Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:8067

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-08-2020
Datum publicatie
16-09-2020
Zaaknummer
8577670 CV EXPL 20-19545
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

O+O bedrijfsruimte. Uitgetreden vennoot is aansprakelijk voor de huurachterstand die is ontstaan na zijn uittreding, in het kader van rechtszekerheid voor de schuldeiser. De huurovereenkomst is uit naam van de vof gesloten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8577670 CV EXPL 20-19545

uitspraak: 14 augustus 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser,

gemachtigde: R.A.M. Vismans, gerechtsdeurwaarder te Rotterdam,

tegen

1. [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats gedaagde 1] ,

gedaagde,

procederend in persoon,

en

2. [gedaagde 2] ,

wonende te [woonplaats gedaagde 2] ,

gedaagde,

procederend in persoon.

Eiser wordt hierna aangeduid als “ [eiser] ” en gedaagden worden hierna gezamenlijk aangeduid als “ [gedaagde 1] c.s.”. Afzonderlijk blijven gedaagden hierna aangeduid als “ [gedaagde 1] ” en “ [gedaagde 2] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 4 juni 2020, met producties;

  • -

    de aantekeningen van de griffier van het mondelinge antwoord van (de echtgenote van) [gedaagde 1] , zonder producties;

  • -

    de aantekeningen van de griffier van het mondelinge antwoord van [gedaagde 2] , zonder producties;

  • -

    het tussenvonnis van 22 juni 2020, waarin een mondelinge behandeling is bepaald.

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 juli 2020 te 10:00 uur. Van de zijde van [eiser] zijn verschenen gevolmachtigden [naam persoon 1] en [naam persoon 2] (werkzaam bij [naam vastgoedbedrijf] ) en de gemachtigde voornoemd. Van de zijde van [gedaagde 1] c.s. is [gedaagde 2] verschenen. Van hetgeen ter zitting is besproken heeft de griffier aantekening gehouden.

1.3

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten.

2.1

[eiser] heeft aan de vennootschap onder firma [naam firma] , vertegenwoordigd door haar vennoten [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , voor bepaalde tijd verhuurd de bedrijfsruimte, gelegen aan het adres [adres] te Rotterdam, voor een huurprijs van laatstelijk € 1.302,37 per maand (hierna: het gehuurde). De huurprijs dient maandelijks bij vooruitbetaling voldaan te worden.

2.2

Op deze huurovereenkomst zijn ‘de algemene bepalingen huurovereenkomst winkelruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW’ (hierna: de algemene huurvoorwaarden) van toepassing.

2.3

De vennootschap onder firma [naam firma] is per 18 januari 2019 uitgeschreven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel (hierna: KvK). [gedaagde 2] heeft met ingang van 10 januari 2019 bovengenoemde onderneming voortgezet als eenmanszaak.

3. Het geschil

3.1

[eiser] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. bovengenoemde huurovereenkomst te ontbinden en [gedaagde 1] c.s. te veroordelen het gehuurde binnen acht dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis met al de zijnen/haren en al het zijne/hare te verlaten en te ontruimen en met afgifte der sleutels ter vrije en algehele beschikking van [eiser] te stellen;

  2. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van

€ 9.016,55, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 8.113,85 vanaf de dag der dagvaarding tot de dag van algehele voldoening, alsmede een bedrag van € 1.302,37 voor iedere maand dat [gedaagde 1] c.s. het gehuurde in gebruik houdt, een ingegane maand voor een volle gerekend;

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [eiser] een bedrag van € 1.302,37 voor iedere maand, een ingegane maand voor een volle maand gerekend, vanaf de datum van de ontruiming tot aan het tijdstip dat [eiser] het gehuurde onder dezelfde omstandigheden aan een ander heeft verhuurd, ten hoogste tot 31 oktober 2021, zijnde de expiratiedatum van de huurovereenkomst;

[gedaagde 1] c.s. te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de btw en de wettelijke rente, ingaande de vijftiende dag na heden.

3.2

Aan zijn vordering heeft [eiser] - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - ten grondslag gelegd dat [gedaagde 1] c.s. toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de huurovereenkomst door, ondanks aanmaning, sinds april 2019 een huurachterstand te laten ontstaan die berekend tot en met mei 2020 € 8.113,85 bedraagt. Het vorenstaande leidt ertoe dat ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde gerechtvaardigd is. Daarnaast maakt [eiser] op grond van artikel 6:119a BW aanspraak op vergoeding van de wettelijke handelsrente vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag der algehele voldoening. De reeds verschenen rente bedraagt

€ 70,28. Door de wanbetaling van de zijde van [gedaagde 1] c.s. zag de stichting zich genoodzaakt haar vordering ter incasso uit handen te geven en een gerechtelijke procedure te starten. Deze buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 832,42 (inclusief btw) dienen voor rekening van [gedaagde 1] c.s. te komen.

3.3

[gedaagde 2] heeft de hoogte van de huurachterstand erkend en geeft daarbij aan graag een betalingsregeling te willen treffen. [gedaagde 1] heeft aangevoerd al anderhalf jaar geen vennoot meer te zijn. [gedaagde 2] heeft sinds januari 2019 de onderneming zelfstandig voortgezet en [gedaagde 1] is derhalve niet op de hoogte van de aanwezigheid van een betalingsachterstand.

3.4

Op de overige stellingen van partijen wordt – indien van belang voor de uitkomst van de procedure – hierna teruggekomen.

4. De beoordeling

4.1

Ten aanzien van de huurachterstand wordt als volgt overwogen. [gedaagde 2] heeft de hoogte van de vordering erkend, waardoor het bedrag van € 8.113,85 toewijsbaar is. Het enige geschilpunt dat hieromtrent nog resteert is de vraag of [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ieder hoofdelijk veroordeeld kunnen worden tot betaling van laatstgenoemd bedrag nu de betalingsachterstand is ontstaan ná de datum van uittreding van [gedaagde 1] als vennoot.

4.2

Anders dan de kantonrechter ter zitting aangaf, luidt het antwoord op deze vraag bevestigend. Vaststaat dat de huurovereenkomst is aangegaan uit naam van de vennootschap onder firma [naam firma] en dat zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] de huurovereenkomst hebben ondertekend in hoedanigheid van vertegenwoordiger. Met deze ondertekening hebben beide vennoten zich tegenover [eiser] hoofdelijk (ieder voor het geheel) verbonden om tot de einddatum van de huurovereenkomst, in casu 31 oktober 2021, de huurtermijnen te voldoen. De hoofdelijke aansprakelijkheid van een vennoot eindigt derhalve niet zomaar door diens uittreden of door de ontbinding van de vennootschap

(Vgl. ECLI:NL:GHARN:2011:BP5692). Het had op de weg van [gedaagde 1] gelegen om ten tijde van zijn uittreding als vennoot [eiser] expliciet te vragen hem te ontslaan van zijn hoofdelijke aansprakelijkheid. Dat is echter niet gebeurd.

4.3

Het vorenstaande leidt dan ook tot de conclusie dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeeld worden tot betaling van een bedrag van € 8.113,85 aan huurachterstand berekend tot en met mei 2020, daargelaten dat [gedaagde 1] op grond van artikel 6:10 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) regres kan nemen op [gedaagde 2] . Het uitgangspunt van hoofdelijke veroordeling heeft in beginsel te gelden bij alle door [eiser] gevorderde geldbedragen, een en ander voor zover hierna niet anders blijkt.

4.4

De hoogte van de betalingsachterstand rechtvaardigt ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. Deze vordering wordt dan ook toegewezen. De ontruimingstermijn wordt gesteld op veertien dagen.

4.5

[eiser] maakt aanspraak op een vergoeding van schade in verband met de voortijdige beëindiging van de huurovereenkomst, bestaande uit gederfde huurinkomsten over de tijd dat de huurovereenkomst zou hebben voortgeduurd, indien deze niet ontbonden was. De gevorderde gebruikersvergoeding van € 1.302,37 vanaf de maand juni 2020 tot de datum van ontruiming wordt toegewezen op de wijze zoals hierna vermeld. Over de periode nadat ontruiming heeft plaatsgevonden is begroting van die schade op grond van de beschikbare gegevens niet mogelijk. Immers vooralsnog is niet ondenkbaar dat het pand eerder aan een derde weer verhuurd wordt. Daarom zal de kantonrechter [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , veroordelen tot betaling van een schadevergoeding op te maken bij staat.

4.6

De meegevorderde (verschenen) wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten zijn door [gedaagde 1] c.s. niet bestreden en worden derhalve toegewezen op de wijze zoals hierna vermeld.

4.7

[gedaagde 1] c.s. zal, als de in het (grotendeels) ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, in die zin dat als één betaalt, de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 9.016,55 aan huurachterstand tot en met mei 2020, verschenen wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten,

vermeerderd met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over het saldo vanaf de dag van de dagvaarding dat aan huurachterstand, exclusief kosten, telkens, na elke credit- en debetmutatie, heeft uitgestaan, tot de dag van algehele voldoening;

ontbindt de bovengenoemde huurovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde 1] c.s. ter zake van het gehuurde gelegen aan het adres [adres] te Rotterdam en veroordeelt [gedaagde 1] c.s. om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle personen en zaken die zich vanwege [gedaagde 1] c.s. daar bevinden en het gehuurde geheel ontruimd onder overgave van de sleutels ter vrije beschikking van [eiser] te stellen en te laten;

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, in die zin dat als één betaalt, de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.302,37 voor iedere maand of gedeelte daarvan vanaf 1 juni 2020 tot het tijdstip van ontruiming;

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, in die zin dat als de één betaalt, de ander zal zijn bevrijd, tot betaling van een schadevergoeding in verband met de voortijdige ontbinding van de huurovereenkomst, nader op te maken bij staat;

veroordeelt [gedaagde 1] c.s. in de proceskosten, tot aan deze uitspraak van de zijde van [eiser] vastgesteld op € 341,03 aan verschotten en € 300,00 aan salaris voor de gemachtigde, genoemde bedragen te vermeerderen met de verschuldigde rente vanaf vijftien dagen na de uitspraak van het vonnis tot aan de dag der voldoening;

verstaat dat het salaris voor de gemachtigde ten bedrage van € 300,00 te verhogen is met de btw daarover;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. Kemp-Randewijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44240