Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:8070

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-08-2020
Datum publicatie
16-09-2020
Zaaknummer
8234952 CV EXPL 19-54148
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet-betaalde premie c.q. eigen bijdrage zorgverzekeraar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8234952 CV EXPL 19-54148

uitspraak: 14 augustus 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de naamloze vennootschap

Menzis Zorgverzekeraar N.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Wageningen,

eiseres,

gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V. te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde]

gedaagde,

gemachtigde: mr. R.W.J.M. te Pas, advocaat te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als “Menzis” respectievelijk “ [gedaagde] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 17 december 2019, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het tussenvonnis d.d. 27 februari 2020, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;

  • -

    de conclusie van repliek tevens houdende vermeerdering van eis, met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek met productie.

1.2

De bij vonnis van 27 februari 2020 geplande mondelinge behandeling op 2 april 2020 heeft in verband met de coronacrisis geen doorgang kunnen vinden. Gelet daarop is de procedure schriftelijk voortgezet. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk dan wel mondeling nader toe te lichten. Partijen hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt en voormelde conclusies genomen.

1.3

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende vaststaande feiten.

2.1

[gedaagde] heeft met Menzis één of meerdere zorgverzekeringsovereenkomsten gesloten als bedoeld in artikel 3 van de Zorgverzekeringswet. Op grond daarvan is [gedaagde] aan Menzis bij vooruitbetaling periodiek premie verschuldigd. Indien [gedaagde] aanspraak maakt op vergoeding van de aan hem verleende zorg, geldt een verplicht eigen risico.

2.2

Menzis heeft aan [gedaagde] een drietal facturen verstuurd die betrekking hebben op de door [gedaagde] aan Menzis verschuldigde premie over de periode 1 januari 2012 tot

30 september 2012 en de maanden oktober en november 2018. Het totaal van de factuurbedragen bedraagt € 1.367,36. [gedaagde] heeft deze facturen onbetaald gelaten.

2.3

Voorts heeft Menzis aan [gedaagde] een vijftiental facturen verstuurd die betrekking hebben op het door [gedaagde] aan Menzis verschuldigde eigen risico vanaf 22 maart 2011 tot en met 22 september 2018. Het totaal van de factuurbedragen bedraagt € 2.610,04. [gedaagde] heeft deze facturen eveneens onbetaald gelaten.

3. De vordering

3.1

Menzis heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van € 1.721,46, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 1.367,36, te berekenen vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

Aan haar vordering heeft Menzis – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – ten grondslag gelegd dat [gedaagde] in gebreke is gebleven met de betaling van de onder 2.2 genoemde facturen, terwijl hij wel gehouden was deze te voldoen. Daarnaast maakt Menzis op grond van artikel 6:119 BW aanspraak op vergoeding van de wettelijke rente over de hoofdsom van € 1.367,36 vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag der algehele voldoening. De reeds verschenen rente bedraagt € 161,61. Door de wanbetaling van de zijde van [gedaagde] zag Menzis zich genoodzaakt haar vordering ter incasso uit handen te geven en buitengerechtelijke incassokosten te maken. Deze kosten ten bedrage van € 243,55 (inclusief btw) dienen voor rekening van [gedaagde] te komen.

3.2

[gedaagde] heeft – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – erkend dat sprake is van een betalingsachterstand en hij is bereid een regeling daarvoor te treffen. Menzis heeft meerdere vorderingen bij [gedaagde] lopen, maar vanwege het feit dat elk van deze vorderingen als een op zichzelf staande vordering wordt beschouwd, komen er telkens onnodige kosten bij. [gedaagde] heeft derhalve Menzis verzocht de vorderingen samen te voegen.

3.3

In reactie op voornoemd verzoek heeft Menzis bij repliek haar eis vermeerderd met de aparte vordering die zij heeft zoals genoemd onder 2.3. Door deze samenvoeging is de gevorderde hoofdsom verhoogd naar een bedrag van € 3.977,40 (€ 1.367,36 + € 2.610,04), de verschenen rente bedraagt € 469,49 (€ 161,61 + € 307,88) en de buitengerechtelijke kosten bedragen € 998,81 (€ 243,55 + € 755,26).

3.4

Op de overige stellingen van partijen wordt hierna – indien van belang voor de uitkomst van de procedure – teruggekomen.

4. De beoordeling

4.1

Ten aanzien van de betalingsachterstand wordt als volgt overwogen. De vermeerderde hoofdsom ten bedrage van € 3.977,40 wordt door [gedaagde] niet betwist. Gelet daarop wordt in beginsel uitgegaan van de juistheid van de stellingen van Menzis. [gedaagde] heeft buiten de aanmaningstermijnen om een bedrag van in totaal € 476,07 (€ 0,50 + € 50,56 + € 425,01) voldaan, hetgeen in mindering wordt gebracht op de gevorderde hoofdsom. Aan hoofdsom is derhalve een bedrag van € 3.501,33 toewijsbaar.

4.2

[gedaagde] heeft (onder meer) geconcludeerd tot afwijzing van de wettelijke rente, maar hij heeft deze stelling onvoldoende nader onderbouwd, hetgeen wel op zijn weg had gelegen nu hij niet betwist heeft bovengenoemde hoofdsom verschuldigd te zijn. De verschenen wettelijke rente ten bedrage van € 469,49 (zijnde € 42,27 + € 307,88) zal daarom – als op de wet gegrond – worden toegewezen. De wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding wordt toegewezen op de wijze zoals hierna vermeld.

4.3

Menzis maakt verder aanspraak op buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van

€ 998,81 (inclusief btw). Deze vordering dient beoordeeld te worden aan de hand van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. In deze beoordeling worden uitsluitend de overgelegde aanmaningen die voldoen aan de in artikel 6:96, zesde lid BW gestelde eisen, meegenomen. Voor de vaststelling van de aan Menzis toekomende vergoeding voor incassokosten zal worden uitgegaan van het totaalbedrag waarvoor [gedaagde] kosteloos een betalingstermijn van 14 dagen na bezorging is gegund om alsnog aan de vordering te voldoen. Het betreft een totaalbedrag van € 1.560,34, te weten de aanmaningen van 28 november 2018 (hoofdsom € 891,36), 20 december 2018 (hoofdsom
€ 476,00) en 21 december 2018 (hoofdsom € 192,98). Alle overige aanmaningen blijven buiten beschouwing, omdat deze niet voldoen aan de door de Hoge Raad ontwikkelde eisen, nu daarin slechts een kosteloze 14-dagen termijn na dagtekening of twee dagen na dagtekening aan [gedaagde] wordt gegund. Nu Menzis meer dan één vordering op [gedaagde] heeft, dienen conform artikel 6:96 lid 7 BW de hoofdsommen van de vorderingen bij elkaar te worden opgeteld voor de vaststelling van de hoogte van het tarief. Dit betekent dat een bedrag van € 283,20 (inclusief btw) aan buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen.

4.4

Bij conclusie van repliek heeft Menzis een afbetalingsvoorstel gedaan van € 100,00 per maand naast de lopende premieverplichtingen, zulks onder de volgende voorwaarden:

“de eerste aflossing dient uiterlijk binnen te zijn bij de gemachtigde van eiseres op de 1e dag van de maand, volgend op de uitspraak;

gedaagde betaalt de aflossingen elke maand stipt op tijd aan de gemachtigde van eiseres en de lopende premie en de nieuwe nota’s aan eigen risico stipt op tijd aan eiseres zelf;

indien gedaagde de lopende premie, nieuwe nota’s terzake van het eigen risico en/of de aflossing niet stipt op tijd betaalt, vervalt de betalingsregeling en wordt het restantverschuldigde volledig en ineens opeisbaar.”

[gedaagde] heeft bij conclusie van dupliek te kennen gegeven akkoord te zijn met de hoogte van het maandelijks af te lossen bedrag. Nu [gedaagde] geen separaat verweer heeft gevoerd tegen bovengenoemde voorwaarden, zal de kantonrechter conform deze door Menzis voorgestelde regeling beslissen en die betalingsregeling opnemen in dit vonnis.

4.5

[gedaagde] zal als de in het (grotendeels) ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van Menzis.

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan Menzis te betalen een bedrag van € 4.254,02 aan hoofdsom, verschenen wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over een bedrag van € 3.501,33 vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak van de zijde van Menzis vastgesteld op € 589,07 aan verschotten en € 360,00 (2 punten à € 180,00) aan salaris voor de gemachtigde;

staat [gedaagde] toe om het totaal van de aan Menzis verschuldigde bedragen, inclusief rente en kosten zoals hierboven genoemd te betalen in maandelijkse termijnen van € 100,00,

telkens te betalen aan de gemachtigde van Menzis uiterlijk op de eerste dag van de maand, voor het eerst uiterlijk op 1 september 2020, met dien verstande dat deze aflossing geschiedt naast de lopende premieverplichtingen en nieuwe nota’s, welke [gedaagde] stipt op tijd aan Menzis zelf dient te voldoen;

bepaalt dat wanneer [gedaagde] de lopende premieverplichtingen, de nieuwe nota’s terzake van het eigen risico en/of de aflossing niet stipt op tijd betaalt, het ingevolge dit vonnis nog verschuldigde bedrag volledig en ineens opeisbaar zal zijn;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44240