Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:8080

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-09-2020
Datum publicatie
15-09-2020
Zaaknummer
10/138992-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft de aangever tegen zijn hoofd geschopt. Hij wordt echter vrijgesproken van een poging doodslag, omdat onvoldoende duidelijk is met hoeveel kracht is getrapt en waar op het hoofd. Ook ontbreekt een medische verklaring. Wel volgt veroordeling voor openlijk geweld en de diefstal van de telefoon van de aangever. Verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 150 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/138992-18

Datum uitspraak: 10 september 2020

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. W.B.M. Bos, advocaat te Oud-Beijerland.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 27 augustus 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. E. Blanken heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 dagen met aftrek van voorarrest en een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak feit 1

Standpunt officier van justitie

De poging tot doodslag kan wettig en overtuigend worden bewezen. Uit de camerabeelden blijkt dat de verdachte bewust richting het hoofd van de aangever [naam slachtoffer 1] (hierna: [naam slachtoffer 1] ) trapte, terwijl hij op de grond lag. Hierdoor bestond de aanmerkelijke kans dat [naam slachtoffer 1] zou komen te overlijden. In het hoofd hadden vitale delen kunnen worden geraakt en hadden slagaders kunnen scheuren. De verdachte heeft door zijn handelen die kans op de koop toegenomen.

Beoordeling

Vaststaat dat de verdachte op 14 juli 2018 op of aan de [plaats delict] in Rotterdam samen met anderen geweld heeft gebruikt tegen [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] . De verdachte heeft daarbij onder andere [naam slachtoffer 1] een schop tegen zijn hoofd gegeven, terwijl hij op de grond lag. Anders dan de officier van justitie, acht de rechtbank echter niet bewezen dat daarbij sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van [naam slachtoffer 1] . Hoewel aan de hand van de op zitting getoonde beelden kan worden vastgesteld dat de verdachte welbewust en met ogenschijnlijke kracht in de richting van het hoofd heeft geschopt, kan daaruit niet voldoende duidelijk worden opgemaakt met hoeveel kracht dat is gebeurd en welke plek van het hoofd van [naam slachtoffer 1] is geraakt. Dit kan evenmin worden afgeleid uit het beperkte letsel dat is geconstateerd. In het dossier bevindt zich geen medische verklaring met een beschrijving van het letsel of een indicatie van de mogelijke risico’s gelet op de locatie van dat letsel. [naam slachtoffer 1] is wel op enig moment kort buitenbewustzijn geweest, maar niet is vast te stellen dat dit het gevolg was van de schop tegen zijn hoofd. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat te weinig bewijs voorhanden is voor een bewezenverklaring van een poging tot doodslag. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.2.

Bewezenverklaring feit 2 zonder nadere motivering

Het onder 2 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.3.

Bewijswaardering feit 3

De rechtbank acht de diefstal van de telefoon van [naam slachtoffer 1] ook wettig en overtuigend bewezen. Op basis van de inhoud van de bewijsmiddelen wordt vastgesteld dat de verdachte deze telefoon heeft weggenomen en dat hij dat heeft gedaan met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. Zijn verklaring dat hij dacht dat het zijn eigen telefoon was, wordt in het licht van de bewijsmiddelen niet geloofwaardig geacht.

4.4.

Bewezenverklaring

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

2.

hij op 14 juli 2018 te Rotterdam met anderen, op of aan de openbare weg, te weten de [plaats delict] , openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] , welk geweld bestond uit

  • -

    meermalen duwen tegen [naam slachtoffer 1] en

  • -

    meermalen met een tot vuist gebalde hand slaan tegen, althans in de richting van, het gelaat van [naam slachtoffer 1] en

  • -

    geven van een vliegende trap in de rug van [naam slachtoffer 1] , waardoor deze ten val kwam en

  • -

    met kracht schoppen tegen het hoofd van [naam slachtoffer 1] , terwijl [naam slachtoffer 1] op de grond lag en

  • -

    trappen in de richting van die [naam slachtoffer 2] en

  • -

    geven van een vliegende trap tegen het bovenlichaam van [naam slachtoffer 2] en

  • -

    met een tot vuist gebalde hand slaan tegen het gezicht van [naam slachtoffer 2] ;

3.

hij op 14 juli 2018 te Rotterdam een mobiele telefoon (merk Apple type Iphone 7, kleur zwart, in een hoesje met de tekst [tekst hoesje] ), dat aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de redengevende inhoud van het voorgaande en op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende tot bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

2.

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

3.

diefstal.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweld tegen [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] . De verdachte en de mededaders waren na een avond te zijn uitgegaan bij de McDonald’s aan de [plaats delict] . Op een gegeven moment ontstond een discussie tussen de slachtoffers en een beveiliger. De verdachte en de mededaders mengden zich in deze discussie en dit mondde uiteindelijk uit in het gebruik van fors geweld tegen de slachtoffers. Zo zijn beide slachtoffers meerdere malen geschopt en geslagen. De verdachte had hierin een behoorlijk aandeel door onder andere [naam slachtoffer 1] een schop tegen zijn hoofd te geven terwijl het slachtoffer al op de grond lag. Dit gebeurde op een moment dat de slachtoffers al wegliepen. De verdachte heeft vervolgens ook nog de telefoon van [naam slachtoffer 1] van straat gepakt en meegenomen. Met dit nare, agressieve gedrag hebben de verdachte en zijn mededaders laten zien dat zij geen enkel respect hebben gehad voor de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en hun geestelijk welzijn. De ervaring leert namelijk dat dit soort gewelddadige incidenten de nodige psychische gevolgen kunnen hebben voor slachtoffers. Daarbij zorgen feiten als deze voor gevoelens van onveiligheid bij omstanders die van het geweld ongewild getuige hebben moeten zijn en de samenleving in het algemeen. Dit alles wordt de verdachte stevig aangerekend.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 3 augustus 2020, waaruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld.

Verder heeft de rechtbank het rapport van Reclassering Nederland van 23 oktober 2019 en het voortgangsverslag van 18 augustus 2020 gelezen. In dat verslag wordt geadviseerd geen voorwaardelijke straf met reclasseringstoezicht op te leggen.

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

De rechtbank acht een taakstraf op zijn plaats. Bij het bepalen van de duur daarvan is gekeken naar de straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd, zoals die onder meer tot uitdrukking komen in de oriëntatiepunten voor straftoemeting zoals geformuleerd door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Voor openlijke geweldpleging tegen personen waarbij lichamelijk letsel is toegebracht geldt als uitgangspunt een taakstraf van 150 uren. In het nadeel van de verdachte weegt mee dat hij zich ook schuldig heeft gemaakt aan diefstal.

In strafmatigende zin wordt rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Uitgaande van de datum van inverzekeringstelling van de verdachte - 14 juli 2018 - is de redelijke termijn van twee jaar waarbinnen een strafzaak in de regel dient te zijn afgerond, met bijna 2 maanden overschreden.

Alles afwegend acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 150 uren passend en geboden.

8. Vordering benadeelde partij/schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam slachtoffer 2] ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 425,- aan immateriële schade. Verzocht is de vergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Beoordeling

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Vast staat dat er sprake is van letsel bij de benadeelde partij, namelijk een wond onder zijn lip en beurse ribben, en hij daarvan pijn heeft ondervonden. Ook is het voldoende aannemelijk gemaakt dat dit feit ook op mentaal vlak impact op hem heeft gehad. Mede gelet op de aard en de ernst van het feit is het voorstelbaar dat hij, zoals gesteld, zich gedurende enige tijd niet meer veilig voelde op straat, slechter sliep en last had van herbelevingen. Dit is door de verdediging ook niet betwist. Het gevorderde bedrag van € 425,- acht de rechtbank echter te hoog. De geleden immateriële schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 250,-. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Omdat de verdachte het strafbare feit samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partij betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 14 juli 2018.

Omdat de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 57, 141 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 142 (honderdtweeënveertig) uren te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 71 dagen;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met diens mededaders, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] , te betalen een bedrag van € 250,- (zegge: tweehonderdvijftig euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 14 juli 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 250,- (hoofdsom, zegge: tweehonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 juli 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 250,- niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 5 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.J.M. van Beckhoven, voorzitter,

en mrs. V.F. Milders en F.J. Koningsveld, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A. de Vrind, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 14 juli 2018 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [naam slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven,

met kracht tegen het hoofd van die [naam slachtoffer 1] heeft geschopt, terwijl [naam slachtoffer 1] op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 14 juli 2018 te Rotterdam met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, te weten de [plaats delict] , in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] , welk geweld bestond uit

  • -

    meermalen duwen tegen [naam slachtoffer 1] en/of

  • -

    meermalen met een tot vuist gebalde hand slaan tegen, althans in de richting van, het gelaat van [naam slachtoffer 1] en/of

  • -

    geven van een vliegende trap in de rug van [naam slachtoffer 1] , waardoor deze ten val kwam en/of

  • -

    met kracht schoppen tegen het hoofd van [naam slachtoffer 1] , terwijl [naam slachtoffer 1] op de grond lag en/of

  • -

    trappen in de richting van die [naam slachtoffer 2] en/of

  • -

    geven van een vliegende trap tegen het bovenlichaam van [naam slachtoffer 2] en/of

  • -

    met een tot vuist gebalde hand slaan tegen het gezicht van [naam slachtoffer 2] ;

(art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op of omstreeks 14 juli 2018 te Rotterdam een mobiele telefoon (merk Apple type Iphone 7, kleur zwart, in een hoesje met de tekst [tekst hoesje] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer 1] ,

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

(art 310 Wetboek van Strafrecht)