Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:8114

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-09-2020
Datum publicatie
16-09-2020
Zaaknummer
C/10/593318 / HA ZA 20-300
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanneming van werk; Kribbenbijter-criterium; hoofdelijkheid ex art. 7:407 lid 2 BW; ontbinding; ongedaanmaking; schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2020/102
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/593318 / HA ZA 20-300

Vonnis van 9 september 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser,

advocaat mr. A.P.P. Witteveen te Amsterdam,

tegen

1. [gedaagde 1] voorheen h.o.d.n. [handelsnaam] ,

wonende te [woonplaats gedaagde 1] ,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats gedaagde 2] ,

gedaagden,

advocaat mr. D.M. Uithol te Rotterdam.

Eiser wordt hierna aangeduid met [eiser] . Gedaagden sub 1 en 2 worden hierna ook aangeduid met [gedaagde 1] . en [gedaagde 2] ..

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 9 maart 2020 met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties;

  • -

    de oproepingsbrieven van 24 juni 2020 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;

  • -

    de akte overlegging aanvullende producties en wijziging van eis van [eiser] van 23 juli 2020;

  • -

    de (tweede) akte wijziging eis van [eiser] van 23 juli 2020;

  • -

    de akte overlegging productie van gedaagden van 23 juli 2020;

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 23 juli 2020.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

[eiser] is samen met zijn tweelingbroer eigenaar van de appartementsrechten met betrekking tot de begane grond en de eerste verdieping van het pand [adres] . Het gaat in onderhavige procedure primair om het appartementsrecht met betrekking tot de begane grond (hierna te noemen “de woning”).

2.2.

In februari 2019 heeft [eiser] een offerte van “ [handelsnaam] ” voor het herstel van de fundering van de woning getekend, voor een aanneemsom van EUR 145.200,00, inclusief btw.

2.3.

Bij het tekenen van de offerte heeft [eiser] EUR 30.000 in contanten aan [gedaagde 2] . overhandigd.

2.4.

In de periode van maart tot en met november 2019 is een deel van de overeengekomen werkzaamheden uitgevoerd. Dit betrof met name de initiële

sloopwerkzaamheden en het plaatsen van een staalconstructie.

2.5.

[eiser] heeft de volgende facturen betaald:

- factuur 141166 van 25 februari 2019 ad EUR 29.040 inclusief btw;

- factuur 141171 van 3 mei 2019 ad EUR 29.040 inclusief btw; en

- factuur 141178 van 18 september 2019 ad EUR 29.040 inclusief btw.

2.6.

Op 14 november 2019 is in het handelsregister geregistreerd dat de onderneming [handelsnaam] is opgeheven.

2.7.

Eind november 2019 zijn de werkzaamheden stilgelegd.

2.8.

Begin december 2019 heeft [gedaagde 2] . aan [eiser] laten weten dat [handelsnaam] in financiële nood verkeerde en dat er geen geld was om de werkzaamheden af te maken.

2.9.

Bij brief van 3 januari 2020 heeft de advocaat van [eiser] aan [gedaagde 2] . onder meer het volgende geschreven:

De heer [eiser] gaat er na uw berichten vanuit dat u de werkzaamheden niet meer voortzet. Indien u / [handelsnaam] de verplichtingen uit de overeenkomst nog wel zouden kunnen en willen nakomen, verneem ik dit graag uiterlijk zeven dagen na heden.

[…]

Het is een feit dat de heer [eiser] u en [handelsnaam] heeft betaald voor werkzaamheden die u niet heeft verricht. Met deze brief stelt de heer [eiser] u hoofdelijk en persoonlijk aansprakelijk voor de schade die als gevolg van het niet nakomen van uw verplichtingen is of zal ontstaan. De heer [eiser] houdt daarnaast de heer [gedaagde 1] , naar ik heb begrepen uw zoon, eveneens hoofdelijk aansprakelijk.

[…]

Ik verzoek en voor zover nodig sommeer u om binnen zeven dagen na heden de aansprakelijkheid te erkennen en mij te bevestigen dat u de heer [eiser] volledig schadeloos zal stellen.”

2.10.

Bij brief van 16 januari 2020 heeft de advocaat van gedaagden aan de advocaat van [eiser] onder meer het volgende geschreven:

Het is juist dat uw cliënt een aanzienlijk deel van de aanneemsom heeft voldaan. De door uw cliënt betaalde bedragen zijn uitgegeven aan [naam 1] (€ 30.000,-), de onderaannemers die bij dit project betrokken zijn, de CAR-verzekering en extra grondonderzoek. Verder is het geld van uw cliënt gebruikt om de financiële gaten, die in andere projecten zijn gevallen, op te vullen. Tegenvallers hebben ertoe geleid dat er aan de zijde van mijn cliënten een aanzienlijk financieel probleem is ontstaan, dat ertoe leidt dat mijn cliënten niet in staat zijn om het door uw cliënt betaalde bedrag waarvoor nog geen werkzaamheden zijn uitgevoerd, terug te betalen. Evenmin bestaan er vanwege de genoemde financiële problemen mogelijkheden om het werk onder de overeengekomen voorwaarden voort te zetten.”

2.11.

[eiser] heeft de werkzaamheden laten afmaken door MDM Bouw B.V. voor een bedrag van EUR 193.600 inclusief btw.

3. Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat en na wijzigingen van eis om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van EUR 86.842,45 althans een door de rechtbank in goede justitie te betalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente;

  • -

    voor recht te verklaren dat gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle schade die het gevolg is van de tekortkoming van gedaagden, en gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de schade van EUR 20.000 exclusief btw en EUR 80.432,66 inclusief btw althans de schade nader op te maken bij staat of door de rechtbank vast te stellen op een in goede justitie te bepalen bedrag;

  • -

    gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot EUR 1.625,87 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke handeisrente;

  • -

    gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, waaronder de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente.

3.2

[eiser] legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag. De overeenkomst voor het herstel van de fundering en het uitgraven van de kelder is met beide gedaagden gesloten. Gedaagden zijn tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. [eiser] heeft de overeenkomst ontbonden. Daarom rust op gedaagden een verplichting tot ongedaanmaking. Dit betekent dat zij het geld dat niet is besteed aan het project moeten terugbetalen. [eiser] heeft in totaal EUR 117.120,- aan gedaagden betaald. Van dit bedrag is door gedaagden EUR 30.277,55 daadwerkelijk aan het project besteed. Gedaagden moeten dus EUR 86.842,45 aan [eiser] terugbetalen. Voorts heeft [eiser] schade geleden. Gedaagden moeten deze schade vergoeden.

3.3

Gedaagden voeren verweer en concluderen tot niet ontvankelijk verklaring van [eiser] in zijn vorderingen, althans afwijzing daarvan, met veroordeling van [eiser] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het geding. Gedaagden erkennen dat de overeenkomst met [gedaagde 1] . is gesloten maar betwisten dat de overeenkomst mede met [gedaagde 2] . is gesloten. Gedaagden erkennen de stillegging van de werkzaamheden. Gedaagden refereren zich ten aanzien van de gestelde tekortkoming in de nakoming en ontbinding aan het oordeel van de rechtbank. Gedaagden stellen dat het contante bedrag van EUR 30.000 dat door [eiser] aan [gedaagde 2] . is betaald, aan [eiser] is terugbetaald. Gedaagden betwisten de door [eiser] gestelde schade.

3.4

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

[eiser] baseert zijn vorderingen op de artikelen 6:271 BW en 6:277 BW, die de gevolgen van ontbinding van een overeenkomst wegens tekortkoming in de nakoming regelen.

De gestelde tekortkoming in de nakoming is niet gemotiveerd betwist en staat daarmee vast. Voor zover de stelling dat geen bepaalde duur voor het werk is overeengekomen, bedoeld is als verweer op dit punt, snijdt dit geen hout. Hiermee stellen gedaagden zich immers op het standpunt dat staking van het werk in overeenstemming is met de overeenkomst. Dit is onverdedigbaar. [eiser] mocht ervan uitgaan dat het werk zonder onnodige vertraging zou worden voltooid. Nu dit niet is gebeurd, is sprake van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst.

Het verweer dat de overeenkomst niet is ontbonden, is eerst gevoerd tijdens de mondelinge behandeling. Gedaagden hadden dit verweer bij antwoord moeten voeren. Daartoe waren zij op grond van het in artikel 128 Rv neergelegde vereiste van concentratie van verweer gehouden. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] in zijn processuele positie is geschaad doordat gedaagden dit niet hebben gedaan. Gelet hierop wordt het verweer als tardief gepasseerd. Als onvoldoende gemotiveerd weersproken staat daarom vast dat de overeenkomst is ontbonden.

Is [gedaagde 2] . partij bij de overeenkomst?

4.2.

Gedaagden betwisten dat [eiser] met [gedaagde 2] . heeft gecontracteerd. Zij stellen dat [gedaagde 2] . ingevolge een volmacht namens [gedaagde 1] . heeft gehandeld en dat derhalve alleen [gedaagde 1] . gebonden is aan de overeenkomst en aansprakelijk is voor de gevolgen van de ontbinding.

4.3.

Ter onderbouwing van deze stelling voeren gedaagden het volgende aan. De overeenkomst is door [eiser] aangegaan met [handelsnaam] . Dit blijkt uit de offerte en uit de facturen waarop de naam [handelsnaam] en het KvK-nummer van [handelsnaam] vermeld staan. Dit blijkt ook uit het feit dat [eiser] de facturen heeft betaald op een rekening die op naam staat van [handelsnaam] . [handelsnaam] was de eenmanszaak van [gedaagde 1] .

4.4.

Het antwoord op de vraag of iemand jegens een ander bij het sluiten van een overeenkomst in eigen naam — dat wil zeggen als wederpartij van die ander — is opgetreden, hangt af van hetgeen hij en die ander daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden (HR 11-03-1977, ECLI:NL:PHR:1977:AC1877 (Kribbenbijter)). Bij de toepassing van deze maatstaf komt niet alleen betekenis toe aan de inhoud van de wederzijdse verklaringen maar ook aan de verdere omstandigheden van het geval.

4.5.

Voor de beoordeling van de vraag of [gedaagde 2] . bij het aangaan van de overeenkomst in eigen naam dan wel namens [gedaagde 1] . is opgetreden, zijn de volgende feiten van belang.

4.6.

[eiser] is via een kennis, [naam 1] (“ [naam 1] ”), in contact gekomen met [gedaagde 2] . Op verzoek van [eiser] heeft [naam 1] namens hem de onderhandelingen met [gedaagde 2] . gevoerd. Bij één bespreking is ook [eiser] aanwezig geweest. De offerte is getekend in de woning. Hierbij waren aanwezig [eiser] , diens tweelingbroer, [gedaagde 2] . en [naam 1] . [gedaagde 1] . is noch bij de onderhandelingen over de offerte noch bij de ondertekening van de offerte betrokken geweest.

4.7.

De offerte is gesteld op briefpapier van “ [handelsnaam] ”. De offerte is namens [handelsnaam] getekend door [gedaagde 2] . Aan de voet van het eerste blad van de offerte staat voorgedrukt: “K.v.K. Rotterdam nr. [nummer] ”. Onder dit nummer was ten tijde van het tekenen van de offerte de eenmanszaak [handelsnaam] met als eigenaar [gedaagde 1] . geregistreerd.

4.8.

De door [eiser] betaalde facturen vermelden in het hoofd “[handelsnaam]”. Op de facturen staat “Betalingen op rekeningnr. [bankrekeningnummer] van [handelsnaam]” en aan de voet staat het in 4.7 genoemde KvK-nummer gedrukt. De tenaamstelling van deze bankrekening luidt “[handelsnaam]”.

4.9.

De website van [handelsnaam] vermeldde:

[handelsnaam] is in 1992 opgericht als beginsel een timmer en onderhoudsbedrijf onder de naam ‘ [naam bedrijf]”.

Athos is de roepnaam van [gedaagde 2] . en de naam waarmee hij zichzelf aan [eiser] heeft voorgesteld.

4.10.

De rechtbank leidt uit de bovengenoemde feiten af dat uit niets viel af te leiden dat [handelsnaam] de eenmanszaak van [gedaagde 1] . was. De enkele vermelding van het KvK-nummer op de offerte en de facturen is onvoldoende om aan te nemen dat [eiser] wist of kon weten dat [gedaagde 1] . de eigenaar van [handelsnaam] was. Van [eiser] als consument kan niet worden verwacht dat hij vóór het sluiten van de overeenkomst het handelsregister raadpleegt om na te gaan op wiens naam de onderneming [handelsnaam] is geregistreerd.

4.11.

Omdat [gedaagde 2] . zowel vóór als na het sluiten van de overeenkomst de enige persoon was met wie [eiser] en [naam 1] contact hadden aangaande het funderingsherstel, [gedaagde 2] . handelde onder de vlag van een eenmanszaak die zijn naam droeg en [eiser] niet wist of kon weten dat [gedaagde 1] . de eigenaar van die eenmanszaak was (terwijl de in 4.9 geciteerde tekst op de website van [handelsnaam] deed vermoeden dat [gedaagde 2] . de eigenaar was), mocht [gedaagde 2] . niet verwachten dat het voor [eiser] duidelijk was dat hij ( [gedaagde 2] .) niet de eigenaar van [handelsnaam] was en daarom lag het op de weg van [gedaagde 2] . om dit aan [eiser] duidelijk te maken. Dat hij dit heeft gedaan is onvoldoende onderbouwd gesteld. De enkele bevestigende beantwoording van de in dat kader ter zitting aan [gedaagde 2] . gestelde vraag is – in het licht van het overige door [gedaagde 2] . ter zitting verklaarde en het door [eiser] reeds bij dagvaarding (onder randnummer 35) gestelde en ter zitting verklaarde, onvoldoende.

4.12.

Uit het voorgaande volgt dat [eiser] erop mocht vertrouwen dat [gedaagde 2] . bij het aangaan van de overeenkomst namens zichzelf handelde. [gedaagde 2] . was derhalve aan de overeenkomst gebonden en is aansprakelijk voor de gevolgen van de niet-nakoming en de ontbinding van de overeenkomst.

Zijn gedaagden hoofdelijk aansprakelijk?

4.13.

Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde 1] . aan de overeenkomst gebonden was middels vertegenwoordiging door [gedaagde 2] . en dat [gedaagde 2] . aan de overeenkomst gebonden was doordat [eiser] er op mocht vertrouwen dat [gedaagde 2] . bij het aangaan van de overeenkomst namens zichzelf handelde. Hier doet zich dus de situatie voor van artikel 7:407 lid 2 BW: [gedaagde 1] . en [gedaagde 2] . hebben tezamen de opdracht van [eiser] ontvangen en ieder van hen is daarom voor het geheel aansprakelijk ter zake van de tekortkoming in de nakoming en de daaruit voortvloeiende ontbinding.

De gevolgen van de ontbinding: ongedaanmaking

4.14.

Door de ontbinding zijn partijen bevrijd van de door de ontbinding getroffen verbintenissen uit de overeenkomst en is voor partijen een verbintenis tot ongedaanmaking van de reeds door hen ontvangen prestaties ontstaan. Dit volgt uit artikel 6:271 BW.

De verbintenis tot ongedaanmaking van gedaagden

4.15.

De verbintenis tot ongedaanmaking van gedaagden bestaat uit het terugbetalen van de bedragen die zij van [eiser] ontvangen hebben. Gedaagden hebben EUR 117.120,- van [eiser] ontvangen. Zij stellen daarvan EUR 30.000 terugbetaald te hebben. [gedaagde 2] . heeft hierover ter zitting verklaard:

Van dhr. [naam 1] begreep ik dat hij 30.000 euro van [eiser] zou krijgen voor zijn bemiddelende werkzaamheden. Tijdens de vergadering waarin de offerte werd ondertekend heeft [eiser] mij contant 30.000 euro gegeven. Toen ik na de vergadering met [naam 1] in de auto zat, heb ik het geld aan hem gegeven. Ik heb volgens mij hiermee een schuld van [eiser] aan [naam 1] voldaan. Ik begreep niet waarom het via mij moest lopen. [naam 1] zat tijdens die vergadering naast mij. Achteraf is het dom geweest.”

[eiser] heeft ter zitting verklaard:

[gedaagde 2] . heeft mij gevraagd de eerste aanbetaling van 30.000 euro contant te doen. Dit heb ik gedaan. Ik heb hem dit geld gegeven in de vergadering waarin ik ook de offerte ondertekend heb. [naam 1] was daarbij. Ik ben er pas later achter gekomen dat [gedaagde 2] . dit geld aan [naam 1] heeft gegeven. Ik ben daar heel boos over. Dat was absoluut niet de afspraak. Die aanbetaling was voor het project en niet voor [naam 1] . Ik zou [naam 1] gewoon een vergoeding hebben betaald maar dat heb ik niet gedaan toen ik er achter kwam dat [gedaagde 2] . die aanbetaling van 30.000 euro aan hem heeft doorbetaald. Die vergoeding zou zeker geen 30.000 euro zijn geweest.”

[eiser] stelt dat [naam 1] en [gedaagde 2] . onder één hoedje hebben gespeeld en dat de betaling door [gedaagde 2] . aan [naam 1] een soort smeergeldbetaling is geweest.

4.16.

De rechtbank acht de verklaring van [gedaagde 2] . dat hij meende een schuld van [eiser] aan [naam 1] te voldoen niet geloofwaardig. Niet valt in te zien waarom [eiser] in een vergadering waarbij [naam 1] aanwezig was, geld dat voor [naam 1] bestemd was aan [gedaagde 2] . zou geven. Voor de hand ligt dat het geld een aanbetaling was voor het project, zoals [eiser] heeft verklaard. [eiser] betwist dat hij een schuld van EUR 30.000 aan [naam 1] had en gedaagden hebben geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit het tegendeel blijkt. Daarom is onvoldoende gebleken dat door de betaling door [gedaagde 2] . aan [naam 1] een schuld van [eiser] is voldaan en kan die betaling niet in mindering strekken op de ongedaanmakingsverbintenis van gedaagden. Uit hoofde van die ongedaanmakingsverbintenis dienen gedaagden dus het gehele door [eiser] aan gedaagden betaalde bedrag van EUR 117.120,- aan [eiser] terug te betalen.

De verbintenis tot ongedaanmaking van [eiser]

4.17.

De verbintenis tot ongedaanmaking van [eiser] bestaat uit het ongedaan maken van de prestatie die gedaagden hebben verricht. De aard van die prestatie sluit echter uit dat zij ongedaan wordt gemaakt. Daarom treedt voor de ongedaanmaking van die prestatie een vergoeding in de plaats ten belope van de waarde van die prestatie op het tijdstip van ontvangst. Dit volgt uit artikel 6:272 BW. [eiser] dient dus aan gedaagden te vergoeden een bedrag ter hoogte van de waarde van de door hen geleverde prestatie op het tijdstip van ontvangst van die prestatie.

4.18.

Uit randnummer 5 van de dagvaarding en uit de berekening van [eiser] van het door hem “te veel of onverschuldigd betaalde bedrag” blijkt dat [eiser] de prestatie van gedaagden waardeert op het bedrag van de bedragen die gedaagden aan het project hebben besteed. De rechtbank acht dit een redelijke benadering en zal die waardering volgen.

4.19.

[eiser] heeft als productie 2 bij dagvaarding een door [gedaagde 2] . opgesteld overzicht in het geding gebracht van de bedragen die gedaagden aan het project hebben besteed. Volgens dit overzicht hadden gedaagden op het moment dat het werk werd stilgelegd zeven betalingen ten behoeve van het project verricht tot een totaal van EUR 32.033,66. De juistheid van dit overzicht is tussen partijen niet in geschil, met uitzondering van één betaling. Dit betreft de betaling van een factuur van EUR 1.755,05 van Back Milieu-advies ter zake van “busmelding meerwerk”. Volgens [eiser] hebben gedaagden deze factuur niet voldaan. [eiser] heeft een e-mail van [naam 2] van MDM Bouw B.V. van 16 juli 2020 overgelegd waarin de heer [naam 2] aan [eiser] mededeelt dat hìj deze factuur heeft betaald omdat “de vorige aannemer wel de busmelding aan had laten vragen maar niet betaald had”.

4.20.

[gedaagde 2] . heeft over deze factuur ter zitting verklaard:

Ik weet niet of ik de factuur van Back Milieu voor de BUS-melding heb betaald. Ik vermoed van niet want normaal gesproken doet de aannemer die het grondwerk doet dit.”

4.21.

Gelet op de verklaring van [gedaagde 2] . en de genoemde e-mail van de heer [naam 2] gaat de rechtbank er vanuit dat gedaagden de factuur van Back Milieu-advies niet hebben betaald. Gedaagden hebben dus (EUR 32.032,66 -/- EUR 1.755,05 =) EUR 30.277,61 besteed aan het project. Dit betekent dat de prestatie van gedaagden wordt gewaardeerd op EUR 30.277,61 en dat [eiser] uit hoofde van zijn ongedaanmakingsverbintenis EUR 30.277,61 aan gedaagden verschuldigd is.

4.22.

Per saldo resteert een vordering van [eiser] op gedaagden van (EUR 117.120,- -/- EUR 30.277,61 =) EUR 86.842,39. Dit is EUR 0,06 minder dan het volgens [eiser] “te veel of onverschuldigd” betaalde bedrag omdat [gedaagde 2] . de factuur van Back Milieu-advies voor een bedrag van EUR 1.755,05 in zijn overzicht heeft opgenomen, terwijl [eiser] bij zijn berekening het werkelijke bedrag van die factuur, te weten EUR 1.755,11, op de volgens dat overzicht betaalde kosten in mindering heeft gebracht.

De gevolgen van de ontbinding: schadevergoeding

4.23.

[eiser] vordert dat de rechtbank voor recht verklaart dat gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle schade die het gevolg is van de tekortkoming van gedaagden.

4.24.

Omdat de overeenkomst van opdracht is ontbonden, zijn gedaagden verplicht de schade te vergoeden die [eiser] heeft geleden doordat geen wederzijdse correcte nakoming maar ontbinding heeft plaatsgevonden (artikel 6:277 lid 1 BW), met uitzondering van schade als bedoeld in artikel 6:98 BW die gedaagden niet als een gevolg van die tekortkoming kan worden toegerekend. De rechtbank zal de gevraagde verklaring voor recht derhalve aldus toewijzen dat gedaagden jegens [eiser] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle schade die het gevolg is van het staken van hun werkzaamheden onder de overeenkomst, voor zover die schade gedaagden als een gevolg van het staken van die werkzaamheden kan worden toegerekend.

De gevorderde schade

4.25.

[eiser] vordert van gedaagden vergoeding van schade bestaande uit:

- EUR 80.432,66 inclusief btw aan meerkosten vanwege het inschakelen van een andere aannemer;

- EUR 20.000 exclusief btw aan kosten van herstel van schade aan het appartement op de eerste verdieping;

- vertragingsschade; en

- de kosten van het herplaatsen van de huurder van de woning op de eerste verdieping en gederfde huurinkomsten.

Van de laatste drie schadeposten heeft [eiser] geen berekening gemaakt. [eiser] vordert dat deze schade wordt opgemaakt en vereffend in een schadestaatprocedure of door de rechtbank wordt vastgesteld op een in goede justitie te bepalen bedrag.

Bij dagvaarding heeft [eiser] gesteld ook schade te hebben geleden wegens kosten van experts maar dit heeft [eiser] ter zitting ingetrokken.

De vordering tot vergoeding van schade wegens het inschakelen van een andere aannemer

4.26.

De meerkosten vanwege het inschakelen van een andere aannemer heeft [eiser] als volgt berekend. De offerte van de nieuwe aannemer, MDM Bouw B.V. (hierna te noemen “MDM Bouw”), voor het afmaken van het werk van gedaagden beliep EUR 145.200 inclusief btw. [eiser] heeft een factuur voor meerwerk ontvangen van MDM Bouw ten bedrage van EUR 48.400 inclusief btw. Deze factuur is door [eiser] betaald. [eiser] heeft derhalve in totaal EUR 193.600 betaald aan MDM Bouw. Daarnaast heeft [eiser] EUR 32.032,66 betaald aan gedaagden. Dit betekent dat [eiser] in totaal EUR 225.632,66 aan het project heeft uitgegeven. De offerte van gedaagden voor het project bedroeg EUR 145.200 inclusief BTW. Derhalve bedragen de meerkosten (EUR 225.632,66 -/- EUR 145.200 =) EUR 80.432,66.

4.27.

Gedaagden betwisten de meerkosten. [gedaagde 2] . heeft ter zitting verklaard dat het goed zou kunnen dat het meerwerk ad EUR 48.400 dat door MDM Bouw B.V. in rekening is gebracht ook noodzakelijk was geweest indien gedaagden het werk hadden voortgezet.

4.28.

De totale kosten van het project zijn uitgekomen op EUR 225.632,66. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of deze kosten lager waren geweest indien gedaagden het project hadden afgemaakt.

4.29.

De offerte van gedaagden beloopt, evenals de offerte van MDM Bouw, EUR 145.200 inclusief btw, en bevat, evenals de offerte van MDM Bouw, een uitgebreide lijst van werkzaamheden en kosten die niet begroot zijn. De aanneemsom van EUR 145.200 inclusief btw is dus zowel bij gedaagden als bij MDM Bouw naar zijn aard een minimumbedrag. Welk bedrag gedaagden uiteindelijk aan [eiser] in rekening zouden hebben gebracht (en in rekening zouden hebben mogen brengen) indien zij de werkzaamheden voltooid zouden hebben, valt niet nauwkeurig vast te stellen. De rechtbank dient hier derhalve een schatting van te maken. Omdat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat gedaagden het werk goedkoper zouden hebben kunnen verrichten dan MDM Bouw en aannemelijk is dat gedaagden meerwerk in rekening gebracht zouden hebben (en in rekening zouden hebben mogen brengen), gaat de rechtbank er vanuit dat gedaagden uiteindelijk bij oplevering van het project tenminste eenzelfde bedrag als MDM Bouw in rekening zouden hebben gebracht aan meerwerk. Aannemelijk is dat gedaagden zelfs meer dan MDM Bouw in rekening zouden hebben gebracht omdat MDM Bouw door het voorwerk van gedaagden kosten heeft “bespaard”.

4.30.

De kosten die MDM Bouw in rekening heeft gebracht bedragen EUR 193.600,-. Hoeveel kosten MDM Bouw door het voorwerk van gedaagden heeft bespaard valt niet nauwkeurig vast te stellen. Een deel van het sloopwerk en een deel van het aanbrengen van de staalconstructie was reeds gedaan vóórdat MDM Bouw aan de slag ging. Daar staat tegenover dat in het meerwerk van MDM Bouw ook een post “tijdelijk opvangen slecht aangebrachte staalconstructie” en “meerwerk sloopwerk” zit. Gelet hierop, en in aanmerking nemende dat door de wisseling van aannemer ook enig dubbel werk zal zijn verricht, schat de rechtbank de kosten die MDM Bouw door het voorwerk van gedaagden heeft “bespaard” op 50% van het bedrag dat [eiser] voor dat voorwerk heeft betaald, derhalve op 50% van EUR 32.032,66. Dit is een bedrag van EUR 16.016,33. De rechtbank begroot het bedrag dat MDM Bouw zonder het voorwerk van gedaagden aan [eiser] in rekening zou hebben gebracht dus op (EUR 193.600,- + EUR 16.016,33 =) EUR 209.616,33. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de offerte van gedaagden, acht de rechtbank het aannemelijk dat gedaagden ditzelfde bedrag in rekening zouden hebben gebracht als zij het werk zouden hebben voltooid.

4.31.

Het voorgaande brengt met zich dat het bedrag dat [eiser] aan het project heeft besteed (EUR 225.632,66) hoger is dan het bedrag dat hij naar de inschatting van de rechtbank zou hebben besteed indien gedaagden het werk zouden hebben voltooid (EUR 209.616,33). Het verschil tussen deze bedragen (EUR 16.016,33) is schade die [eiser] heeft geleden als gevolg van de tekortkoming in de nakoming van gedaagden. Gedaagden dienen deze schade aan [eiser] te vergoeden.

De vordering tot vergoeding van schade aan het appartement op de eerste verdieping

4.32.

[eiser] heeft ter zitting gesteld dat gedaagden hebben verzuimd de staalconstructie aan te metselen en dat dit heeft geleid tot scheuren in de muren en gebroken ruiten op de eerste verdieping. De schade aan het appartement op de eerste verdieping wordt door [eiser] gesteld op EUR 20.000 exclusief btw.

4.33.

Dat gedaagden de staalconstructie niet hebben aangemetseld, is door [eiser] pas op de zitting gesteld. Hiermee heeft [eiser] ter zitting een geheel nieuw feit aan zijn vordering tot schadevergoeding ten grondslag gelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is deze feitelijke grondslagwijziging te laat ingediend en derhalve in strijd met een goede procesorde. De rechtbank zal deze grondslagwijziging en de daarop gebaseerde vordering daarom buiten beschouwing laten.

De vordering tot vergoeding van vertragingsschade

4.34.

[eiser] vordert vergoeding van schade veroorzaakt door de vertraging in het werk die een gevolg is van de stillegging van het werk door gedaagden. Gedaagden betwisten niet dat het werk is vertraagd. Voor zover gedaagden met hun stelling “dat de stillegging van het werk die door de PFAS-problematiek is veroorzaakt in de stellingen van [eiser] onderbelicht is gebleven” bedoelen dat de vertraging in het werk niet of niet alleen het gevolg is van hun tekortkoming in de nakoming, is dit verweer strijdig met hun stelling dat het werkelijke probleem een financieel probleem aan de zijde van [handelsnaam] betreft en, in het licht van de gemotiveerde betwisting door [eiser] , onvoldoende onderbouwd. Als onvoldoende gemotiveerd weersproken staat daarom vast dat de vertraging in het werk een gevolg is van de tekortkoming in de nakoming door gedaagden.

4.35.

Ter onderbouwing van zijn vordering tot vergoeding van vertragingsschade heeft [eiser] gesteld dat het project door toedoen van gedaagden bijna een jaar is vertraagd, dat hij de woning begin 2020 had kunnen afbouwen en verkopen voor EUR 1.000.000,00 indien gedaagden het project voortvarend hadden afgemaakt, dat hij door alle meerkosten nu geen geld meer heeft voor de afbouw en de inrichting en dat de huidige verkoopwaarde van de woning, wanneer die is afgebouwd, nog maar EUR 800.000,- bedraagt. [eiser] vordert dat deze schade door de rechtbank wordt begroot dan wel wordt opgemaakt bij staat. Gedaagden betwisten deze schade

4.36.

Begroting van de gestelde vertragingsschade in dit vonnis is bij gebrek aan voldoende gestelde en met stukken onderbouwde feiten en een partijdebat daarover, niet mogelijk. Daarom zal de rechtbank gedaagden veroordelen tot vergoeding van vertragingsschade op te maken bij staat.

De vordering tot vergoeding van gederfde huur en de kosten van het herplaatsen van de huurder

4.37.

De door [eiser] gestelde schade wegens gederfde huurinkomsten is door [eiser] ter zitting als volgt onderbouwd:

De eerste verdieping werd verhuurd aan een bekende van mijn vader, die man is 61. Hij betaalde 1.350 euro huur per maand. Maar door de aanpak van [gedaagde 2] werd die woning onbewoonbaar. De muur naast de trap naar de eerste verdieping was weggehaald en vervangen door een zeil. In de woning op de eerste verdieping was een tijdelijke wand geplaatst. Er zat een gat in de vloer en in het balkon. Als dit een paar weken duurt is dit niet erg maar dit heeft maanden geduurd. De huurder heeft mij gevraagd om voor een andere woning te zorgen. Dat heb ik gedaan. Hij heeft ongeveer zes maanden in die andere woning in Buitenveldert gewoond. Die andere woning is ook mijn eigendom. De huur daarvoor is normaal, geloof ik 1700 euro per maand en ik heb het voor 600 euro aan die man verhuurd.”

4.38.

[gedaagde 2] . heeft ter zitting verklaard:

“Het klopt dat wij de wand langs de trap naar de eerste verdieping hebben weggehaald en

vervangen door een zeil. Het klopt ook dat we een tijdelijke wand in de woning op de eerste

verdieping hebben geplaatst en dat we een gat in de vloer en in het balkon hebben gemaakt. Dit is allemaal tijdelijk. Naar mijn mening kon er op de eerste verdieping gewoond worden. Ik heb de huurder regelmatig op de hoogte gehouden van de voortgang.”

4.39.

De rechtbank begrijpt uit de verklaring van [eiser] dat de woning op de eerste verdieping naar de mening van [eiser] wel voor kortere tijd (enkele weken) bewoonbaar was, maar niet voor meerdere maanden, dat het stilleggen van de werkzaamheden door gedaagden voor een vertraging van meerdere maanden heeft gezorgd en dat de noodzaak tot herplaatsen van de huurder dus een gevolg is van het stilleggen van de werkzaamheden door gedaagden. Gedaagden betwisten dat de woning onbewoonbaar was.

4.40.

Gelet op de toestand van de trap en de woning op de eerste verdieping, zoals eensluidend ter zitting door [eiser] en [gedaagde 2] . beschreven, is de rechtbank van oordeel dat van de huurder van die woning niet verwacht kon worden dat hij hier langer dan enkele weken genoegen mee zou nemen. Dat de werkzaamheden enkele maanden vertraagd zijn, en dat de woning dus langer dan enkele weken in de genoemde toestand heeft verkeerd, staat tussen partijen vast. Daarmee staat vast dat de vertraging heeft geleid tot een noodzaak tot herplaatsen van de huurder. De huur die [eiser] hierdoor gederfd heeft, is dus, evenals de kosten van het herplaatsen van de huurder, vertragingsschade. Deze schade zal bij gebrek aan voldoende gestelde feiten moeten worden opgemaakt bij staat.

De buitengerechtelijke kosten

4.41.

[eiser] vordert een vergoeding van EUR 1.625,78 voor buitengerechtelijke incassokosten. Gedaagden stellen dat de advocaat van [eiser] slechts één brief heeft gestuurd en dat dit geen vergoeding van buitengerechtelijke kosten rechtvaardigt. De rechtbank stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is nu het verzuim op/na 1 juli 2012 is ingetreden. De rechtbank stelt voorts vast dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is niet hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief en zal derhalve worden toegewezen.

De vordering tot vergoeding van wettelijke handelsrente over de ongedaanmakingsverbintenis

4.42.

[eiser] vordert de wettelijke handelsrente over het met de ongedaanmakingsverbintenis gemoeide bedrag vanaf 19 december 2019, althans 3 januari 2020 althans 16 januari 2020. Gedaagden betwisten de verschuldigdheid van wettelijke handelsrente op de grond dat de regeling van de wettelijke handelsrente in artikel 6:119a BW niet van toepassing is op een vordering tot ongedaanmaking na ontbinding van een overeenkomst. De rechtbank onderschrijft deze stelling van gedaagden. Artikel 6:119a BW heeft uitsluitend betrekking op de primaire betalingsverbintenis uit de handelsovereenkomst, de verbintenis tot betaling van de tegenprestatie voor de geleverde goederen of diensten. De gevorderde wettelijke handelsrente over het met de ongedaanmakingsverbintenis gemoeide bedrag is derhalve niet toewijsbaar. In plaats daarvan zal de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over dit bedrag worden toegewezen. Deze wettelijke rente gaat in op het moment van verzuim van gedaagden.

4.43.

De in 2.9 genoemde brief van 3 januari 2020 van mr. Witteveen voldoet niet aan de in artikel 6:82 lid 1 BW vermelde vereisten voor een deugdelijke ingebrekestelling, maar de in 2.10 genoemde brief van mr. Uithol van 16 januari 2020 is een mededeling als bedoeld in artikel 6:83 sub c BW waaruit [eiser] moest afleiden dat gedaagden in de nakoming van hun ongedaanmakingsverbintenis tekort zouden schieten. Gedaagden zijn dus vanaf 16 januari 2020 in verzuim en de wettelijke rente over EUR 86.842,39 is dus verschuldigd vanaf 16 januari 2020.

De vordering tot vergoeding van de wettelijke handelsrente over de buitengerechtelijke incassokosten

4.44.

[eiser] vordert vergoeding van de wettelijke handelsrente over de buitengerechtelijke incassokosten vanaf de achtste dag na betekening van het vonnis. Zoals in 4.42 overwogen heeft de regeling van de wettelijke handelsrente als bedoeld in art. 6:119a BW uitsluitend betrekking op de primaire betalingsverbintenis uit de handelsovereenkomst De vordering tot vergoeding van wettelijke handelsrente als bedoeld in art. 6:119a BW over de buitengerechtelijke incassokosten is derhalve niet toewijsbaar. In plaats daarvan zal de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over de buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen op de wijze als hierna vermeld.

Slotsom

4.45.

De slotsom is dat de volgende vorderingen van [eiser] worden toegewezen:

(i) betaling van EUR 86.842,39, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 16 januari 2020 tot de dag van volledige betaling;

(ii) de onder 4.24 weergegeven verklaring voor recht;

(iii) schadevergoeding van EUR 16,016,33 wegens het inschakelen van een andere aannemer;

(iv) EUR 1.625,87 aan vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, zo nodig te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling.

4.46.

Gedaagden worden als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten tot aan deze uitspraak.

De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 109,50

- griffierecht EUR 937,00

- salaris advocaat EUR 4.267,50 (2,5 punt × tarief EUR 1.707,00)

Totaal EUR 5.314,00

De door [eiser] gevorderde handelsrente over de proceskosten is niet toewijsbaar om de reden uiteengezet in 4.42. In plaats daarvan zal de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over de proceskosten worden toegewezen op de wijze als hierna vermeld.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiser] te betalen een bedrag van EUR 86.842,39, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 16 januari 2020 tot de dag van volledige betaling;

5.2.

verklaart voor recht dat gedaagden jegens [eiser] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle schade die het gevolg is van het staken van de werkzaamheden die gedaagden ingevolge de overeenkomst voor het project funderingsherstel [adres] zouden uitvoeren, voor zover die schade gedaagden als een gevolg van het staken van die werkzaamheden kan worden toegerekend;

5.3.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiser] te betalen een bedrag van EUR 16,016,33 ter vergoeding van schade als bedoeld in 4.31wegens het inschakelen van een andere aannemer;

5.4.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, tot vergoeding van de vertragingsschade (inclusief gederfde huur en de kosten van het herplaatsen van de huurder van het appartement op de eerste verdieping) die [eiser] heeft geleden vanwege van het staken van de werkzaamheden, welke schadevergoeding is op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

5.5.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiser] te betalen ter zake van buitengerechtelijke incassokosten een bedrag van EUR 1.625,87 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.6.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 5.314,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.A.M. Schellekens en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2020.

1573/3310