Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:8063

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-08-2020
Datum publicatie
15-09-2020
Zaaknummer
8252586 CV EXPL 20-1036
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Factuur gedeeltelijk niet voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8252586 CV EXPL 20-1036

uitspraak: 21 augustus 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiseres]

,

gevestigd te [vestigingsplaats eiseres] (gemeente [gemeente] ),

eiseres,

gemachtigde: Incasso- & Juridisch Adviesbureau De Zuid-Hollandse Eilanden te Strijen,

tegen

[gedaagde] ,

handelend onder de naam [handelsnaam] ,

wonende en zaakdoende te [woonplaats gedaagde] (gemeente [gemeente] ),

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [eiseres] ” respectievelijk “ [gedaagde] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

 het exploot van dagvaarding d.d. 20 december 2019, met producties 1 tot en met 8;

 het verweerschrift van [gedaagde] , met producties 1 tot en met 3;

 het vonnis van deze rechtbank van 5 maart 2020, waarbij een mondelinge behandeling is gelast;

 de brief van 11 maart 2020 van [eiseres] , met productie 9;

 de brief van de rechtbank van 17 maart 2020, waarin staat dat vanwege de sluiting van de rechtbank de geplande zitting geen doorgang zal vinden;

 de conclusie van repliek, met producties 9 tot en met 18;

 de schriftelijke reactie van [gedaagde] , met producties 1 tot en met 3;

 de akte uitlating producties van [eiseres] .

1.2.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

In het kader van de onderhavige procedure wordt van de volgende vaststaande feiten uitgegaan.

2.1.

[eiseres] heeft in opdracht van en voor rekening voor [gedaagde] werkzaamheden uitgevoerd ten behoeve van de bedrijfsauto van [gedaagde] . Op 31 mei 2018 heeft [eiseres] ter zake een factuur naar [gedaagde] verstuurd voor een bedrag van € 9.609,20 (€ 7.941,49 te vermeerderen met € 1.667,71 btw).

2.2.

De in 2.1 bedoelde factuur is door de verzekeraar van gedaagde voldaan onder inhouding van het eigen risico van € 250,- en het btw bedrag van € 1.667,71.

2.3.

Per brieven van 18 juni 2018, 11 september 2018 en 9 november 2018 heeft [eiseres] [gedaagde] verzocht het bedrag van (€ 1667,71 + € 250,-) € 1.917,71 te voldoen. Nadien zijn nog diverse aanmaningen verstuurd.

2.4.

[gedaagde] heeft vervolgens de volgende betalingen verricht:

  • -

    op 12 november 2018: € 600,-;

  • -

    op 15 april 2019: € 50,-;

  • -

    op 30 april 2019: € 100,-;

2.5.

Per e-mail van 4 juni 2019 heeft [eiseres] aan [gedaagde] geschreven – voor zover hier van belang –:

“(…). Ik moet het restantbedrag van 1167,71 euro binnen 3 maanden van je ontvangen. Tot 04–09 krijg je van mij nog de tijd om dit te voldoen, als het niet voor deze datum binnen is ben ik genoodzaakt om het uit handen te geven. (…)”

2.6.

Per brief van 4 september 2019 heeft de gemachtigde van [eiseres] een aanmaning gestuurd aan [gedaagde] met betrekking tot het restbedrag van € 1.167,71. In deze brief is tevens aanspraak gemaakt op buitengerechtelijke incassokosten.

2.7.

Tussen partijen is vervolgens overeengekomen dat het restant bedrag van € 1.167,71 in maandelijkse termijnen van € 200,- zou worden voldaan, met ingang van 1 oktober 2019. Daarop zijn [gedaagde] de volgende betalingen verricht:

  • -

    op 1 oktober 2019: € 200,-;

  • -

    op 7 november 2019: € 200,-;

  • -

    op 21 december 2019: € 200,-;

  • -

    op 7 januari 2020: € 200,-;

  • -

    op 25 februari 2020: € 200-.

2.8.

In een e-mail van de gemachtigde van [eiseres] aan [gedaagde] van 9 december 2019 staat – voor zover hier van belang –:

“Refererend aan ons telefonisch onderhoud van hedenmorgen waarin u mij te kennen gaf de toegestane uitstelregeling van € 200,00 voor deze maand per de 1ste van de maand te voldoen niet kunt nakomen wegens klaarblijkelijk tegenvallende inkomsten en eerst omstreeks 25 december 2019 € 100,00 of misschien € 150,00 van het salaris van uw partner kunt voldoen. Ik heb uw klaarblijkelijk probleem aan cliënte ( [eiseres] ) voorgelegd en stelt dat het toegestane uitstelregeling onverkort nagekomen dient te worden en dat bij gebreken daarvan u onverwijld voor de kantonrechter gedagvaard moet worden. Ik verzoek u derhalve om de uitstelregeling te kunnen voortzetten zorg te dragen voor de betaling van de termijn van € 200,00 uiterlijk woensdag 11 december 2019 op mijn bankrekening (…), bij gebreke waarvan de uitstelregeling definitief en zonder nadere kennisgeving terstond en onherroepelijk als vervallen en ingetrokken worden beschouwd, waarop u in rechte geen beroep meer kunnen doen (…)”

3. Het geschil

3.1.

[eiseres] heeft, na vermindering van eis, gevorderd bij vonnis, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van € 500,73, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over € 1.100,73 vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

Aan deze vordering heeft [eiseres] – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende ten grondslag gelegd. Van het door [gedaagde] verschuldigde bedrag van € 1.917,71 heeft [gedaagde] , na aanmaningen, in eerste instantie slechts € 750,- betaald (zie 2.4). De in 2.7 bedoelde betalingsregeling voor het resterende bedrag van € 1.167,71 hield in dat [gedaagde] per de eerste van de maand € 200,- zou betalen, ingaande 1 oktober 2019. [gedaagde] heeft alleen de eerste termijn tijdig voldaan, waarna de regeling is komen te vervallen (zie 2.9). Met inachtneming van de betalingen na de dagvaarding (zie 2.7) is [gedaagde] aan hoofdsom thans nog € 167,71 verschuldigd. Voorts maakt [eiseres] aanspraak op de wettelijke handelsrente, waaronder een bedrag van € 157,86 aan verschenen rente. Door de wanbetaling aan de zijde van [gedaagde] zag [eiseres] zich genoodzaakt de vordering uit handen te geven. De als gevolg daarvan verschuldigd geworden buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 175,16 dienen voor rekening van [gedaagde] te komen.

3.3.

[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] . Daartoe heeft hij – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende aangevoerd. De hoofdsom bedraagt nu nog maar € 167,71. De schade is niet binnen een redelijke termijn gerepareerd. Daarom is het vorderen van wettelijke handelsrente niet op zijn plaats. [gedaagde] heeft een financieel moeilijke periode doorgemaakt. Daarom heeft hij [eiseres] meermaals een betalingsregeling voorgesteld en is uiteindelijk de in 2.7 bedoelde regeling tot stand gekomen. In december 2019 lukte het niet om tijdig aan de betalingsregeling te voldoen. Dit heeft [gedaagde] gelijk bij [eiseres] aangegeven. Later in december 2019 is er alsnog conform afspraak betaald, maar [gedaagde] had al een procedure aanhangig gemaakt. Dat is niet rechtvaardig. [eiseres] had er bovendien ook voor kunnen kiezen de oninbare btw bij de Belastingdienst terug te vragen.

3.4.

Op de overige stellingen van partijen wordt – voor zover althans van belang voor de uitkomst van de procedure – hierna teruggekomen.

4. De beoordeling

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat er aan hoofdsom nog een bedrag van € 167,71 openstaat. Voor zover [gedaagde] bedoelt te stellen dat dit bedrag niet kan worden toegewezen omdat oninbare btw bij de belastingdienst kan worden teruggevraagd, geldt het volgende. De door [gedaagde] bedoelde regeling staat niet in de weg aan toewijzing van dit deel van de vordering. Bovendien staat allerminst vast dat door [gedaagde] verschuldigde btw oninbaar is. De vordering tot betaling van € 167,71 zal dan ook worden toegewezen.

4.2.

[eiseres] maakt tevens aanspraak op de wettelijke handelsrente. De kantonrechter stelt voorop dat ingeval van een handelsovereenkomst de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) verschuldigd is indien een schuldenaar in gebreke blijft met de tijdige voldoening van een geldsom. [gedaagde] heeft in dit verband gesteld dat de reparatiewerkzaamheden lang duurden en het resultaat niet helemaal naar tevredenheid was. Dit brengt niet mee dat de wettelijke handelsrente niet verschuldigd is over het bij brief van 18 juni 2018 in rekening gebrachte bedrag van € 1.917.71 (zie 2.3). [eiseres] heeft bij deze brief aanspraak gemaakt op de wettelijke handelsrente vanaf 14 dagen na dagtekening van die brief. De wettelijke handelsrente zal daarom vanaf 2 juli 2018 en met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:119a lid 3 BW en de betalingen na de dagvaarding, worden toegewezen zoals in het dictum vermeld.

4.3.

[eiseres] vordert voorts een bedrag van € 175,16 aan buitengerechtelijke incassokosten. Om in aanmerking te komen voor buitengerechtelijke incassokosten dient [eiseres] , nu het een handelsovereenkomst betreft, ten minste één aanmaning naar [gedaagde] te hebben verstuurd (vgl. Hoge Raad 13 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1405). Door de overlegging van de aanmaning van (onder meer) 4 september 2019 heeft [eiseres] voldoende aannemelijk gemaakt dat aan dit criterium is voldaan. [eiseres] heeft ook voldoende aannemelijk gemaakt dat er incassowerkzaamheden verricht zijn. Het gevorderde bedrag van € 175,16 komt overeen met het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief en zal daarom worden toegewezen.

4.4.

De gevorderde wettelijke handelsrente over de buitengerechtelijke incassokosten vanaf de dag van de dagvaarding is niet toewijsbaar nu niet is gesteld of gebleken dat de kosten vóór de dagvaarding door [eiseres] aan haar gemachtigde zijn betaald.

4.5.

[gedaagde] zal, als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten van [eiseres] . Er is geen reden de proceskosten (deels) voor rekening van [eiseres] te laten, zoals door [gedaagde] betoogd. [gedaagde] heeft weliswaar gesteld dat hij zich aan de betalingsregeling heeft gehouden, maar uit de e-mail van de gemachtigde van [eiseres] aan hem van 9 december 2019 (zie 2.8) blijkt het tegendeel. In dat verband is nog van belang dat de door [gedaagde] gestelde financiële problemen voor zijn rekening en risico komen en niet aan [eiseres] kunnen worden tegengeworpen. Dit leidt tot het oordeel dat de procedure niet nodeloos is aangevangen. De proceskosten aan de zijde van [eiseres] worden vastgesteld op:

  • -

    griffiegeld € 499,-

  • -

    dagvaarding € 81,83

  • -

    verificatie Handelsregister € 4,61 (voor toekenning van een hoger bedrag bestaat geen grond)

  • -

    bevragen BRP € 1,57

  • -

    bevragen DBR € 1,64

588,65 aan verschotten

en € 300,- aan salaris gemachtigde (2,5 punten à € 120,- per punt).

5. De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 167,71 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over het bedrag van € 1.917,71 vanaf 2 juli 2018 en vervolgens over het uitstaande saldo na iedere deelbetaling tot de dag der algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 175,16 aan buitengerechtelijke incassokosten;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak van de zijde van [eiseres] vastgesteld op een bedrag van € 588,65 aan verschotten en € 300,00 (2,5 punten à € 120,00 per punt) aan salaris voor de gemachtigde;

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Kalmthout en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44240