Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:8069

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-08-2020
Datum publicatie
16-09-2020
Zaaknummer
8304337 CV EXPL 20-4234
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Comparitievonnis O+O.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8304337 CV EXPL 20-4234

uitspraak: 14 augustus 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de stichting

Stichting Havensteder,

gevestigd en kantoorhoudende te Rotterdam,

eiseres,

gemachtigde: Syncasso Gerechtsdeurwaarders te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] , gemeente [gemeente] ,

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als “Havensteder” respectievelijk “ [gedaagde] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 31 januari 2020, met producties;

  • -

    de aantekeningen van de griffier van het mondelinge antwoord van [gedaagde] ;

  • -

    de nadere schriftelijke toelichting van [gedaagde] , met producties;

  • -

    het tussenvonnis van de kantonrechter d.d. 27 februari 2020, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;

  • -

    de conclusie van repliek, met productie;

  • -

    de aantekeningen van de griffier van de mondelinge reactie van [gedaagde] .

1.2

De bij vonnis van 27 februari 2020 geplande mondelinge behandeling op 3 april 2020 heeft in verband met de coronacrisis geen doorgang kunnen vinden. Gelet daarop is de procedure schriftelijk voortgezet. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk dan wel mondeling nader toe te lichten. Partijen hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt en voormelde conclusie genomen c.q. reactie kenbaar gemaakt.

1.3

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1

Havensteder heeft middels de overeenkomst d.d. 6 en 9 december 2011 aan [gedaagde] verhuurd de bedrijfsruimte met eventuele aanhorigheden, gelegen aan het adres [adres] in Rotterdam (hierna: het gehuurde), tegen een huurprijs van laatstelijk € 1.110,89 per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. De huurovereenkomst is aangegaan voor de duur van vijf jaar, ingaande op 1 januari 2012 en op 1 januari 2017 verlengd tot 1 februari 2022. Op de huurovereenkomst zijn ‘de algemene bepalingen huurovereenkomst winkelruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW’ (versie 15 augustus 2008) van toepassing (hierna: de algemene huurvoorwaarden). [gedaagde] exploiteert in het gehuurde een kapperszaak.

2.2

In artikel 8.2 van bovengenoemde huurovereenkomst is het volgende vermeld:

“Huurder heeft van de vorige huurder overgenomen: toilet inclusief rioleringsafvoer, pantry, cv-installatie, systeemplafond inclusief airco-unit, keukenblok, inbouwkasten, zeil, boiler, zonwering, elektrische installatie en waterleidingsinstallatie.

Huurder is gehouden alle om-niet overgedragen zaken aan het eind van de huurovereenkomst goed onderhouden en juist functionerend weer aan verhuurder op te leveren. Huurder dient zelf voor onderhoud van deze voorzieningen zorg te dragen.”

2.3

In artikel 34 van de algemene huurvoorwaarden is het volgende vermeld:

“Indien huurder zich, na door de verhuurder behoorlijk in gebreke te zijn gesteld, niet houdt aan de in de huurovereenkomst en in deze algemene bepalingen opgenomen voorschriften verbeurt huurder aan verhuurder, voor zover geen specifieke boete is overeengekomen, een direct opeisbare boete van € 250,00 per kalenderdag voor elke kalenderdag dat huurder in verzuim is. Het vorenstaande laat onverlet het recht van verhuurder op volledige schadevergoeding, voor zover de geleden schade de verbeurde boete overtreft.”

3. Het geschil

3.1

Havensteder heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de voormelde huurovereenkomst tussen partijen te ontbinden, met de veroordeling van [gedaagde] om het gehuurde binnen 14 dagen na betekening van het vonnis met al de zich daarin bevindende personen en roerende zaken, voor zover deze laatste het eigendom van Havensteder niet zijn, te verlaten en te ontruimen en met afgifte van de sleutels en alles wat verder tot het gehuurde behoort, in behoorlijke staat op te leveren en ter algehele beschikking van Havensteder te stellen;

  2. [gedaagde] te veroordelen aan Havensteder te betalen een bedrag van € 4.634,43, te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom na de genoemde betalingen, alsmede een bedrag van € 1.110,89 per maand of gedeelte daarvan dat [gedaagde] het gehuurde na 31 januari 2020 tot en met de expiratiedatum in gebruik zal houden, dan wel dat Havensteder de bedrijfsruimte heeft verhuurd aan een derde, alsmede de contractuele boete van € 250,00 per dag voor iedere maand dat [gedaagde] vanaf heden in gebreke blijft met de betaling van de maandelijks verschuldigde huurprijs;

  3. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.

3.2

Aan haar vordering heeft Havensteder – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – ten grondslag gelegd dat [gedaagde] een huurachterstand heeft laten ontstaan die, berekend tot en met 31 januari 2020, € 4.413,30 bedraagt. Dit levert een ernstige tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst op van de zijde van [gedaagde] , waardoor ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde gerechtvaardigd is. Op grond van artikel 34 van de algemene huurvoorwaarden dient [gedaagde] een contractuele boete van € 250,00 per dag te betalen over de onbetaalde vervallen huurpenningen.
De hoogte van deze contractuele boete is op de dag van de dagvaarding arbitrair vastgesteld op € 1.000,00. Voorts maakt Havensteder aanspraak op de wettelijke rente. Door de wanbetaling van de zijde van [gedaagde] zag Havensteder zich genoodzaakt haar gemachtigde in te schakelen en buitengerechtelijke incassokosten te maken. Deze kosten ten bedrage van € 196,13 (inclusief btw) dienen voor rekening van [gedaagde] te komen. Na interventie van de deurwaarder heeft [gedaagde] een bedrag van € 975,00 aan Havensteder voldaan. Bij repliek heeft Havensteder de huurachterstand tot en met de maand juni 2020 berekend op een bedrag van € 7.881,86, waarbij rekening is gehouden met genoemde betaling van € 975,00.

3.3

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Daarbij heeft hij - kort samengevat -aangevoerd dat hij verschillende keren last heeft gehad van lekkages in het gehuurde en dat slechts een paar plafondtegels zijn hersteld, waardoor er kleurverschil te zien is. Bovendien is er sprake van achterstallig onderhoud, met name in de tuin, nu zonder enige vorm van overleg door Havensteder de erfafscheiding bestaande uit bomen en struiken weggehaald is. In zijn nadere reactie heeft [gedaagde] aangevoerd dat hij inmiddels zes maanden huur aan Havensteder betaald heeft en dat hij hoopt dat hij snel met de verhuurder om de tafel kan gaan zitten.

4. De beoordeling

4.1.

De kantonrechter acht het gewenst om alsnog een mondelinge behandeling te gelasten, opdat partijen nadere inlichtingen kunnen verstrekken en getracht kan worden om het tussen partijen gerezen geschil alsnog in der minne op te lossen.

4.2.

Ter voorbereiding van die mondelinge behandeling dient Havensteder uiterlijk tien dagen te voren een deugdelijke specificatie van de eventuele huurachterstand in het geding te brengen. Mocht blijken dat [gedaagde] het met die specificatie niet eens is en stelt dat hij verdere huurbetalingen aan Havensteder heeft gedaan, waarmee zij geen rekening heeft gehouden, ligt het op de weg van [gedaagde] om minimaal drie dagen voor de te houden mondelinge behandeling van die betaling(en) betalingsbewijzen in het geding te brengen door die aan de kantonrechter en aan de gemachtigde van Havensteder toe te sturen.

4.2

Het staat [gedaagde] tevens vrij om ter voorbereiding van de mondelinge behandeling van de zaak foto’s in het geding te brengen, waaruit blijkt hoe de situatie met de tuin en de erfafscheiding op dit moment is. Ook die foto’s dient [gedaagde] toe te sturen aan de kantonrechter en aan de gemachtigde van Havensteder.

4.3

Alle overige stukken die op de zaak betrekking (kunnen) hebben en die nog niet in het geding zijn gebracht, dienen door de partij die deze ter sprake wil brengen aan de kantonrechter en aan de wederpartij te worden toegezonden. Deze stukken dienen uiterlijk tien dagen vóór de mondelinge behandeling in het bezit te zijn van de kantonrechter en de wederpartij.

4.4

[gedaagde] dient zelf ter zitting aanwezig te zijn en van Havensteder wordt verlangd dat zij zich tijdens de mondelinge behandeling laat vertegenwoordigen door een persoon die op de hoogte is van de feiten met betrekking tot deze kwestie. Deze vertegenwoordiger moet schriftelijk gemachtigd zijn, ook tot het treffen van een minnelijke regeling.

4.5

Indien een partij verhinderd is op de hierna in het dictum genoemde datum en tijd, dient deze partij dat binnen een week na ontvangst van dit vonnis schriftelijk aan de kantonrechter mede te delen, onder gelijktijdige toezending van een afschrift daarvan aan de

(gemachtigde van de) wederpartij. Bij dat bericht dient, voor zover mogelijk, ook direct opgaaf te worden gedaan van de verhinderdata van beide partijen voor de dan komende drie maanden.

4.6

De kantonrechter wijst partijen er op dat het niet voldoen aan voormelde instructies gevolgen kan hebben voor het verdere verloop van de procedure.

4.7

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5. De beslissing

De kantonrechter, alvorens verder te beslissen:

- bepaalt dat partijen, [gedaagde] in persoon en Havensteder behoorlijk vertegenwoordigd, desgewenst met hun gemachtigden op donderdag 17 september 2020 om 15.00 uur dienen te verschijnen op de mondelinge behandeling ten overstaan van de hierna genoemde kantonrechter; de mondelinge behandeling zal plaatsvinden in het gerechtsgebouw, Wilhelminaplein 100 te Rotterdam;

- wijst partijen uitdrukkelijk op hetgeen hiervoor omtrent het verzetten van de zitting en het in het geding brengen van nadere stukken is bepaald.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44240/710

4.10

[gedaagde] zal, als de in het (grotendeels) ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van Havensteder.

6. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan Havensteder te betalen een bedrag van € 9.077,99 aan huurachterstand tot en met juni 2020, buitengerechtelijke incassokosten en verschenen contractuele boete, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over het saldo vanaf de dag van de dagvaarding dat aan huurachterstand, exclusief kosten, telkens, na elke credit- en debetmutatie, heeft uitgestaan, tot de dag van algehele voldoening;

ontbindt de bovengenoemde huurovereenkomst tussen Havensteder en [gedaagde] ter zake van het gehuurde, gelegen aan het adres [adres] te Rotterdam en veroordeelt [gedaagde] om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle personen en zaken die zich vanwege [gedaagde] daar bevinden en het gehuurde geheel ontruimd onder overgave van de sleutels ter vrije beschikking van Havensteder te stellen en te laten;

veroordeelt [gedaagde] om aan Havensteder te betalen een bedrag van € 1.110,89 voor iedere maand of gedeelte daarvan vanaf 1 juli 2020 tot het tijdstip van ontruiming;

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een schadevergoeding in verband met de voortijdige ontbinding van de huurovereenkomst, nader op te maken bij staat;

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de contractuele boete van € 250,00 per kalenderdag voor iedere maand dat [gedaagde] vanaf de dag van de dagvaarding tot de datum van ontbinding van bovengenoemde huurovereenkomst in gebreke is gebleven met de betaling van de maandelijks verschuldigde huurprijs;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak van de zijde van Havensteder vastgesteld op € 599,89 aan verschotten en € 480,00 (2 punten à € 240,00) aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44240