Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:8044

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-09-2020
Datum publicatie
07-01-2021
Zaaknummer
C/10/573032 / FA RK 19-3716
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

het recht op contact tussen de minderjarige en de ouders wordt ontzegd voor de duur van een jaar – geschreven in kindvriendelijke taal

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

zaakgegevens: C/10/573032 / FA RK 19-3716

datum uitspraak: 10 september 2020

beschikking

in de zaak van

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

vertegenwoordigd door: mr. A.R. Bissessur, kantoorhoudende te Den Haag,

betreffende

[naam kind] ,

geboren op [geboortedatum kind] 2008 te [geboorteplaats kind] , hierna te noemen [naam kind] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

hierna te noemen de GI, gevestigd te Rotterdam.

De kinderrechter merkt als informant aan:

[naam vader] ,

hierna te noemen de vader, wonende te [woonplaats vader] ,

de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam,

hierna te noemen de Raad, gevestigd te Rotterdam.

Het procesverloop
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 6 maart 2020 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

- een e-mailbericht van de GI van 20 augustus 2020;

- het psychodiagnostisch onderzoeksrapport van het KSCD van 19 augustus 2020, ingekomen bij de griffie op 20 augustus 2020;

- de briefrapportage met bijlagen van de GI van 20 augustus 2020, ingekomen bij de griffie op 24 augustus 2020;

- de fax met bijlagen van mr. A.R. Bissessur van 26 augustus 2020, ingekomen bij de griffie op diezelfde datum;

- de pleitnota van mr. A.R. Bissessur, overgelegd ter zitting;

- het psychologisch onderzoeksrapport van de moeder, overgelegd ter zitting.

Na afloop van de zitting is op 1 september 2020 bij de rechtbank nog een brief van de vader binnengekomen.

Op 27 augustus 2020 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- [naam kind] , die eerder op de dag apart is gehoord,

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat, mr. A.R. Bissessur,

- de vader,

- twee vertegenwoordigsters van de GI, [naam vertegenwoordigster 1] en [naam vertegenwoordigster 2] ,

- een gedragsdeskundige van de GI, [naam vertegenwoordigster 3] ,

- een jurist van de GI, [naam jurist] ,

- een vertegenwoordigster van de Raad, [naam vertegenwoordigster 4] .

De feiten

Bij beschikking van 8 mei 2015 is de moeder ontheven van het ouderlijk gezag over [naam kind] en is de GI tot voogdes over hem benoemd.

[naam kind] verblijft op een open groep van het Bergse Bos.

Het aangehouden verzoek van de moeder

Met inachtneming van de beschikkingen van 26 juni 2019, 24 juli 2019 en 6 maart 2020 resteert het verzoek van de moeder om op grond van art. 1:377a lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de volgende omgangsregeling in het belang van [naam kind] vast te stellen:

  • Elk weekend van vrijdag 15.00 uur tot zondag 20.00 uur verblijft [naam kind] bij de moeder;

  • Alle vakanties en vrije dagen verblijft [naam kind] bij de moeder.

Door en namens de moeder is het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. Het standpunt van de vader is in deze toelichting meegenomen.

Het verzoek van de moeder is op 6 maart 2020 aangehouden in afwachting van de resultaten van het persoonlijkheidsonderzoek van [naam kind] , uitgevoerd door het Kennis- en Servicecentrum voor Diagnostiek (hierna: KSCD). Het KSCD heeft een advies uitgebracht dat is gebaseerd op verouderde informatie. Daarnaast wordt de onpartijdigheid van het KSCD in twijfel getrokken doordat het KSCD onderdeel is van de GI die de voogdij over [naam kind] heeft. Met name de verweren van de GI zijn verwerkt in het rapport, maar de positieve momenten, zoals die volgen uit de kwartaalrapportages van Horizon, lijken weggelaten te zijn. Mr. Bissessur verzoekt daarom op grond van art. 810a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) tegenexpertise te laten uitvoeren.

Naast de twijfel over de onpartijdigheid van het KSCD, kan de moeder zich niet vinden in de conclusie van het KSCD dat het huidige contact tussen [naam kind] en de ouders schadelijk wordt geacht voor de ontwikkeling van [naam kind] . De ouders hebben geaccepteerd dat [naam kind] niet op korte termijn, lees: binnen 2 à 3 jaar, thuis zal komen wonen, maar zij willen wel meer contact met [naam kind] . [naam kind] geeft zelf ook aan meer contact met de ouders te willen. Het is in zijn belang dat rekening wordt gehouden met de wens van [naam kind] . De ouders willen enkel de wensen van [naam kind] volgen. Zoals uit de kwartaalrapportages van Horizon volgt, gaat de omgang tussen [naam kind] en de ouders sinds 2018 juist heel goed. Het probleem ligt in de communicatie tussen de ouders en de GI. [naam kind] wordt onrustig van de onzekerheid en onduidelijkheid.

De ouders hebben geen behoefte aan de suggestie van de GI dat er een onafhankelijke derde komt die ervoor zorgt dat afspraken worden nagekomen. Dit is de taak van de GI zelf. De GI is er, als voogdes van [naam kind] , verantwoordelijk voor dat hij wordt verzorgd en opgevoed en dat het contact met de ouders wordt bevorderd. De bemoeienis van de GI heeft daarentegen weinig opgelost. Bij [naam kind] is nog steeds sprake van gedragsproblematiek en hij bevindt zich op de groep niet op een veilige plek; hij wordt daar hardhandig aangepakt.

De ouders erkennen dat zij op 15 en 19 augustus 2020 tegen de afspraken in naar het terrein van Horizon zijn gegaan en [naam kind] daar hebben ontmoet. Over 15 augustus 2020 geeft de moeder aan dat [naam kind] haar de nacht ervoor huilend had gebeld dat hij werd geslagen op de groep. De ouders zijn de volgende dag uit bezorgdheid naar [naam kind] toe gegaan. Over 19 augustus 2020 geeft de moeder aan dat zij een bericht heeft ontvangen via Instagram Messenger dat afkomstig leek te zijn van [naam kind] , maar waarvan zij aan de schrijfstijl kon merken dat het niet [naam kind] , maar de gedragsdeskundige was die haar een bericht stuurde. Hoewel dus wetende dat dit een ‘vals’ bericht was, zijn de ouders naar aanleiding hiervan naar het terrein van Horizon gegaan. De moeder heeft aangegeven niet te hebben geprobeerd om Horizon of de GI te bellen, omdat de ouders door Horizon in het verleden toch telkens werden doorverwezen naar de GI en de ouders al lange tijd niet meer door de GI te woord worden gestaan. Omdat de ouders graag met de gedragsdeskundige wilden praten, hebben zij de gelegenheid aangegrepen om naar aanleiding van de berichten via Instagram Messenger, naar het Bergse Bos te gaan om de gedragsdeskundige te kunnen spreken. Door eerlijk te erkennen dat de ouders twee keer tegen de afspraken in bij de instelling zijn geweest, stellen de ouders aangetoond te hebben betrouwbaar te zijn.

De communicatie met de GI moet in het belang van [naam kind] verbeterd worden. Het is aan de GI, als professionele partij, om hiermee te gaan starten.

Het aangehouden verzoek van de GI

Met inachtneming van de beschikkingen van 26 juni 2019, 24 juli 2019 en 6 maart 2020 resteert het zelfstandig verzoek van de GI om de moeder – en ook de vader – de omgang met [naam kind] tijdelijk, gedurende een periode van een jaar, te ontzeggen.

De GI heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. Momenteel wordt gezocht naar een kleinschalige, perspectiefbiedende plek voor [naam kind] . De wens van [naam kind] om samen met [naam 1] geplaatst te worden wordt daarin meegenomen. Of dit gaat lukken is nog niet duidelijk. De ouders bemoeilijken de zoektocht naar een geschikte plek, doordat de ouders elke keer een manier vinden om dwars te liggen. Het is van belang dat de ouders, zodra er een geschikte plek is gevonden, deze plaatsing accepteren, zodat [naam kind] de rust krijgt om in het gezin te hechten. Pas als er rust is, kan gekeken worden welke rol de ouders in kunnen nemen. In de tussentijd adviseert de GI dat er vanuit de GGZ onafhankelijke hulpverlening komt waarbij de ouders worden begeleid bij het zich houden aan de gemaakte afspraken. Het lukt de ouders nog steeds niet om zich te houden aan afspraken. De ouders zijn daarin onbetrouwbaar. De ouders hebben via social media contact met [naam kind] . Dit zorgt bij [naam kind] voor onrust en stress. [naam kind] zit zodanig klem, dat hij dit uit in fysieke en verbale agressie op de groep en zelfbeschadiging. Dit patroon is terug te zien bij iedere interactie met de ouders, zowel fysiek als bij de belmomenten. Zodra de contactmomenten met de ouders worden uitgebreid, zal het gedrag van [naam kind] nog verder in heftigheid toenemen. [naam kind] dient enerzijds de ruimte te krijgen om zich te uiten, en moet anderzijds ook begrensd worden. Het vinden van een balans hierin is een uitdaging.

Toen de gedragsdeskundige van de GI door [naam kind] op de hoogte werd gesteld dat de ouders op 15 augustus 2020 op het terrein waren geweest, heeft [naam kind] de ouders in aanwezigheid van de gedragsdeskundige via Instagram Messenger opnieuw uitgenodigd om te komen, zodat de gedragsdeskundige aan de ouders kon uitleggen dat het niet de bedoeling is om op deze wijze contact te hebben met [naam kind] . Ter zitting heeft de gedragsdeskundige verklaard dat het op basis van de berichten aan de ouders niet duidelijk kan zijn geweest dat zij, heimelijk, [naam kind] heeft gevraagd die berichten te sturen. De gedragsdeskundige heeft aangeboden om de berichten te laten lezen.

Het klopt dat er tussen de ouders en Horizon nauwelijks contact is. Dit komt doordat de ouders in het verleden meermalen heftige dreigementen hebben geuit richting medewerkers van Horizon en er discussies zijn ontstaan op de groep. Vanuit de GI is geprobeerd een contactpersoon aan de ouders te koppelen, maar de ouders hebben dit geweigerd.

Het standpunt van de Raad

De Raad schat het veiligheidsrisico van [naam kind] als groot in als het verzoek van de moeder wordt toegewezen. De Raad ziet geen meerwaarde in een contra-expertise. Een nieuw onderzoek zorgt voor veel onduidelijkheid, terwijl juist rust en duidelijkheid nu belangrijk zijn voor [naam kind] . De focus moet liggen op het vinden van een perspectief biedende plek. De communicatie tussen de GI en de ouders is daarin belangrijk. Het is wenselijk als die communicatie verbeterd gaat worden.

De beoordeling

Waar gaat het om? Op welke vraag moet de kinderrechter antwoord geven?

De moeder heeft aan de rechtbank gevraagd om een omgangsregeling met [naam kind] vast te stellen. [naam kind] woont al heel lang in een instelling en de ouders mogen hem daar één keer in de zes weken een uur begeleid bezoeken. De moeder is het er niet mee eens dat [naam kind] niet bij haar en de vader mag logeren en dat zij [naam kind] zo weinig zien. Ze wil graag dat [naam kind] elk weekend van vrijdag 15:00 uur tot zondag 20:00 uur bij de ouders verblijft en ook dat [naam kind] alle vakanties en vrije dagen bij de ouders verblijft. De vader vindt dat ook, maar hij heeft het niet zelf officieel aan de rechtbank kunnen vragen.

De moeder heeft dit al gevraagd op 26 april 2019. Sindsdien zijn er al meerdere zittingen op de rechtbank geweest om over deze vraag te praten en na te denken. Al op 24 juli 2019 heeft de kinderrechter besloten dat het KSCD – een onafhankelijke instelling waar mensen werken die onderzoek doen naar de vraag hoe het psychisch met kinderen en ouders gaat – onderzoek moest doen. De kinderrechter wilde dat onderzocht werd wat er met [naam kind] zou kunnen gebeuren als hij vaker de ouders ziet. De kinderrechter wilde ook weten op welke andere manieren het bezoek van de moeder en de vader aan [naam kind] en logeren van [naam kind] bij de moeder en de vader (samen noemen we dat ‘de omgang’) voor [naam kind] goed geregeld zouden kunnen worden. Daarvoor hebben medewerkers van het KSCD – vooral [naam 2] – veel gesprekken gehad met alle mensen die weten hoe het met [naam kind] gaat en die het ook belangrijk vinden dat het goed met [naam kind] gaat en natuurlijk met [naam kind] zelf. Helaas heeft het lang geduurd voordat het onderzoek klaar was.

De voorlaatste zitting was op 6 maart 2020. [naam kind] is ook toen op de rechtbank geweest en heeft met de kinderrechter gesproken, net als deze keer. De kinderrechter heeft toen besloten dat hij ging wachten met het beantwoorden van de vraag die de moeder aan hem heeft gesteld totdat het onderzoek van het KSCD klaar was.

Op 19 augustus 2020 was het rapport over dat onderzoek eindelijk klaar, waarna de zitting is geweest. In het rapport staat wat het KSCD vindt over de omgang, maar ook wat het KSCD vindt over waar of hoe [naam kind] moet worden behandeld en waar en hoe [naam kind] zou moeten wonen. De moeder vindt niet dat het KSCD over dit laatste iets had mogen zeggen. De kinderrechter vindt van wel, maar dat komt later nog aan de orde.

Op de zitting van donderdag 27 augustus 2020 heeft [naam kind] tegen de kinderrechter gezegd dat hij wel één of twee keer per maand in het weekend wil logeren bij de moeder en de vader en ook wel vaker bezoek van ze wil. Nu is het één keer in de zes weken een uurtje begeleid bezoek en dat vindt [naam kind] wel heel weinig. De kinderrechter heeft [naam kind] gevraagd waarom hij nu zegt wel te willen logeren, want op 6 maart 2020 heeft hij tegen de kinderrechter iets anders gezegd. Toen heeft hij namelijk gezegd dat hij zeker niet wilde logeren bij de ouders, maar dat hij één of twee keer per maand in het weekend op dezelfde dag gebracht en gehaald wilde worden. [naam kind] heeft nu verteld dat hij wel bij de moeder en vader wil logeren en dat hij dat nu wil omdat hij weg wil van de groep, want daar vindt hij het niet leuk. Ook gaf [naam kind] aan dat hij beseft dat hij niet zo vaak bij de vader en moeder wil logeren als de vader en moeder graag willen.

In het KSCD-rapport staat over de omgang met de ouders dat het contact tussen de ouders en [naam kind] gestopt moet worden zolang de ouders niet voldoende hebben geaccepteerd dat [naam kind] niet bij de ouders opgroeit en zij ook niet inzien dat hun gedrag spanning oplevert die schadelijk is voor [naam kind] . Wat de ouders niet kunnen, is een verschil te maken tussen wat zij belangrijk vinden voor zichzelf en wat belangrijk is voor [naam kind] . Pas als de ouders hulp aanvaarden om dat verschil te leren inzien en hun gedrag ook echt is veranderd, zou omgang weer opnieuw opgestart kunnen worden.

In het KSCD-rapport staat ook dat [naam kind] in een klein gezinshuis of een pleeggezin moet opgroeien, dat past het best bij hem. Verder staat erin dat [naam kind] soms sombere gedachten heeft. Dat zou kunnen komen van alle dingen die hij vroeger heeft meegemaakt, wat nare herinneringen en gevoelens heeft veroorzaakt, ook wel ‘trauma’s’ genoemd. Traumabehandeling is dus nodig. En als dat is afgerond en [naam kind] nog steeds niet goed met zijn gevoelens kan omgaan, dan moet hij daar ook hulp (behandeling) voor krijgen. Het is dan belangrijk dat [naam kind] genoeg vertrouwen heeft in de personen bij wie hij opgroeit. Dat noemt men hechting: [naam kind] moet zich goed kunnen hechten. Er staat nog meer in het rapport, maar dat laat de kinderrechter nu even achterwege.

Waarom is het zo moeilijk om antwoord te geven op de vraag van de moeder? Dat heeft met een aantal dingen te maken.

Ten eerste: om te zorgen dat het allemaal goed en eerlijk gaat, moet de kinderrechter de vraag van moeder beantwoorden met behulp van een regel in de wet, namelijk artikel 377a uit het boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. In die regel staat dat het uitgangspunt is dat een kind – [naam kind] in dit geval – recht heeft op omgang met zijn ouders en dat de ouders ook recht hebben op omgang met [naam kind] . Dan lijkt het simpel: de moeder en de vader willen het en [naam kind] wil het ook, behalve dan dat de moeder en de vader meer omgang willen dan [naam kind] wil.

Maar de kinderrechter moet ook kijken naar wat er verder in die regel staat. Daar staat dat hij kan bepalen dat [naam kind] en zijn ouders heel weinig of zelfs geen omgang mogen hebben. Dat mag hij doen als hij vindt dat omgang slecht is voor het kind. Dat betekent dat de kinderrechter niet alleen moet kijken naar wat [naam kind] en de ouders willen, maar dat hij zich ook moet afvragen of de omgang waar de moeder om vraagt geen slechte gevolgen heeft voor [naam kind] .

En het antwoord op die vraag is niet zo makkelijk. De moeder vindt dat meer omgang goed is voor [naam kind] , dat niet bewezen kan worden dat meer omgang slecht is voor [naam kind] en dat alle problemen die er zijn in het leven van [naam kind] komen doordat hij zijn ouders te weinig ziet. Maar de GI, dus [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] en haar collega’s, vinden dat niet. Zij geven aan dat zij kunnen zien aan [naam kind] dat hij heel veel stress krijgt door de omgang met zijn ouders en dat hij zich daardoor niet lekker voelt en zich gaat misdragen. In het rapport van het KSCD staat dat ook beschreven: alles wat te maken heeft met bezoek van of aan de ouders leidt bij [naam kind] tot spanning, spanning waar hij last van heeft en spanning die zich uit in slecht gedrag: hij luistert niet, maakt dingen kapot, doet zichzelf pijn en loopt weg.

[naam kind] heeft ook zelf tegen de kinderrechter gezegd dat hij spanning voelt. Hij voelt de laatste tijd veel onrust in zijn hoofd. De kinderrechter begrijpt dat hij zichzelf ook pijn doet. Zo heeft hij zichzelf gesneden met glas en daarom zit hij met verband om zijn hand in de rechtbank, zo heeft de kinderrechter gezien en van [naam kind] gehoord.

En daar komt nog een tweede punt bij, waardoor het antwoord op de vraag van de moeder niet alleen maar gaat over of de ouders en [naam kind] zelf zeggen dat ze meer omgang willen. Want de moeder vraagt nu om omgang, maar tot aan de laatste zitting heeft ze het ook altijd gehad over de beslissing om [naam kind] uit huis te plaatsen en over de beslissing om het gezag van de moeder te beëindigen. De moeder en de vader zijn het daar vanaf het begin niet mee eens. Keer op keer hebben ze aan de kinderrechter gevraagd om die beslissing ongedaan te maken, dus om [naam kind] weer thuis te laten wonen en te zorgen dat de moeder het weer voor het zeggen heeft over [naam kind] . En iedere keer hebben de kinderrechter en ook de hogere rechters van het gerechtshof in Den Haag besloten dat dat geen goed idee is dat [naam kind] weer thuis gaat wonen. [naam kind] geeft zelf ook aan dat hij niet thuis wil wonen. Het liefst wil hij met [naam 1] / [naam 7] wonen. En [naam 1] heeft gezegd dat hij niet thuis wil wonen, omdat de ouders hem niet accepteren, zo stelt [naam kind] . Als [naam 1] niet thuis wil wonen, dan wil [naam kind] dat ook niet. Toch twijfelt [naam kind] daar nog veel aan. En de kinderrechter weet dat dat niet goed is voor een kind: twijfelen over waar hij zal gaan wonen. Kinderen en ook zeker [naam kind] hebben duidelijkheid daarover nodig.

De moeder geeft nu aan dat de vader en zij helemaal niet willen dat [naam kind] op dit moment thuis komt wonen. Ze zegt dat het haar alleen maar om de omgang gaat. Maar de kinderrechter gelooft dat niet. Tot de zitting op 6 maart 2020 heeft de moeder hardop gezegd dat ze wil dat [naam kind] thuis komt wonen. Dat heeft ze in alle eerdere procedures – zaken bij de rechter – en ook in alle procedures over de broers en zussen van [naam kind] altijd gezegd. [naam kind] heeft op 6 maart 2020 aan de kinderrechter verteld dat de moeder tegen [naam kind] heeft gezegd dat hij tegen de kinderrechter moest zeggen dat hij weer thuis wilde wonen. Dat vond [naam kind] lastig, want dat wilde hij niet en hij vond het niet fijn dat zijn moeder hem ging zeggen wat hij tegen de kinderrechter moest zeggen. Hij heeft de kinderrechter ook verteld dat hij het lastig vindt om tegen de kinderrechter te zeggen dat hij niet zo vaak bij de ouders wil logeren als zijn moeder wil, want hij weet dat hij daar later een gesprek over zal hebben met zijn moeder. Misschien niet direct na de zitting maar iets later gaat ze aan hem vragen waarom hij niet heeft gezegd dat hij ieder weekend bij de moeder en de vader wil logeren. Dat is geen leuk gesprek en [naam kind] kijkt daar nu al een beetje tegenop. De jeugdbeschermers en de rechters zeggen ondertussen al jaren, sinds de eerste ondertoezichtstellingen, tegen de ouders dat ze met alle procedures en gedoe moeten ophouden. Ze mogen hun kinderen niet emotioneel – met gevoelens – onder druk zetten. Dat is vervelend voor de kinderen en daar hebben ze last van, daar heeft [naam kind] last van.

Het wordt allemaal nog ingewikkelder omdat de ouders ook weigeren zich te houden aan andere regels die voor hen gelden. Zij moeten zich al jaren houden aan de aanwijzingen die zij van de jeugdbeschermers krijgen, maar zij doen dat regelmatig niet. Eén van de regels die op dit moment geldt, is dat de ouders niet zonder voorafgaande toestemming omgang mogen hebben met [naam kind] . En telkens doen ze dat toch weer, de laatste keren op 15 en 19 augustus 2020. Toen zijn zij stiekem naar het terrein van Horizon gekomen en hebben zij met [naam kind] afgesproken. Dat mag niet, daar worden de ouders iedere keer op gewezen en [naam kind] weet ook dat het niet mag en toch doen ze het. [naam kind] vindt dat ook heel erg spannend en niet spannend op een leuke manier: hij krijgt er onrust van. De kinderrechter heeft hier heel lang over gepraat met de ouders op de zitting, omdat de betrouwbaarheid van de ouders heel erg belangrijk is voor de vraag of [naam kind] grote risico’s loopt dat het niet goed met hem zal gaan. Maar de ouders blijven erbij dat ze goede redenen hebben om zich niet aan de regels te houden. De kinderrechter is dat niet met ze eens. Zij hadden de jeugdbeschermers moeten laten weten dat zij contact wilden met [naam kind] en dat hebben ze bewust niet gedaan. In plaats daarvan zijn ze stiekem naar het terrein gegaan. De ouders laten helemaal niet zien dat zij begrijpen dat dat niet juist was. Sterker nog, ze blijven volhouden dat het eigenlijk niet zo gek was dat ze dat deden en dat ze door de omstandigheden niet anders konden. De kinderrechter ziet dat anders: de ouders konden anders reageren en hadden dat ook moeten doen.

Zolang de ouders zich niet aan de regels houden, kan de kinderrechter er ook niet op vertrouwen dat zij tijdens de omgang met [naam kind] niet op hem gaan inpraten om thuis te komen wonen. Het belangrijkste is daarbij niet eens echt dat ze niet met [naam kind] mogen praten over thuis wonen, het belangrijkste is dat ze niet [naam kind] mogen aanpraten dat hij niet op Horizon, in een pleeggezin of in een gezinshuis wil wonen. Door daar zo met hem over te praten, wordt hij overal waar hij woont ongelukkig. Dat mogen de ouders niet veroorzaken, dat is niet goed voor [naam kind] . Twijfelen over waar hij moet wonen, leidt bij [naam kind] tot grote onzekerheid en onrust. En daardoor gaat hij zich slecht voelen en slecht gedragen. Dat staat in het KSCD-rapport en de kinderrechter vindt dat zo goed is beschreven wat de gevolgen zouden zijn voor [naam kind] als de moeder gelijk zou krijgen.

Daarom wijst de kinderrechter het verzoek van de moeder om omgang vast te stellen af. De ouders zijn niet betrouwbaar, houden zich niet aan de afspraken en moeten eerst bewijzen dat ze dat kunnen voordat ze meer recht op omgang met [naam kind] krijgen.

Andere beslissingen die de kinderrechter ook moet nemen

Verzoek om een deskundigenrapport op grond van art. 810a Rv

De advocaat van de moeder heeft gevraagd om een deskundige te benoemen die een rapport kan maken over dezelfde vraag waar het KSCD een rapport over heeft moeten maken, namelijk over de mogelijkheden van onbegeleide, dan wel begeleide omgang met de moeder en de vader, zoals door de moeder verzocht is.

De regel uit de wet waar de kinderrechter naar moet kijken is artikel 810a Rv. Ook kan de kinderrechter letten op de uitleg van de hoogste rechters in ons land, de Hoge Raad der Nederlanden. En de Hoge Raad zegt al jaren over dit artikel dat een verzoek om zo’n deskundigenrapport voldoende concreet moet zijn, dus duidelijk moet maken wat er onderzocht moet worden, waarom en hoe. Dat heeft mr. Bissesur niet gedaan, zelfs niet toen de kinderrechter hem bij de behandeling op zitting nog expliciet heeft gevraagd naar het verzoek om een deskundigenrapport. De omstandigheid dat de ouders het niet eens zijn met de uitkomst van het KSCD-onderzoek, maakt niet dat daarmee een verzoek om een tweede onderzoek goed genoeg is onderbouwd.

Omdat het verzoek niet genoeg is onderbouwd, wijst de kinderrechter het af.

Verweren van de moeder in haar brief van 24 augustus 2020

De advocaat van de moeder heeft een brief van haar naar de rechtbank gestuurd. In die brief legt de moeder uit waarom zij vindt dat zij gelijk moet krijgen en waarom de GI geen gelijk moet krijgen. Ook vraagt ze een aantal juridische dingen aan de kinderrechter. Dat heten verweren. De kinderrechter beoordeelt die verweren op basis van wat er in die brief staat, want ter zitting heeft de advocaat van de moeder gezegd dat het aan de moeder is om daar meer over te zeggen, maar de moeder heeft er niets meer over gezegd. De kinderrechter behandelt de verweren op de volgorde van de brief. Alle verweren worden verworpen.

  1. Het verweerschrift waar de moeder het over heeft, is niet een verweerschrift maar een rapportage waar de kinderrechter na de vorige zitting om heeft gevraagd. De bepaling uit het procesreglement waar de moeder op doelt, ziet daar niet op. De kinderrechter heeft de rapportage dan ook gewoon gelezen.

  2. Er is geen regel die zegt dat feiten en omstandigheden uit het verleden niet meer relevant zijn als ze dateren van voor de start van de rechtszaak of “oud” zijn.

  3. Als de moeder stelt dat ze niet over alle stukken beschikt, moet ze aanwijzen welke stukken ze dan mist. Dat heeft de moeder niet gedaan. Het enige stuk dat de moeder concreet benoemt, is een rapport van een onderzoek uit 2018. De kinderrechter heeft dit voortgangsverslag uit april 2018 aangetroffen in de eerdere processtukken en ziet geen aanleiding om aan te nemen dat die stukken eerder niet zijn verspreid onder de procespartijen.

  4. Het is onjuist dat een leidinggevende binnen JBRR of een gezinsvoogd geen verzoeken zou mogen doen of ondertekenen. Die stelling klopt eenvoudigweg niet. De moeder zegt dat dat uit een mandaatregeling zou volgen, maar de moeder heeft die niet toegevoegd.

Verzoek van de GI strekkende tot het ontzeggen van het recht op contact tussen ouders en [naam kind]

De GI heeft het zelfstandig verzoek dat is ingediend bij verweerschrift van 5 december 2019 om de moeder, de vader en [naam kind] het recht op omgang met elkaar gedurende een jaar te ontzeggen, gehandhaafd.

De kinderrechter heeft gelet op artikel 1:377a BW en in het bijzonder op het derde lid van dat artikel, waarin is opgenoemd in welke gevallen de rechter kan komen tot het oordeel dat het recht op contact moet worden ontzegd.

Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting is de kinderrechter van oordeel dat wordt voldaan aan de ontzeggingsgronden onder a: dat de omgang ernstig nadeel oplevert voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind.

De kinderrechter heeft hiervoor al uitgelegd op welke manier de ouders in hun contact met [naam kind] fouten maken die slecht zijn voor [naam kind] , omdat deze fouten bij hem leiden tot twijfel en verwarring, onzekerheid en spanning, wat weer tot sombere gedachtes en negatief gedrag leidt. De kinderrechter vindt daarom dat de ouders voor het aankomende jaar geen recht hebben op omgang met [naam kind] .

De kinderrechter is met het KSCD en de GI van oordeel dat met de ouders in gesprek zal moeten worden gegaan om ervoor te zorgen dat door een onafhankelijke instelling, mogelijk vanuit de GGZ, systeemtherapie en -begeleiding zal worden ingezet die ouders ertoe kan brengen dat ze voorwaarden gaan accepteren en hiernaar gaan handelen. Het is dus aan de GI om in het komende jaar kaders en voorwaarden te (laten) stellen waaraan de ouders kunnen voldoen. Het is aan de ouders om daaraan op coöperatieve wijze mee te werken.

Dit betekent dat zolang de ouders niet laten zien dat zij zich aan de voorwaarden houden die ervoor moeten zorgen dat de omgang met [naam kind] hem geen kwaad doet, de ontzegging van kracht blijft.

De beslissing

De kinderrechter:

wijst het verzoek van de moeder om een omgangsregeling vast te leggen af;

wijst het verzoek van de moeder om op grond van art. 810a Rv een deskundige te benoemen af;

wijst het verzoek van de GI toe, in die zin dat de kinderrechter met inachtneming van het hiervoor overwogene de moeder en de vader het recht op contact met [naam kind] ontzegt voor de duur van een jaar, ingaande op 10 september 2020.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. van Kuilenburg, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.C.J. Holierhoek als griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 september 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.