoor [gedaagde] aansprakelijk is. Ter zake zijn vorderingen sub IV en V stelt [eiser 1] dat als gevolg van het feit dat [gedaagde] de werkzaamheden aan de woning niet tijdig heeft afgerond, hij dubbele woonlasten heeft en bepaalde subsidies is misgelopen. Aan zijn subsidiaire vordering legt [eiser 1] ten grondslag dat de factuur d.d. 15 augustus 2019 later is gecrediteerd en dat hij deze onverschuldigd heeft betaald.

3.3.

[gedaagde] betwist dat hij de door [eiser 1] gestelde overeenkomst is aangegaan en dat hij aansprakelijk is voor de schade ten gevolge van de gebreken aan de woning. [gedaagde] betwist voorts de omvang van de schade (vordering sub I) en het bestaan van schade (vorderingen sub II – V). [gedaagde] verweert zich met de stelling dat sprake is van eigen schuld bij [eiser 1] en stelt dat de werkzaamheden zijn uitgevoerd op instructie en onder toezicht van [eiser 1] . Ter zake de subsidiaire vordering betwist [gedaagde] dat de factuur d.d. 15 augustus 2019 ten onrechte is betaald.

in reconventie

3.4.

[eiser 2] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

(I) [verweerder] te veroordelen om binnen 48 uur na betekening van het te wijzen vonnis het op 19 februari 2020 gelegde bankbeslag op te (doen) heffen en aldus schriftelijk aan [eiser 2] te verklaren dat het beslag is opgeheven, dit alles op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- per dag of gedeelte van een dag dat [verweerder] dit nalaat;

(II) [verweerder] te veroordelen om, tegen een behoorlijk bewijs van kwijting, aan [eiser 2] te betalen € 612,30, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente berekend vanaf het moment van verzending (23 november 2019) tot aan de dag der algehele voldoening, en

(III) [verweerder] te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf de vijftiende dag na het te wijzen vonnis en in de nakosten ter hoogte van € 131,-- zonder betekening en € 199,-- met betekening.

3.5.

[eiser 2] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat het beslag ten onrechte is gelegd omdat [verweerder] geen vordering op hem heeft en dat [verweerder] van zijn eindfactuur d.d. 23 november 2019 een bedrag van € 612,30 onbetaald heeft gelaten.

3.6.

[verweerder] betwist de vorderingen van [eiser 2] .

4. De beoordeling

in conventie

Het bestaan van een overeenkomst

4.1.

Vast staat dat [gedaagde] de hiervoor in r.o. 2.4. genoemde offertes heeft afgegeven en dat deze door [eiser 1] zijn geaccepteerd, en dat [eiser 1] conform de offertes betalingen aan [gedaagde] heeft verricht. Aldus is tussen [eiser 1] als opdrachtgever en [gedaagde] als aannemer een overeenkomst met betrekking tot aanneming van werk tot stand gekomen en uitgevoerd. Hieraan doet niet af dat [gedaagde] in eerste instantie de opdracht heeft geweigerd vanwege drukte. Het e‑mailbericht waarin [gedaagde] dit schrijft dateert immers van 2 augustus 2019, ruim vóór de datum van de eerste offerte (15 augustus 2019). De omstandigheid dat de werkzaamheden feitelijk, al dan niet tegen betaling, door anderen zijn uitgevoerd, is niet onverenigbaar met het bestaan van een overeenkomst tot aanneming van werk en doet aan het bestaan hiervan dus ook niet af. Dat tussen [eiser 1] en [gedaagde] een aannemingsovereenkomst tot stand is gekomen, vindt steun in het e‑mailbericht van [gedaagde] aan [eiser 1] d.d. 22 november 2019 en de hiervoor in r.o. 2.9. geciteerde WhatsAppberichten, waaruit blijkt dat [gedaagde] als aannemer heeft gehandeld en de leiding had over de werkzaamheden. De verklaringen van [naam 5] , [naam 1] en [naam 6] dat zij een overeenkomst hebben gesloten met [eiser 1] en door hem werden aangestuurd, leggen hiertegenover onvoldoende gewicht in de schaal. Deze verklaringen stroken immers niet met de in r.o. 2.9. geciteerde WhatsAppberichten en evenmin met de door [eiser 1] overgelegde verklaringen van drie andere personen die eveneens aan de woning hebben gewerkt. Hetzelfde geldt voor de redenering van [gedaagde] dat het niet zijn bedoeling was om een overeenkomst tot aanneming van werk aan te gaan en dat hij slechts heeft opgetreden als tussenpersoon tussen enerzijds [eiser 1] als opdrachtgever en anderzijds de personen die als opdrachtnemer de werkzaamheden zouden uitvoeren.

De inhoud van de overeenkomst

4.2.

Voor het geval het bestaan van een aannemingsovereenkomst wordt aangenomen, voert [gedaagde] aan dat de inhoud van de overeenkomst zou zijn beperkt tot de in de eindfactuur van 23 november 2019 genoemde werkzaamheden. [eiser 1] betwist echter deze te hebben ontvangen, hetgeen op grond van artikel 3:37 BW in beginsel voor rekening en risico van [gedaagde] komt. Bovendien geldt dat het enkele feit dat een door de aannemer eenzijdig opgestelde eindfactuur bepaalde geoffreerde en door de opdrachtgever geaccepteerde werkzaamheden niet bevat, op zichzelf niet betekent dat deze werkzaamheden geen deel meer uitmaken van de aan de aannemer verstrekte opdracht, en [gedaagde] geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd waarom dat in dit geval anders zou zijn. [gedaagde] voert voorts aan dat de opdracht tot het plaatsen van kozijnen door [eiser 1] is geannuleerd. Aangezien [eiser 1] betwist dat hij de opdracht tot het plaatsen van kozijnen heeft geannuleerd en deze werkzaamheden onderdeel zijn van één van de door [eiser 1] geaccepteerde offertes, had het op de weg van [gedaagde] gelegen om te stellen wanneer en onder welke omstandigheden annulering heeft plaatsgevonden. [gedaagde] heeft zijn betwisting dat de inhoud van de overeenkomst wordt bepaald door de vier door [eiser 1] geaccepteerde offertes derhalve onvoldoende onderbouwd.

4.3.

Uit het voorgaande volgt dat tussen [eiser 1] en [gedaagde] een overeenkomst in de zin van artikel 7:750 BW (aanneming van werk) tot stand is gekomen, die inhoudt dat [gedaagde] de in de vier door [eiser 1] geaccepteerde offertes genoemde werkzaamheden zal uitvoeren tegen betaling door [eiser 1] van de in de offertes genoemde bedragen.

Gebreken en verzuim

4.4.

[eiser 1] heeft zijn stelling dat sprake is van gebreken in het werk onderbouwd door middel van de rapporten vermeld in r.o. 2.13. – 2.17. [gedaagde] heeft het bestaan van deze gebreken niet betwist waardoor deze vast komen te staan. [eiser 1] heeft voorts gesteld dat sprake is van een tekortkoming omdat [gedaagde] de overeengekomen fatale termijn van 1 november 2019 niet zou hebben gehaald. Gezien de betwisting van [gedaagde] had het op de weg van [eiser 1] gelegen zijn stelling te onderbouwen. Nu hij dat niet heeft gedaan, staat niet vast dat een (fatale) opleverdatum van 1 november 2019 is overeengekomen en dat per die datum sprake zou zijn van verzuim. Gezien de ingebrekestelling van 10 december 2019, is [gedaagde] sinds 25 december 2019 in verzuim ten aanzien van zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst met [eiser 1] en aansprakelijk voor de schade die daardoor is ontstaan.

Eigen schuld

4.5.

[gedaagde] stelt dat sprake is van eigen schuld bij [eiser 1] omdat de werkzaamheden zijn uitgevoerd op instructie en onder toezicht van [eiser 1] . Dit wordt door [eiser 1] betwist en is ook niet in lijn met hetgeen volgt uit de in r.o. 2.9. geciteerde WhatsAppberichten. Het had derhalve op de weg van [gedaagde] gelegen om te stellen en te onderbouwen welke werkzaamheden op uitsluitend de instructie van [eiser 1] hebben plaatsgevonden en welke schade daardoor is ontstaan. Nu [gedaagde] dit heeft nagelaten, zal het beroep op eigen schuld niet worden gehonoreerd. Dit betekent dat [gedaagde] volledig aansprakelijk is voor de schade die is ontstaan doordat hij zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst met [eiser 1] niet is nagekomen.

Vordering (I)

4.6.

Deze vordering betreft vervangende schadevergoeding op grond van artikel 6:87 BW. Uit HR 26 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9339 volgt dat vervangende schadevergoeding de crediteur in staat moet stellen de gemiste prestatie alsnog bij een derde te verwerven. Uit het rapport van Kakeswaal volgt dat met het herstellen van de gebreken en het alsnog uitvoeren van de niet verrichte werkzaamheden € 75.000,-- is gemoeid. [gedaagde] heeft in reactie op het rapport slechts aangevoerd dat er geen offertes zijn overgelegd, waarmee hij de omvang van de schade onvoldoende heeft betwist. Aldus staat vast dat de schade van [eiser 1] € 75.000,-- bedraagt. De vordering tot betaling van

€ 75.000,-- zal dan ook worden toegewezen.

Vorderingen (II) en (III)

4.7.

De vorderingen tot betaling van € 3.835,30 en € 544,50 betreffen de kosten in verband met de hiervoor onder r.o. 2.13. – 2.17. genoemde deskundigenrapporten en de kosten in verband met vertalingen. Dat deze kosten ook daadwerkelijk zijn gemaakt blijkt uit de door [eiser 1] overgelegde betalingsbewijzen en, voor wat betreft het rapport van TBW Keuringen, uit het feit dat de factuur vermeldt dat het rapport pas na betaling van de factuur zal worden toegezonden. Dat deze kosten redelijk zijn, is door [gedaagde] niet betwist. Deze vorderingen zullen dan ook worden toegewezen.

Vordering (IV)

4.8.

[gedaagde] betwist niet dat [eiser 1] sinds 29 september 2019 vervangende woonruimte huurt tegen betaling van een huurprijs van € 2.050,-- per maand. [gedaagde] betwist wel de noodzaak hiervan, maar onderbouwt deze betwisting niet. Mede in het licht van de conclusies in de hiervoor onder r.o. 2.13 – 2.17. genoemde deskundigenrapporten, volgt de rechtbank [eiser 1] in zijn stelling dat alternatieve huisvesting noodzakelijk is. Hiervoor is reeds overwogen dat de opleverdatum van 1 november 2019 niet is komen vast te staan en dat [gedaagde] sinds 25 december 2019 in verzuim is. De vordering ter zake dubbele woonlasten zal derhalve worden toegewezen voor de periode vanaf 25 december 2019 tot en met de datum van dit vonnis. Dit resulteert in een bedrag van (9 x € 2.050,--) € 18.450,--.

Vordering V

4.9.

[gedaagde] betwist de vordering tot betaling van € 5.950,-- wegens schade door gemiste subsidies. Aangezien [eiser 1] de subsidies niet heeft aangevraagd en ook geen feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit volgt dat deze subsidies niet (meer) zullen worden verstrekt, zal deze vordering worden afgewezen.

4.10.

Hetgeen hiervoor in r.o. 4.6. – 4.9. is overwogen, resulteert in toewijzing van een totaalbedrag in hoofdsom van (€ 75.000 +€ 3.835,30 + € 544,50 + € 18.450 =) € 97.829,80.

De buitengerechtelijke kosten

4.11.

Ivanauskus vordert buitengerechtelijke incassokosten op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c BW, alsmede een bedrag van € 1.934,79 aan incassokosten in verband met het leggen van conservatoir beslag op de bankrekening van [gedaagde] . Voor wat betreft de buitengerechtelijke incassokosten op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c BW geldt dat onvoldoende is gesteld om aan te nemen dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Deze vordering zal dan ook worden afgewezen. Voor wat betreft de beslagkosten geldt dat vergoeding hiervan geschiedt via de kostenveroordeling ex artikel 237 Rv conform het liquidatietarief.

Proceskosten

4.12.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten (de beslagkosten daaronder begrepen) van [eiser 1] , begroot op

- kosten dagvaarding € 108,54

- kosten beslagexploten € 306,20

- griffierecht € 937,--

- salaris advocaat € 5.121,-- (3 punten (beslagverlof 1, dagvaarding 1, mondelinge behandeling 1) x tarief V ad € 1.707,-- per punt)

Totaal € 6.472,74

in reconventie

4.13.

Aangezien de vorderingen van [verweerder] in conventie grotendeels worden toegewezen, is het beslag niet ten onrechte gelegd en zal de vordering van [eiser 2] tot opheffing van het conservatoire beslag op zijn bankrekening worden afgewezen.

4.144. Voor wat betreft de vordering van [eiser 2] tot betaling van € 612,30 geldt dat uit de eigen stellingen van [verweerder] reeds volgt dat het bedrag van € 612,30 in ieder geval nog openstaat. De vordering tot betaling van € 612,30 zal dan ook worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de datum waarop de eis in reconventie is ingesteld, en, gezien hetgeen hiervoor in r.o. 4.2. is overwogen, niet vanaf 23 november 2011.

4.15 .

Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal [verweerder] in de proceskosten in reconventie worden veroordeeld, aan de zijde van [eiser 2] begroot op 1 punt (EiR 1, mondelinge behandeling 1 x 0,5) x tarief I ad € 461,-- per punt = € 461,--.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om binnen 8 dagen na heden aan [eiser 1] te betalen een bedrag van € 97.829,80;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser 1] tot op heden begroot op € 6.472,74, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,-- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,-- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

5.6.

veroordeelt [verweerder] om aan [eiser 2] te betalen € 612,30, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.7.

veroordeelt [verweerder] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser 2] tot op heden begroot op € 461,--, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;

5.8.

veroordeelt [verweerder] in de na dit vonnis ontstane kosten ter hoogte van € 131,-- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [verweerder] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,-- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

5.9.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.10.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W.M. van den Heuvel en ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. J.F. Koekebakker, rolrechter, op 9 september 2020.

2457/3298