Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:8072

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-08-2020
Datum publicatie
16-09-2020
Zaaknummer
8232530 CV EXPL 19-53981
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet-betaalde factuur + reconventionele vordering schade renovatiewerkzaamheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8232530 CV EXPL 19-53981

uitspraak: 21 augustus 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiser 1] ,

handelend onder de naam [handelsnaam] ,

wonende en kantoorhoudende te [plaats] ,

eiser,

gemachtigde: [naam gemachtigde] , werkzaam bij GGN Mastering Credit B.V. te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde]

gedaagde,

gemachtigde: mr. M.A.K. Rahman, advocaat te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [eiser 1 in conventie/verweerder in reconventie] ” respectievelijk “ [gedaagde in conventie/eiser 2 in reconventie] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 12 december 2019, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van de kantonrechter d.d. 10 februari 2020, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;

  • -

    de akte voorbereiding comparitie in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie, met producties;

  • -

    de e-mail van [gedaagde] d.d. 3 juli 2020, met producties;

  • -

    de e-mail van [gedaagde] d.d. 8 juli 2020.

1.2

Ter zitting van 27 juli 2020 te 10:00 uur zijn zowel [eiser 1] als [gedaagde] in persoon verschenen, bijgestaan de gemachtigden voornoemd. Van hetgeen ter zitting is verhandeld heeft de griffier aantekening gehouden.

1.3

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1

[eiser 1] heeft op 27 december 2018 een overeenkomst van opdracht met [gedaagde] gesloten.

Deze overeenkomst ziet op de renovatie van de bovenwoning van [gedaagde] , gelegen aan het adres [adres] te Rotterdam, tegen betaling van een totaalbedrag van € 70.245,00 exclusief btw.

2.2

De door [eiser 1] te verrichten werkzaamheden zijn onderverdeeld in drie fases. De betaling van het project bestaat uit vijf delen:

  1. aanbetaling: 5% (excl. btw) vóór aanvang van de werkzaamheden (na ondertekening van de offerte);

  2. na afronding fase 1: een deelbetaling van 25% (excl. btw);

  3. na afronding fase 2: een deelbetaling van 25% (excl. btw);

  4. na afronding fase 3: een deelbetaling van 25% (excl. btw);

  5. eindbetaling: 20% (excl. btw) na overdracht van de sleutel en akkoord van [gedaagde] .

[gedaagde] heeft de aanbetaling van 5% ten bedrage van € 3.512,25 (excl. btw) voldaan.

2.3

Partijen hebben mondelinge afspraken gemaakt over de opleveringstermijn. Gelet daarop heeft [eiser 1] op de door beide partijen ondertekende offerte d.d. 27 december 2018 handmatig de volgende tekst geschreven:

“Oplevering zal geschieden sleutel op de deur afwerking van A tot Z.

Duur werk zal ong 3 maanden in beslag nemen.”

2.4

Op 4 februari 2019 is [eiser 1] aangevangen met de overeengekomen werkzaamheden. Op of omstreeks maandag 1 april 2019 heeft [eiser 1] de komst van de factuur voor de eerste fase aangekondigd, welke volgens de offerte d.d. 27 december 2018 in rekening wordt gebracht “na alle sloopwerkzaamheden, reparatie dak en nivellering vloeren incl. plaatsing OSB platen.”

2.5

Op dinsdag 2 april 2019 heeft [gedaagde] de samenwerking eenzijdig stopgezet, waardoor [eiser 1] de geoffreerde werkzaamheden niet meer volledig heeft kunnen uitvoeren. Op woensdag 3 april 2019 hebben twee door [eiser 1] ingeschakelde personen de woning opgeruimd en enkele dak werkzaamheden provisorisch afgerond om lekkageschade te voorkomen c.q. te beperken, waarna zij de sleutels van de woning bij [gedaagde] hebben ingeleverd.

2.6

In een brief van [eiser 1] van 4 april 2019 gericht aan [gedaagde] staat – voor zover van belang – het volgende vermeld:

(…)

“Zoals in de offerte d.d. 27 december 2018 overeengekomen, is na de voorloopnota de eerste betaling van 25% van de totaalsom na reparatie van het dak, nivellering van de vloeren incl. plaatsing OSB platen en afronding van de sloop werkzaamheden.

Echter het feit dat de bovenste deklaag(2e laag) OSB platen op de 1e etage nog niet is aangebracht, de 9mm deklaag OSB platen op de 2e etage nog niet is aangebracht en een waterafdichting op de plaats van de vroegere schoorsteen zal ik dit percentage niet aanhouden maar een berekening maken van de gemaakte kosten.

Kosten welke op de factuur zijn terug te vinden zijn uiteraard kosten voor arbeid, aangebrachte materialen, huur containers en afvoer puin.”

(…)

2.7

Op de bij deze brief gevoegde factuur van [eiser 1] (factuurnummer [nummer factuur] ) staat een gecorrigeerd bedrag van € 14.761,70 inclusief btw vermeld. Daarbij is rekening gehouden met hetgeen op de “voorloopnota” reeds was voldaan. [gedaagde] is niet overgegaan tot betaling.

2.8

Bij brief van 7 mei 2019 heeft [gedaagde] – voor zover van belang – het volgende aan [eiser 1] bericht:

(…)

“De werkzaamheden zullen in drie maanden worden afgerond (zie productie 1).

Na circa drie weken zagen wij dat uw bijna niet op het werk kwam en er geen vooruit gang werd geboekt .”

(…)

“Daarnaast werd er ook een grote lekkage veroorzaakt in het winkel pand er onder .

De vloeren op de eerste en tweede etage werden ook niet op de juiste manier aangebracht .

Hier door zijn niveau verschillen ontstaan bij beide trappen in de woning .

In de loop kelder in de winkel is door een val door de vloer ook een stuk plafond stuk gegaan .

Er is ook een cv ketel verdwenen deze was net vier jaar oud .

Daarnaast is de riolering op de eerste etage ook verkeerd aangebracht .”

Dhr. [naam persoon 1] wil deze partij niet meer in zijn woonhuis hebben hij heeft geen vertrouwen meer.

….

2.9

De verdeeldheid over de kwaliteit van het geleverde werk in de latere correspondentie tussen partijen maakt dat [gedaagde] bij brief van 18 juli 2019 het volgende aan de gemachtigde van [eiser 1] schrijft:

(…)

“Ik ben verder bezig met het opstellen van een rapport door een onafhankelijke expert naar de staat van de woning op dit moment zoals deze is door [naam bedrijf eiser] achtergelaten. De kosten voor dit rapport zal ik ook moeten betalen naast de inkomstenderving die moet missen wegens het niet kunnen verhuren van de woning.

Naar mijn mening heb ik alles betaald wat de firma heeft uitgevoerd en zelfs meer dan dat. Zie de berekening in de bijlage.

Mijn schade is meer dan de factuur die is ingediend via uw kantoor door [naam bedrijf eiser] .

Ik ben uiteraard bereid om onafhankelijk expert samen in te schakelen om de schade op te gaan ramen die is veroorzaakt aan mijn woning door [naam bedrijf eiser] .”

(…)

2.10

Op 22 oktober 2019 heeft [gedaagde] een bouwkundig rapport laten opmaken door het bedrijf Perfectkeur B.V. te Hendrik Ido Ambacht. Daarin staat op pagina 18 – voor zover hier van belang – het volgende vermeld ten aanzien van het plafond van de winkel en de loopkelder:

“Er zijn (oudere) lekkage plekken waarneembaar. De eventuele oorzaken hiervan zijn elders in dit rapport benoemd, na herstel van de oorzaak kan esthetisch herstel conform de bestaande afwerking worden uitgevoerd.”

2.10

In hetzelfde bouwkundig rapport d.d. 22 oktober 2019 wordt ten aanzien van de vloeren op pagina 31 het volgende vermeld:

“Er is een verhoogde vloer aangebracht op de bestaande houten vloer. Het is niet bekend waarom dit op deze wijzen is aangebracht.

Het kan zijn dat dit is aangebracht om de scheefstand van het object te corrigeren. Als deze situatie gehandhaafd blijft dan dienen er nog ontbrekende delen worden aangebracht.”

2.11

Voorafgaand aan het eenzijdig stoppen van de samenwerking heeft [gedaagde] geen ingebrekestelling naar [eiser 1] verstuurd.

3. Het geschil

in conventie

3.1

[eiser 1] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan hem te betalen een bedrag van € 15.837,19, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 14.761,70 vanaf 31 oktober 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede veroordeling van [gedaagde] in de proces- en nakosten.

3.2

Aan zijn vordering heeft [eiser 1] – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – ten grondslag gelegd dat [gedaagde] toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van bovengenoemde overeenkomst door, ondanks herhaalde aanmaningen, de factuur ten bedrage van € 14.761,70 onbetaald te laten. Voorts maakt [eiser 1] op grond van artikel 6:119 BW aanspraak op vergoeding van de wettelijke rente. De reeds verschenen rente bedraagt

€ 152,87. Door de wanbetaling van de zijde van [gedaagde] zag [eiser 1] zich genoodzaakt zijn vordering ter incasso uit handen te geven en buitengerechtelijke incassokosten te maken. Deze kosten ten bedrage van € 922,62 dienen voor rekening van [gedaagde] te komen.

3.3

[gedaagde] heeft geconcludeerd tot het niet-ontvankelijk verklaren van [eiser 1] in zijn vorderingen, althans de vorderingen af te wijzen, met de veroordeling van [eiser 1] in de proceskosten. Op hetgeen hij in dit kader heeft aangevoerd, zal – voor zover van belang voor de uitkomst van de procedure – hierna worden ingegaan.

in reconventie

3.5

[eiser 2] heeft gevorderd bij vonnis [verweerder] te veroordelen aan hem te betalen een bedrag van € 8.585,34, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening.

3.6

[eiser 2] heeft daartoe – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende aangevoerd. De renovatiewerkzaamheden zijn door [verweerder] ondeugdelijk uitgevoerd en daardoor is schade ontstaan. Een van de opdrachten was om te achterhalen wat de oorzaak van de lekkages in het winkelpand onder de woning was. De oorzaak bleek een gat in het dak te zijn, welke door [verweerder] dichtgemaakt is. De lekkages bleven echter aanhouden met als gevolg een onherstelbaar beschadigd plafond van de winkel en de loopkelder. De kosten hiervan worden door [eiser 2] begroot op € 2.305,50 voor het winkelplafond en

€ 438,62 voor het plafond van de loopkelder. Ook heeft [verweerder] de vloeren op de eerste en tweede etage niet op de juiste manier aangebracht, waardoor er niveauverschillen zijn ontstaan. De vloeren moeten opnieuw opgebroken en gedemonteerd worden, hetgeen

€ 847,00 gaat kosten. Verder bestaat het vermoeden dat [verweerder] de cv-ketel, die slechts vier jaar oud was, onrechtmatig heeft toegeëigend. De cv-ketel had nog een restwaarde van

€ 375,00. Doordat [verweerder] weigerde de problemen gezamenlijk op te lossen, voelde [eiser 2] zich genoodzaakt een onafhankelijk bouwkundig rapport op te laten stellen.

De kosten daarvan bedragen € 369,00 en dienen voor rekening van [verweerder] te komen. De reeds betaalde voorschotnota ten bedrage van € 4.249,82 moet gerestitueerd worden.

3.7

[verweerder] heeft geconcludeerd tot het niet-ontvankelijk verklaren van [eiser 2] in zijn vordering, dan wel de vordering af te wijzen, met veroordeling van [eiser 2] in de proceskosten. Op hetgeen hij in dit kader heeft aangevoerd, zal – voor zover van belang voor de uitkomst van de procedure – hierna worden ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1

Ten aanzien van de door [eiser 1] gevorderde hoofdsom ten bedrage van € 14.761,70 wordt als volgt overwogen. Ter onderbouwing van zijn vordering heeft [eiser 1] uren- en kilometeroverzichten van [naam persoon 2] en [naam persoon 3] overgelegd, de twee personen die naast [eiser 1] de renovatiewerkzaamheden hebben uitgevoerd. Verder heeft [eiser 1] facturen van de gemaakte materiaalkosten en het gebruik van afvalcontainers ten behoeve van de gedane sloopwerkzaamheden overgelegd. Gelet op deze onderbouwing kan er in redelijkheid van worden uitgegaan dat [eiser 1] die kosten daadwerkelijk gemaakt heeft, te meer nu de hoogte daarvan op zichzelf niet door [gedaagde] betwist wordt. De kantonrechter begrijpt het verweer van [gedaagde] aldus dat deze vooral op de verschuldigdheid ervan ziet. De renovatiewerkzaamheden zouden binnen drie maanden afgerond moeten zijn, maar die toezegging dat zou volgens [gedaagde] niet haalbaar zijn. [eiser 1] heeft naar het oordeel van [gedaagde] veel te weinig gedaan en de renovatiewerkzaamheden die wél waren verricht, werden (grotendeels) ondeugdelijk uitgevoerd, aldus [gedaagde] .

4.2

Vooropgesteld dient te worden dat de verschuldigdheid van laatstgenoemd bedrag door [gedaagde] afhangt van de vraag of sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst door [eiser 1] op grond van artikel 6:74 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Behoudens ingeval van blijvende onmogelijkheid dient [eiser 1] in verzuim te zijn (artikel 6:74 lid 2 BW). Verzuim treedt in wanneer [eiser 1] bij een schriftelijke aanmaning een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld en nakoming binnen deze termijn uitblijft (artikel 6:82 BW). Een vaststaand gegeven is echter dat [eiser 1] nooit door [gedaagde] in gebreke is gesteld. Ter zitting heeft [gedaagde] hieromtrent nog aangevoerd dat hij uit de ontruiming van [eiser 1] op 3 april 2019 mocht afleiden dat [eiser 1] niet meer tot nakoming over zou gaan en dat daarom geen ingebrekestelling vereist is. [gedaagde] heeft [eiser 1] van het werk gestuurd. [gedaagde] diende [eiser 1] uitdrukkelijk in de gelegenheid te stellen alsnog te presteren indien hij een beroep op een toerekenbare tekortkoming wilde doen. Met betrekking tot de termijn van drie maanden, wordt opgemerkt dat deze niet als een fatale termijn was overeengekomen en het overigens nog maar de vraag was of die termijn niet gehaald zou kunnen worden. Het verweer op dit punt slaagt niet, nu [gedaagde] zelf de samenwerking ruimschoots binnen de verwachte oplevertermijn heeft stopgezet. Hierdoor kan niet in rechte vast komen te staan dat [eiser 1] niet tijdig of niet deugdelijk de renovatiewerkzaamheden zou (kunnen) afronden.

4.3

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de hoofdsom ten bedrage van € 14.761,70 toegewezen wordt.

4.4

De verschenen wettelijke rente ten bedrage van € 152,87 wordt – als niet separaat weersproken en als op de wet gegrond – toegewezen. De wettelijke rente vanaf 31 oktober 2019 wordt toegewezen op de wijze zoals hierna vermeld.

4.5

Voorts maakt [eiser 1] aanspraak op buitengerechtelijke incassokosten. Op 13 juni 2019 heeft [eiser 1] een aanmaning naar [gedaagde] verstuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW in verbinding met het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De ontvangst van deze aanmaning wordt door [gedaagde] niet betwist.

Gelet hierop zal de gevorderde vergoeding van € 922,62 voor een aangezegde hoofdsom van € 14.761,70 worden toegewezen.

4.6

[gedaagde] zal als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen als hierna vermeld, nu gelet op het arrest van de Hoge Raad van 14 februari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:335) de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich ook vooraf laten begroten.

in reconventie

4.7

Ten aanzien van de vordering ten behoeve van de herstelkosten voor de plafonds van de winkel en de loopkelder ten bedrage van in totaal € 2.744,12 (€ 2.305,50 + € 438,62) wordt als volgt overwogen.

Bij aanvang van de werkzaamheden van [verweerder] waren er reeds lekkages. [verweerder] diende immers reparaties aan het dak uit te voeren. [verweerder] heeft provisorisch werkzaamheden uitgevoerd, maar hiervoor is vastgesteld, dat [verweerder] de werkzaamheden niet mocht voltooien van [eiser 2] . De sporen van nieuwe lekkages en de kosten van reparatie daarvan komen derhalve niet voor rekening en risico van [verweerder] . Dit onderdeel van de vordering van [eiser 2] wordt dan ook afgewezen.

4.8

Het door [eiser 2] gevorderde bedrag van € 847,40 voor het demonteren van de vloeren op de eerste en tweede etage volgt hetzelfde lot.

Partijen hebben uit financiële overwegingen ervoor gekozen na verwijdering van de bestaande vloerdelen de bestaande balkenlagen te nivelleren door middel van opdikking. Uit het door [eiser 2] overgelegde rapport blijkt niet dat die werkzaamheden niet goed zijn uitgevoerd. De werkzaamheden waren nog niet geheel voltooid, maar ook ten aanzien hiervan geldt dat [verweerder] niet in verzuim is gesteld.

4.9

[eiser 2] maakt voorts aanspraak op een bedrag van € 375,00 voor het verwijderen c.q. onrechtmatig toe-eigenen van de cv-ketel.

In de offerte staat als onderdeel van de werkzaamheden vervanging van de cv-ketel. Niet is gesteld of gebleken dat [eiser 2] vooraf te kennen heeft gegeven dat hij de oude ketel wenste te houden. Dat [verweerder] deze dan ook verwijderde, zoals ook andere te vervangen zaken zijn afgevoerd- vide de containerhuur bij Afvalcontainers Rijnmond- , is niet onbegrijpelijk en maakt hem niet schadeplichtig.

4.10

Nu [eiser 2] geen recht heeft op schadevergoeding wegens wanprestatie van [verweerder] , is de vordering ten bedrage van € 369,00 voor het laten opmaken van een onafhankelijk bouwkundig rapport evenmin toewijsbaar, nog daargelaten dat het rapport is opgemaakt in hoofdzaak ter keuring van het gehele pand [adres] en niet specifiek is gericht op inspectie van de werkzaamheden van [verweerder] .

4.11

[verweerder] heeft in zijn factuur het voldane voorschot verdisconteerd. Overigens heeft [verweerder] zijn vordering met facturen van derden onderbouwd. Nu zijn vordering in conventie wordt toegewezen, is dit onderdeel van de reconventionele vordering niet toewijsbaar.

4.12

[eiser 2] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van [verweerder] .

5. De beslissing

De kantonrechter:

In conventie

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser 1] tegen kwijting te betalen een bedrag van € 15.837,19 aan hoofdsom, buitengerechtelijke incassokosten en verschenen rente, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 31 oktober 2019 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser 1] vastgesteld op € 571,18 aan verschotten en € 900,00 (2,5 punt à € 360,00) aan salaris voor de gemachtigde, en tevens, indien [gedaagde] niet binnen 14 dagen na de datum van het onderhavige vonnis (vrijwillig) aan dit vonnis heeft voldaan, een bedrag van € 120,00 aan nasalaris. Indien daarna betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, dient het bedrag aan nasalaris nog te worden verhoogd met de kosten van betekening;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

in reconventie

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eiser 2] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] vastgesteld op € 150,00 aan salaris voor de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. Kemp-Randewijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44240