Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:8041

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-08-2020
Datum publicatie
14-09-2020
Zaaknummer
10/751024-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor medeplegen invoer van 398 kilo cocaïne. Gevangenisstraf van 30 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/751024-20

Datum uitspraak: 12 augustus 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Middelburg,

raadsman mr. C. Crince le Roy, advocaat te Amsterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 29 juli 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. T.M. Coenen heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar met aftrek van voorarrest.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat op basis van het dossier niet valt vast te stellen dat de verdachte enige handeling heeft verricht betreffende de invoer van cocaïne. Verder heeft hij aangevoerd dat (voorwaardelijk) opzet op de invoer van cocaïne ontbreekt en dat er geen aanknopingspunten zijn om te concluderen dat de container, of in ieder geval de daarin aangetroffen cocaïne, daadwerkelijk uit het buitenland komt.

4.1.2.

Beoordeling

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast. De verdachte is op zondag 1 maart 2020 aangetroffen op het terrein van de ECT Delta-terminal in de Rotterdamse haven. De verdachte bevond zich bij zijn aanhouding achterin een container voorzien van nummer [containernummer 1] . In deze container werden ook 399 gestapelde pakketten aangetroffen, waarvan is vastgesteld dat het ging om ongeveer 398 kilo cocaïne. Verder lagen in de container Albert Heijn-tassen, rollen tape en een iPhone. De verdachte had bij zijn aanhouding een Nokia-telefoon van het merk 105 Neo bij zich. Op de iPhone bleek de ECC Sky applicatie te zijn geinstalleerd, een chat applicatie waarmee versleutelde berichten verstuurd kunnen worden. Op de Nokia-telefoon werd een binnenkomend sms-bericht aangetroffen van 1 maart 2020, 00.32 uur, dat luidde: “broeder, bel me als wat doms ziet” en een uitgaand sms-bericht dat luidde: “ja, is goed broeder”.

De rechtbank concludeert hieruit dat de verdachte zich in de container bevond met als doel de daarin aanwezige pakketten cocaïne uit te halen. Dat het om vanuit het buitenland ingevoerde cocaïne ging volgt genoegzaam uit het feit dat die cocaïne zich bevond in een zeecontainer op het terrein van de containerterminal van de Rotterdamse haven, waar zich uit zeeschepen geloste containers bevinden. Daarmee acht de rechtbank in beginsel het medeplegen van de (verlengde) invoer van cocaïne in Nederland door verdachte, bewezen.

Ter zitting heeft verdachte een alternatieve verklaring gegeven voor zijn aanwezigheid in de bewuste container. Hij zou met twee andere personen op het haventerrein zijn geweest om elektronica te stelen en hij zou als uitkijk fungeren. Omdat zij, eenmaal op het terrein, het gevoel kregen dat zij gezien waren zouden zij van hun oorspronkelijke route zijn afgeweken. Op zeker moment is hij de twee anderen kwijt geraakt en verdachte zou in de bewuste container terecht zijn gekomen, op zoek naar die twee. Enkele seconden later zou hij door de politie zijn aangehouden.

De rechtbank acht deze alternatieve verklaring ongeloofwaardig. Daartoe overweegt zij als volgt.

Verdachte heeft zich eerder steeds op zijn zwijgrecht beroepen en komt eerst bij de behandeling ter zitting, op een moment waarop hij het hele dossier heeft kunnen bestuderen, met dit alternatieve scenario. Ter zitting kan of wil hij geen verifieerbare informatie geven die zijn verklaring zou kunnen ondersteunen. Zo weigert verdachte zijn opdrachtgever te noemen, geeft hij geen gegevens van de andere twee personen en weet hij hoegenaamd niets te vertellen over hoe de afspraken tot stand zijn gekomen en hoe de verdere uitvoering van de electronicadiefstal er uit zou zien. Verdachte is met de twee mannen met de auto gebracht en op het terrein afgezet. Zij zijn vervolgens lopend het terrein opgegaan. Onduidelijk is gebleven hoe verdachte met die twee anderen die electronica van het terrein zou gaan vervoeren.

De rechtbank acht het voorts onwaarschijnlijk dat verdachte bij toeval in een container met circa 398 kilo cocaïne – met een straatwaarde van miljoenen euro’s – terecht is gekomen die daar dan open en onbeheerd zou zijn achtergelaten. De verklaring van verdachte dat hij slechts in deze container keek op zoek naar zijn companen, strookt daarnaast niet met de observatie van de agenten dat verdachte zich bij zijn aanhouding achterin de container bevond die verder nagenoeg leeg was.

Omdat het ongeloofwaardig is passeert de rechtbank dan ook het door de verdediging aangevoerde alternatieve scenario. Het medeplegen van de (verlengde) invoer van cocaïne in Nederland is bewezen.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij in de periode van 29 februari 2020 tot en met 1 maart 2020

te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht al dan niet bedoeld als in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 398 kilogram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich met anderen schuldig gemaakt aan de invoer van ongeveer 398 kilo cocaïne in Nederland. Door de invoer van een dergelijke grote hoeveelheid heeft de verdachte bijgedragen aan de instandhouding van het criminele drugscircuit. Door harddrugs wordt de volksgezondheid ernstig bedreigd. Harddrugs leiden bovendien veelal, direct en indirect, tot vele andere vormen van criminaliteit, waaronder ernstige geweldscriminaliteit. Verdachte lijkt hiervoor geen oog te hebben gehad en slechts uit te zijn geweest op eigen financieel gewin.

7.2.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.2.1.

Strafblad

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat uit zijn uittreksel uit de justitiële documentatie van 3 juli 2020 blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.2.2.

Rapportages

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 13 maart 2020. Dit rapport houdt het volgende in.

Er bestaat onvoldoende zicht op de thuissituatie van de verdachte. Er zijn aanwijzingen voor een negatief sociaal netwerk, of in ieder geval dat hij in contact komt met c.q. beïnvloed wordt door risicovolle contacten. Als positief wordt benoemd dat de verdachte vorig jaar zijn MBO diploma heeft behaald en volgend schooljaar met een vervolgopleiding zou willen starten. Een concreet toekomstbeeld heeft hij echter niet en hij lijkt zich niet geheel bewust te zijn van de risico’s en consequenties van zijn (delict)gedrag. De verdachte beschikt niet over inkomen en er is een kleine schuld. Er zijn geen aanwijzingen voor problemen op het gebied van middelengebruik. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. Geadviseerd wordt het volwassenenstrafrecht toe te passen. De verdachte is bereid mee te werken aan

interventies, gaf eerder al aan mee te willen werken aan een forensisch traject en desgevraagd zou hij ook openstaan voor begeleid wonen. Een begeleid wonen traject en/of het dragen van een enkelband zou ertoe kunnen bijdragen dat hij binnen een gestructureerde omgeving toewerkt naar een zinvolle toekomst en loskomt van (negatieve) sociale contacten.

7.3.

Conclusies van de rechtbank

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

De rechtbank zal een lagere gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. Zij houdt daarbij, meer dan kennelijk de officier van justitie, rekening met de beperkte rol die verdachte als uithaler bij de (verlengde) invoer van de harddrugs heeft gehad, het op harddrugsgebied blanco strafblad en de nog jeugdige leeftijd van de verdachte.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een voorwaardelijk strafdeel. De door de reclassering voorgestelde interventies kunnen zonodig in het kader van een voorwaardelijke invrijheidstelling aan de orde komen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 47 van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

9. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M.G. van de Kragt, voorzitter,

en mrs. W.H.S. Duinkerke en L. Stevens, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.S. Beukema, griffier,

en in het openbaar uitgesproken.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij in of omstreeks de periode van 29 februari 2020 tot en met 1 maart 2020

te Rotterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht al dan niet

bedoeld als in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, althans opzettelijk aanwezig

heeft gehad, ongeveer 398 kilogram cocaïne, in elk

geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde

cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 februari

2020 tot en met 1 maart 2020 te Rotterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de

Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken,

verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van

Nederland brengen van ongeveer 398 kilogram cocaïne, in ieder geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te

bevorderen,

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te

plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen

tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere

betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden

had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven

bedoelde feit

hebbende/is verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s)

- zich opgehouden in een container ( [containernummer 2] ) met daarin (onder andere) 399

pakketten bevattende ongeveer 398 kilogram cocaïne

- met als doel deze pakketten (inhoudende cocaïne) vervolgens over te laden

naar een andere container;