Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:8040

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-09-2020
Datum publicatie
14-09-2020
Zaaknummer
C/10/603445 / KG ZA 20-788 (voorlopige voorziening) / C/10/603439 / FA RK 20-6714 (beroep oplegging) / C/10/603818 / FA RK 20-6902 (beroep verlenging)
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Wth. Huisverbod was opgelegd ten aanzien van de woning van de ex-partner van uithuisgeplaatste. Uithuisgeplaatste had een eigen woning. Er was geen sprake van verblijf in de woning of anders dan incidenteel verblijf. Het beroep van verweerder op het Verdrag van Istanbul slaagt niet. Beroepen gegrond. Vernietiging besluiten. Voorlopige voorziening afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2020-0234
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

Reg.nrs.: C/10/603445 / KG ZA 20-788 (voorlopige voorziening)

C/10/603439 / FA RK 20-6714 (beroep oplegging)

C/10/603818 / FA RK 20-6902 (beroep verlenging)

Procesverbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 september 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening en het beroep in de zaken tussen

[naam verzoeker] , verzoeker,

wonende te [postcode verzoeker] [woonplaats verzoeker] , [adres verzoeker] ,

gemachtigde mr. M.A. Oosterveen.

en

de burgemeester van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde mr. S. Duinhouwer,

in welke zaken belanghebbende is:

[naam ex-partner verzoeker] , de ex-partner

wonende te [postcode ex-partner verzoeker] [woonplaats ex-partner verzoeker] , [adres ex-partner verzoeker] .

1. Ontstaan en loop van de procedure

1.1.

Bij besluit van 20 augustus 2020 heeft verweerder een huisverbod opgelegd aan verzoeker.

1.2.

Bij besluit van 28 augustus 2020 heeft verweerder dit huisverbod verlengd tot 17 september 2020.

1.3.

Bij brief van 2 september 2020 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen deze besluiten (hierna respectievelijk: het bestreden besluit I en II). Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen ten aanzien van de besluiten.

1.4.

Op 4 september 2020 is van verweerder een verweerschrift binnen gekomen.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2020.

Aanwezig waren:

 verzoeker en zijn gemachtigde;

 verweerder, vertegenwoordigd door mr. S. Duinhouwer, mr. J.M. Tang en mr. M.J.C. van Groesen;

 Veilig Thuis, vertegenwoordigd door [naam persoon] .

Achterblijfster is met kennisgeving niet verschenen.

2. Beslissing

De voorzieningenrechter:

 verklaart de beroepen gegrond,

 vernietigt de bestreden besluiten geheel en bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten geheel in stand blijven tot en met 7 september 2020,

 veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.050,-,

 wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

3. Overwegingen

3.1.

Weergave bestreden besluiten, verzoek en beroep

3.1.1.

Bij het bestreden besluit I heeft verweerder aan verzoeker een huisverbod opgelegd voor de duur van tien dagen op grond van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth). Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de aanwezigheid van verzoeker in de woning van achterblijfster (een vermoeden van) een ernstig en onmiddellijk gevaar (hierna: het gevaar) oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen.

3.1.2.

Bij het bestreden besluit II heeft verweerder het huisverbod verlengd voor de duur van achttien dagen. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de aanwezigheid van verzoeker in de woning van achterblijfster nog steeds (een vermoeden van) een ernstig en onmiddellijk gevaar (hierna: het gevaar) oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen.

3.1.3.

De verzoeken strekken ertoe de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten te schorsen voor de resterende duur van de bestreden besluiten. De beroepen strekken ertoe de bestreden besluiten te vernietigen en verweerder te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

Kortsluiten met afwijzen verzoek voorlopige voorziening

3.2.1.

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), voor zover hier van belang, kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3.2.2.

Op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan, indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

3.2.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zodat zij onmiddellijk uitspraak zal doen op het beroep.

3.3.

Spoedeisend belang

De voorzieningenrechter is van oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang, zodat verzoeker kan worden ontvangen in zijn verzoek. Het feit dat het huisverbod nog van kracht is, brengt spoedeisendheid met zich.

3.4.

Beoordeling gronden

3.4.1.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet tijdelijk huisverbod kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9 Wth.

3.4.2.

Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Wth kan de burgemeester een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet.

3.4.3.

Op grond van artikel 3, onder b, van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (hierna: Verdrag van Istanbul) wordt voor de toepassing van dit Verdrag verstaan onder "huiselijk geweld" alle vormen van fysiek, seksueel, psychologisch of economisch geweld dat plaatsvindt binnen het gezin of het huishouden of tussen voormalige of huidige echtgenoten of partners, ongeacht of de dader in dezelfde woning als het slachtoffer verblijft of heeft verbleven.

Op grond van artikel 52 Verdrag van Istanbul nemen partijen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat de bevoegde autoriteiten gerechtigd worden een pleger van huiselijk geweld bij onmiddellijk gevaar te bevelen onverwijld de woning van het slachtoffer of van de persoon die gevaar loopt gedurende een toereikende periode te verlaten en de pleger te verbieden deze woning te betreden of contact op te nemen met het slachtoffer of de persoon die gevaar loopt. Bij uit hoofde van dit artikel genomen maatregelen wordt prioriteit verleend aan de veiligheid van slachtoffers of personen die gevaar lopen.

Op grond van artikel 53, eerste lid Verdrag van Istanbul nemen partijen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat adequate gebieds- of contactverboden of beschermingsmaatregelen kunnen worden getroffen voor slachtoffers van alle vormen van geweld die vallen onder de reikwijdte van dit Verdrag.

3.4.4.

Eén van de door verzoeker aangevoerde beroepsgronden is dat verweerder niet bevoegd was om het huisverbod op te leggen en te verlengen, omdat verzoeker niet in de woning verbleef of daarin anders dan incidenteel verbleef.

3.4.5.

Deze beroepsgrond slaagt. Vast is komen te staan dat het huisverbod is opgelegd voor de woning van de ex-partner van verzoeker en dat verzoeker en zijn ex-partner al ruim twee jaar uit elkaar zijn. Zij hebben sindsdien ieder hun eigen woning. Verzoeker verbleef tijdens het opleggen van het besluit niet in de woning waarvoor het huisverbod is opgelegd. Gelet op hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht, is verder vast komen te staan dat hij daar ook niet anders dan incidenteel verbleef. Verzoeker en zijn ex-partner hadden geen contact met elkaar, behalve dat zij elkaar incidenteel op straat tegen kwamen omdat ze dicht bij elkaar wonen. De voorzieningenrechter volgt verweerder niet in haar betoog dat aan een persoon ook een huisverbod kan worden opgelegd die niet in een woning verblijft of anders dan incidenteel verblijft op grond van het Verdrag van Istanbul. Het Verdrag van Istanbul brengt niet met zich dat artikel 2, eerste lid, Wth op een dergelijke wijze kan worden uitgelegd. Daarmee zouden de tekst van de wet en de bedoeling van de wetgever te ver worden opgerekt (zie ook: ECLI:NL:RVS:2017:19).

Het Verdrag van Istanbul is gericht op dat de verdragsstaten onmiddellijk kunnen ingrijpen wanneer sprake is van huiselijk geweld. Het is echter aan de verdragsstaten om hiervoor passende wetgeving op te stellen of bestaande wetgeving aan te passen.

Bovendien bestaan er andere instrumenten zoals een gedragsaanwijzing door de officier van justitie om het gewenste contactverbod te bewerkstelligen, zoals verzoeker terecht naar voren heeft gebracht. De bevoegdheid voor het toepassen van deze instrumenten ligt weliswaar niet bij de burgemeester, maar dit laat onverlet de mogelijkheid voor de staat om in te grijpen.

De verweerder heeft nog naar voren gebracht dat het huisverbod een minder strenge toets kent en daarom meer geschikt was voor deze situatie dan andere maatregelen. Ook dit kan niet tot een ander oordeel leiden. Deze andere toets en daarmee (mogelijk) verlaagde rechtsbescherming voor een uithuisgeplaatste is immers primair bedoeld voor de situatie van ernstig gevaar binnen een (meer dan incidenteel) gedeelde woning.

Ook de stelling van verweerder dat bij het opleggen van een huisverbod gemakkelijker hulpverlening kan worden ingeschakeld wordt niet gevolgd, omdat het een keuze van verweerder is om dit op deze wijze aan elkaar te koppelen. Wanneer een andere maatregel zoals een gedragsaanwijzing zou zijn opgelegd, kan ook hulpverlening worden ingezet als verweerder hiervoor zou kiezen.

3.4.6.

Gezien het vorenstaande was verweerder niet bevoegd het huisverbod op te leggen en te verlengen. De bestreden besluiten worden gegrond verklaard en zullen worden vernietigd. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten te veroordelen. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en wegingsfactor 1). Omdat aan verzoeker een toevoeging is verleend, moet het bedrag van de kosten worden betaald aan de rechtsbijstandverlener.

3.4.7.

Omdat de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak doet in de hoofdzaak, wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Aldus gedaan door mr. B. Krijnen, voorzieningenrechter, en door deze en mr. W. Bruinhof, griffier, ondertekend.

De griffier: De voorzieningenrechter:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover die ziet op het beroep, kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op: