Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:8061

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-08-2020
Datum publicatie
15-09-2020
Zaaknummer
8382032 CV EXPL 20-8182
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewijsopdracht terugbetaling gedaagde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8382032 CV EXPL 20-8182

uitspraak: 21 augustus 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser,

gemachtigde: mr. R. Delgado te Hoogvliet (gemeente Rotterdam),

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [eiser] ” respectievelijk “ [gedaagde] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

 het exploot van dagvaarding d.d. 28 februari 2020, met 7 producties;

 de conclusie van antwoord, met 2 producties;

 de conclusie van repliek, met 6 producties;

 de aantekeningen van het telefonisch verweer van [gedaagde] op 3 juni 2020 met aanvullend

verweer via een e-mail d.d. 4 juni 2020.

1.2.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende vaststaande feiten.

2.1.

[eiser] en [gedaagde] hebben in augustus 2017 een koopovereenkomst voor een bitcoin mining apparaat gesloten. [eiser] heeft uit hoofde van deze overeenkomst een bedrag van € 5.000,00 aanbetaald aan [gedaagde] .

2.2.

De koopovereenkomst is vervolgens in onderling overleg geannuleerd, waarbij partijen hebben afgesproken dat [eiser] van het door hem betaalde bedrag van € 5.000,00 een bedrag van € 4.500,00 zou terugkrijgen.

2.3.

Op 3 oktober 2017 heeft [gedaagde] een bedrag van € 2.000,00 op de bankrekening van [eiser] overgemaakt.

3. Het geschil

3.1.

[eiser] heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan hem binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis te betalen een bedrag van

€ 2.875,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, met veroordeling van [gedaagde] in de proces- en nakosten.

3.2.

Aan deze vordering heeft [eiser] – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – ten grondslag gelegd dat betaling van het restantbedrag van € 2.500,00, ondanks vele mondelinge pogingen en schriftelijke ingebrekestellingen daartoe, uitgebleven is. Door de wanbetaling van de zijde van [gedaagde] zag [eiser] zich genoodzaakt zijn gemachtigde in te schakelen en buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 375,00 te maken. Deze kosten dienen voor rekening van [gedaagde] te komen. Voorts maakt [eiser] aanspraak op de wettelijke handelsrente vanaf 28 juli 2018.

3.3.

Het verweer van [gedaagde] strekt er toe dat [eiser] niet ontvankelijk wordt verklaard in zijn vorderingen dan wel dat deze worden afgewezen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. Daartoe heeft [gedaagde] gesteld dat hij het restantbedrag van € 2.500,00 al betaald heeft. Op 23 mei 2018 is [gedaagde] samen met zijn moeder naar de woning van [eiser] gereden en heeft hij, toen hij niemand aantrof, een enveloppe met daarin het bedrag van € 2.500,00 in de brievenbus gedaan. [gedaagde] heeft ter zake op diezelfde dag een WhatsApp-bericht naar [eiser] gestuurd en hem gevraagd of [eiser] het geld heeft ontvangen. Dat heeft [eiser] via een WhatsApp-bericht bevestigd.

3.4.

Op de overige stellingen van partijen wordt – voor zover althans van belang voor de uitkomst van de procedure – hierna teruggekomen.

4. De beoordeling

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] aan [eiser] een bedrag van € 4.500,00 moest terugbetalen en dat hij daarvan op 3 oktober 2017 € 2.000,00 heeft voldaan. Het verweer van [gedaagde] dat hij ook het resterende bedrag van € 2.500,00 betaald heeft, is door [eiser] betwist. Dit verweer van [gedaagde] wordt aangemerkt als een bevrijdend verweer. Ingevolge de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moet [gedaagde] bewijzen dat hij bovengenoemd bedrag reeds voldaan heeft. [gedaagde] heeft in dit verband een foto van een WhatsApp-gesprek overgelegd met telefoonnummer

[gsm-nummer] en met de volgende berichten:

“Ik heb je geld door de brievenbus gedaan (€2500) het zit in de witte envelope (15:42)”

“Oke dankjewel (16:38)”

“Graag even bevestigen dat je het ontvangen heb (16:49)”

“Ik heb het ontvangen (16:51)”

“Oke dus even voor de duidelijkheid alles is nu betaald 2000 euro overgemaakt 2500 euro contant (16:52)”

“Klopt (16:55)”.

4.2.

Op zichzelf bezien vormt dit WhatsApp-gesprek een sterke aanwijzing dat [gedaagde] het restantbedrag van € 2.500,00 al betaald heeft. [eiser] heeft echter uitdrukkelijk en gemotiveerd betwist dat dit WhatsApp-gesprek heeft plaatsgevonden. Gelet hierop kan alleen op basis van de door [gedaagde] overgelegde foto van het WhatsApp-gesprek niet als vaststaand worden aangenomen dat [gedaagde] het bedrag van € 2.500,00 reeds betaald heeft. [gedaagde] zal daarom conform zijn bewijsaanbod toegelaten worden tot het leveren van (nader) bewijs.

4.3.

[gedaagde] zal in de gelegenheid worden gesteld zich bij akte ter rolzitting van

17 september 2020 uit te laten over de bewijslevering.

4.4.

De kantonrechter houdt iedere verdere beslissing aan.

5. De beslissing

De kantonrechter:

alvorens verder te beslissen:

laat [gedaagde] toe tot het leveren van bewijs, met alle middelen rechtens, van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat hij het restantbedrag van € 2.500,00 reeds aan [eiser] heeft voldaan;

  • -

    verwijst de zaak naar de rolzitting van donderdag 17 september te 15:30 uur, teneinde [gedaagde] in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten of, en zo ja, op welke wijze hij dit bewijs wenst te leveren, en;

  • -

    indien hij dit bewijs schriftelijk wenst te leveren, dit dadelijk bij deze akte te doen;

  • -

    indien hij dit bewijs wenst te leveren door het doen horen van getuigen, opgave te doen van het aantal en de personalia van de door hem voor te brengen getuigen alsmede van de verhinderdata van alle betrokkenen voor de maanden oktober tot en met december 2020, zodat vervolgens een datum voor het getuigenverhoor kan worden bepaald;

bepaalt dat [gedaagde] te zijner tijd zelf zorg dient te dragen voor een behoorlijke oproeping van de getuigen;

bepaalt dat het getuigenverhoor zal worden gehouden in het gerechtsgebouw aan het Wilhelminaplein 100, gebouw B (het rode gebouw) te Rotterdam, ten overstaan van de hierna genoemde kantonrechter.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Kalmthout en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44240