Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:8037

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
14-09-2020
Zaaknummer
10/651029-20 / TUL VV: 09/817343-18 en 09/027932-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen van woningoverval met oom. DNA-match verdachte op een verplaatsbaar object. Alternatieve scenario’s.

Deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/651029-20

Parketnummers vorderingen TUL VV: 09/817343-18 en 09/027932-19

Datum uitspraak: 8 september 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] te [woonplaats verdachte] ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in het Detentiecentrum Rotterdam,

raadsman mr. M. Berndsen, advocaat te Amsterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 25 augustus 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. J. Boender heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar, met aftrek van voorarrest;

  • -

    toewijzing van de vordering tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke opgelegde geldboete in de zaak met parketnummer 09/027932-19 en van de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie, omgezet in een gevangenisstraf van 87 dagen, in de zaak met parketnummer 09/817343-18.

4. Geldigheid dagvaarding

4.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de dagvaarding wat betreft het eerste feit (diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld) partieel nietig dient te worden verklaard, aangezien aan de bestanddelen “geweld” en “bedreiging met geweld” onvoldoende feitelijke betekenis toekomt. Dit feit is anders dan het tweede feit (afpersing) niet ‘verfeitelijkt’.

4.2.

Beoordeling

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Gelet op de wijze van ten laste leggen (cumulatief / alternatief) hebben de in de laatste alinea van de tenlastelegging omschreven feitelijke geweldshandelingen betrekking op beide varianten. De dagvaarding voldoet aan de in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering gestelde vereisten.

5. Waardering van het bewijs

5.1.

Bewijswaardering

5.1.1.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit en daartoe - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

Er is weliswaar een positieve match tussen het DNA-profiel van de verdachte en het

DNA-mengprofiel dat is verkregen van een op het stoffen zakje in de woning van de aangeefster aangetroffen spoor, maar deze “kale” DNA-match op zich levert geen wettig en overtuigend bewijs op. Het aangetroffen spoor op het - verplaatsbare - zakje plaatst verdachte niet op de plaats delict. Niet kan worden uitgesloten dat het DNA van de verdachte via indirecte overdracht op dat zakje is terechtgekomen. Zo is een eventuele indirecte overdracht via [naam dochter aangeefster] , de dochter van aangeefster, verklaarbaar, omdat de verdachte regelmatig bij [naam dochter aangeefster] thuis kwam en zij op haar beurt bij de slachtoffers thuis, waar het spoor ook is gevonden. De verdachte heeft het feit ontkend.

5.1.2.

Beoordeling

Op grond van de bewijsmiddelen in het dossier en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.

In de avond van 10 oktober 2019 zijn de aangeefster [naam slachtoffer 1] en haar zoon [naam slachtoffer 2] in hun woning aan de [adres delict] overvallen door twee mannen. Nadat deze met geweld de woning waren binnengedrongen, vroegen zij om geld en sieraden. Daarbij werden beide aangevers bedreigd met geweld en is er ook geweld tegen hen gebruikt. De woning is doorzocht. Nadat de mannen de aangevers hadden bestolen en opgesloten in een slaapkamer, hebben zij de woning verlaten.

De aangeefster heeft verklaard dat één van de daders op haar aanwijzing geld heeft gepakt uit een stoffen zakje, dat na de overval bleek te zijn gescheurd en achtergelaten in de gang bij het wasrek.

Bij het forensisch onderzoek in de woning is op dat opengescheurde zakje in een mengprofiel DNA-materiaal aangetroffen dat matcht met het volledige DNA-profiel van de verdachte, waarbij de matchkans kleiner is dan 1 op 1 miljard. De verdediging heeft overigens niet betwist dat het DNA-materiaal op het zakje van de verdachte afkomstig is.

De verklaring van aangeefster en het DNA-spoor van de verdachte op het zakje vertellen dat het de verdachte is geweest die samen met een ander de overval heeft uitgevoerd. Dat is alleen anders als er een alternatieve verklaring is voor het aantreffen van het DNA-spoor.

Alternatieve scenario’s

De verdediging heeft met betrekking tot de wijze waarop dit DNA op het zakje kan zijn terechtgekomen alternatieve scenario’s naar voren gebracht.

Tegenover de politie heeft de verdachte verklaard dat hij niets met de overval te maken heeft en niet weet hoe zijn DNA op dat zakje kan zijn terechtgekomen. Bij de rechter-commissaris heeft hij die verklaring herhaald, maar daaraan wel toegevoegd eenmaal in de woning van aangevers te zijn geweest, ongeveer drie of vier jaar eerder. Ter zitting heeft hij verklaard dat hij vrijwel dagelijks over de vloer komt bij [naam dochter aangeefster] , de dochter van aangeefster [naam slachtoffer 1] , waarmee hij kennelijk bedoeld heeft te zeggen dat via [naam dochter aangeefster] de indirecte overdracht van zijn DNA kan hebben plaatsgevonden. Dit zou volgens verdachte de aanwezigheid van zijn DNA-sporen op dat zakje kunnen verklaren.

De rechtbank hecht geen geloof aan de alternatieve scenario’s. Dat verdachte vrijwel dagelijks bij [naam dochter aangeefster] over de vloer komt, wordt niet ondersteund door de verklaring van [naam dochter aangeefster] en blijkt ook overigens niet uit het dossier. Bovendien is het scenario dat lichaamseigen materiaal van de verdachte, door een derde ontvangen op een andere plaats en vervolgens door die derde overgebracht naar de plaats delict dan daar wordt achtergelaten op een voorwerp dat een overvaller in handen heeft gehad, nogal onaannemelijk.

De conclusie dat de verdachte betrokken is bij de overval wordt bovendien versterkt door het volgende.

De andere overvaller is door aangever [naam slachtoffer 2] aan zijn stem en zijn postuur herkend. Hij wijst [naam medeverdachte] aan, de oom van de verdachte. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de bij deze medeverdachte in gebruik zijnde telefoon met nummer [gsm-nummer] omstreeks het tijdstip van de overval diverse malen een zendmast aan de Marconistraat nabij de plaats delict heeft aangestraald. Verder is gebleken dat de verdachte met enige regelmaat samen met de medeverdachte [naam medeverdachte] diefstallen en overige strafbare feiten heeft gepleegd. Ter zitting heeft de verdachte bevestigd tenminste eenmaal te zijn veroordeeld voor een strafbaar feit dat zij samen hebben gepleegd.

5.1.3.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Voorwaardelijk verzoek

Door de raadsman van de verdachte is ter zitting een voorwaardelijk verzoek gedaan voor het geval de rechtbank niet tot een integrale vrijspraak zou komen. In dat geval wenst de verdediging zich te kunnen beraden over een onderzoek op activiteitenniveau door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) met betrekking tot de vraag hoe het celmateriaal van de verdachte op het stoffen zakje kan zijn terechtgekomen.

Nu de rechtbank de door de verdachte mogelijk verrichte activiteiten reeds heeft betrokken bij haar onderzoek naar alternatieve scenario’s en tot de conclusie is gekomen dat indirecte overdracht zoals door de verdediging als mogelijkheid van overdracht gesteld redelijkerwijs is uitgesloten, heeft een dergelijk onderzoek geen meerwaarde.

Het verzoek van de raadsman wordt afgewezen.

5.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 10 oktober 2019 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geld en sieraden en een zonnebril, toebehorende aan [naam slachtoffer 1] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan een andere deelnemer van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit het

- met kracht duwen tegen en open duwen van de voordeur en

- meermalen slaan van die [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 1] en

- aan de enkels slepen van die [naam slachtoffer 2] naar /een slaapkamer en

- meermalen schoppen en trappen tegen de rug en het hoofd van die [naam slachtoffer 2] en
- tonen en/of voorhouden van een mes en

- maken van stekende bewegingen met een mes naar, die [naam slachtoffer 1] en
- zeggen tegen die [naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 1] : "waar is het geld" en "je hebt meer, waar is alles?" en [naam zoon dochter aangeefster] weet dat er geld en sieraden zijn" en "zeg waar het ligt anders vermoord ik jullie" en "nu geef je mij geld anders steek ik je zoon dood en daarna jou en ik steek je huis in de brand", en

- in een slaapkamer opsluiten van die [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 1] .

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

6. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

7. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

8. Motivering straf

8.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

8.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

Verdachte heeft zich samen met zijn oom, de medeverdachte, schuldig gemaakt aan een woningoverval bij familieleden van de ex-partner van zijn oom. Bij deze overval is de verdachte onder valse voorwendselsen en met grof geweld de woning binnengedrongen, waarna de medeverdachte volgde. Eenmaal binnen hebben zij de aangevers versleept naar een slaapkamer waar zij moesten blijven zitten of liggen en vertellen waar de sieraden en geld lagen, terwijl zij werden mishandeld en bedreigd en de woning overhoop werd gehaald. Om hun eis kracht te zetten hebben de verdachte en de medeverdachte ook een mes gebruikt. Nadat de verdachten geld en sieraden hadden buitgemaakt, hebben zij de aangevers opgesloten in de slaapkamer.

Dit is een zeer ernstig feit.

Door aldus te handelen heeft de verdachte op intimiderende wijze een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers, temeer omdat de eigen woning bij uitstek de plaats is waar mensen zich veilig moeten kunnen voelen. Daarnaast heeft zowel de 70-jarige bewoonster als haar zoon verwondingen, zoals diverse kneuzingen, zwellingen en bloeduitstortingen opgelopen. Deze brute mishandeling vormt een ernstige inbreuk op hun lichamelijke en psychische integriteit.

Dit blijkt ook uit de slachtofferverklaringen van de slachtoffers. Zij beschrijven daarin dat het gebeuren bij hen diepe sporen heeft nagelaten. Zij hebben angst gevoeld en kampen met herbelevingen en psychische klachten. Hun gevoel voor veiligheid is aangetast en ook spreekt uit de slachtofferverklaring boosheid over het feit dat zij (tijdens de overval) zich onmachtig hebben gevoeld.

Daarnaast veroorzaken dergelijke misdrijven in de samenleving onrust en algemene gevoelens van onveiligheid.

De verdachte is aan al deze gevolgen voorbij gegaan. Bovendien zijn er aanwijzingen dat het om een geplande actie ging, omdat hij en zijn medeverdachte in de veronderstelling verkeerden dat er geld en sieraden in de woning waren opgeborgen.

Kennelijk heeft hij alleen oog gehad voor wat deze overval hem zou opleveren.

De rechtbank neemt dit de verdachte uiterst kwalijk.

8.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

8.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 20 februari 2020, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld, waaronder ook voor diefstallen.

8.3.2.

Rapportages

Reclassering Nederland, afdeling reclassering, heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 28 mei 2020, opgemaakt door mw. [naam reclasseringsmedewerkster] .

Dit rapport houdt het volgende in.

De verdachte is vaker in aanraking gekomen met justitie. Ten tijde van het plegen van het onderhavige feit stond hij onder reclasseringstoezicht. Aanvankelijk leek hij vooruitgang te boeken. Zo had hij een dagbesteding, leek hij afstand gedaan te hebben van zijn negatieve vriendennetwerk en kon hij beter omgaan met zijn emoties.

De verdenking in onderhavige strafzaak valt niet geheel te rijmen met deze ontwikkelingen en is zorgwekkend. In de eerste plaats is er sprake van een toename in ernst van het delictgedrag en daarnaast zijn de feiten gepleegd binnen de proeftijd, waarbij hij werd begeleid en ook recentelijk nog een behandeltraject had afgerond bij de Waag.

Ondanks het gegeven dat het gaat om een ontkennende verdachte ziet de reclassering risicofactoren. Eén daarvan is het contact met zijn oom met wie en onder wiens invloed hij meer dan eens delicten heeft gepleegd. Van belang is dat de verdachte een consequente dagbesteding heeft met een eigen inkomen. Hiermee kan hij een vaste structuur en een betere maatschappelijke binding krijgen en toewerken naar meer zelfstandigheid.

Bij een veroordeling wordt begeleiding op bovenstaande risicovolle punten, interventie en toezicht door de volwassenreclassering geadviseerd. De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

Ter zitting heeft mevrouw [naam medewerkster jeugdreclassering] van de Jeugdreclassering verklaard dat zij de verdachte sinds januari 2017 heeft begeleid en dat hij over het algemeen goed heeft meegewerkt. Via de Waag heeft hij een Topzorgtraject doorlopen.

Psycholoog drs. [naam psycholoog] heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 22 mei 2020. Dit rapport houdt het volgende in.

Er is bij de verdachte sprake van een verstandelijke beperking in de vorm van zwakbegaafdheid. Ook was er sprake van een psychische stoornis in de vorm van een matig ernstige oppositionele-opstandige stoornis, die zich leek door te ontwikkelen richting een normoverschrijdende gedragsstoornis/antisociale persoonlijkheidsontwikkeling. Er lijkt sprake te zijn van stabilisatie van de persoonlijkheidsontwikkeling, maar mocht het ten laste gelegde bewezen worden verklaard, dan zijn de zorgen over de persoonlijkheidsontwikkeling van de verdachte des te groter, mede gezien de toename in ernst van het delictgedrag.

Ten tijde van het ten laste gelegde was de genoemde problematiek aanwezig.

Omdat de verdachte ontkent, kan niet worden beoordeeld of en zo ja, in welke mate die problematiek heeft doorgewerkt in het ten laste gelegde. Wel is het zo dat de verdachte vanwege zijn zwakbegaafdheid beperkt in staat is om de gevolgen van zijn gedrag te overzien en hij is beïnvloedbaar. Dit maakt hem vatbaar voor criminogene invloeden vanuit de familie. Zijn persoonlijkheidsontwikkeling lijkt zich, sinds december 2018, te hebben gestabiliseerd. Het recidiverisico wordt derhalve ingeschat als laag. Indien het ten laste gelegde bewezen wordt verklaard, verhoogt dit het risico op recidive aanzienlijk.

8.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

De rechtbank heeft er voorts rekening mee gehouden dat er bij de verdachte, blijkens de rapportages, sprake is van zwakbegaafdheid en mogelijk psychische problematiek, (mede) waardoor hij beïnvloedbaar lijkt te zijn. Kennelijk is er sprake van een zodanige invloed en overwicht van zijn oom dat de verdachte geen weerstand kan bieden. Een contactverbod met deze oom zou herhaling kunnen voorkomen.

Voorts acht de rechtbank het van belang dat de verdachte inzicht krijgt in eigen gedrag en handelen en dat hij zonodig gediagnostiseerd wordt en zich laat behandelen voor zijn eventuele problematiek.

Gelet op al het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met daaraan gekoppeld een verplicht reclasseringscontact, met de onderstaande bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd in het reclasseringsrapport van 28 mei 2020, te weten.

  • -

    meldplicht bij reclassering

  • -

    ambulante behandelverplichting

  • -

    contactverbod

  • -

    inspanningsverplichting dagbesteding

Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

9. Vorderingen benadeelde partijen/ schadevergoedingsmaatregelen

[naam slachtoffer 1]

Als benadeelde partij heeft zich, vertegenwoordigd door mr. P.R. Hogerbrugge, advocaat te Vlaardingen, in het geding gevoegd: [naam slachtoffer 1] . De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 2.700,-- aan materiële schade (bestaande uit het weggenomen bedrag van € 200,-- en de geschatte waarde van de gestolen sieraden, € 2.500,--) en daarnaast een vergoeding van € 2.000,-- aan immateriële schade, in totaal € 4.700,--.

[naam slachtoffer 2]

Als benadeelde partij heeft zich, eveneens vertegenwoordigd door mr. Hogerbrugge voornoemd, in het geding gevoegd: [naam slachtoffer 2] . De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 2.000,-- aan immateriële schade.

9.1.

Standpunt officier van justitie

[naam slachtoffer 1]

De vordering van de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] is voldoende is onderbouwd en kan integraal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente. Voorts vordert de officier van justitie oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[naam slachtoffer 2]

De vordering van de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] tot vergoeding van € 2.000,-- aan immateriële schadevergoeding op grond van ontstane psychisch letsel dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. Er ontbreken stukken ter onderbouwing van het causaal verband tussen het bewezenverklaarde feit en de gestelde psychische aandoening bij de benadeelde partij.

9.2.

Standpunt verdediging

Primair verzoekt de verdediging de beide vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren,

omdat vrijspraak is bepleit.

[naam slachtoffer 1]

Subsidiair is verzocht om de vordering ten aanzien van de materiele schade (gouden sieraden) af te wijzen, wegens het ontbreken van een deugdelijke onderbouwing, meer subsidiair de vordering niet-ontvankelijk te verklaren in verband met een onevenredige belasting van het strafgeding door de behandeling, meest subsidiair om het toe te wijzen bedrag voor de sieraden te matigen tot € 500,--.

Ten aanzien van de immateriële vordering is subsidiair verzocht om de vergoeding te matigen tot een bedrag van € 1.500,--.

[naam slachtoffer 2]

Subsidiair is verzocht om het toe te wijzen bedrag te matigen tot € 750,-., meer subsidiair om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, omdat behandeling een onevenredige belasting van het strafgeding vormt.

9.3.

Beoordeling


[naam slachtoffer 1]

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De materiële schade bestaande uit het weggenomen geldbedrag van € 200,-- wordt toegewezen. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien de bewijsstukken ter onderbouwing van de gestolen sieraden thans ontbreken. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Daarnaast is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] door het
bewezenverklaarde feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien zij ten gevolge van het strafbare feit in haar lichamelijke integriteit is aangetast. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 2.000,--.

[naam slachtoffer 2]

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien hij ten gevolge van het strafbare feit in zijn lichamelijke integriteit is aangetast. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 2.000,--.

[naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2]

De benadeelde partijen hebben gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 10 oktober 2019.

Nu de vordering van de benadeelde partijen (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partijen betaalt, is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partijen van deze betalingsverplichting bevrijd.

9.4.

Conclusie

De verdachte moet de volgende bedragen aan schadevergoeding betalen:

- aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] : € 2.200,--;

- aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] : € 2.000,--;

telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 oktober 2019.

Tevens wordt telkens oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

Over een deel van de gevorderde schadevergoeding door [naam slachtoffer 1] wordt in deze procedure geen inhoudelijke beslissing genomen.

10. Vorderingen tenuitvoerlegging

10.1

Vonnissen waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 13 december 2018 van de meervoudige kamer van de rechtbank te Den Haag is de verdachte in de zaak met parketnummer 09/817343-18 - voor zover van belang – ter zake van medeplegen van oplichting, gekwalificeerde diefstallen en het opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen, veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie van 78 dagen, met een proeftijd van twee jaar. De proeftijd is ingegaan op 27 december 2018 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

Bij vonnis van 22 juli 2019 van de politierechter in deze rechtbank is de verdachte in de zaak met parketnummer 09/027932-19 ter zake van het opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen, veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 300,-, met een proeftijd van twee jaar. De proeftijd is ingegaan op 6 augustus 2019 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

10.1.

Standpunt officier van justitie/Standpunt verdediging

Ter zitting heeft de officier van justitie gerekwireerd tot toewijzing van de hiervoor genoemde vorderingen.
De raadsman heeft bepleit de vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren.

10.2.

Beoordeling

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van de onder 10.1 vermelde vonnissen en voor het einde van de bijbehorende proeftijden gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan voormelde vonnissen verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

De tenuitvoerlegging van alle gevorderde voorwaardelijke straffen kan daarom worden gelast.

De rechtbank acht de oplegging van de geldboete echter niet aangewezen, nu aan de verdachte voor het onderhavige feit een langdurige gevangenisstraf wordt opgelegd.

Deze vordering in de zaak met parketnummer 09/027932-10 zal daarom worden afgewezen.

De vordering in de zaak met parketnummer 09/817343-18 wordt toegewezen, met dien verstande dat -in verband met de huidige leeftijd van de verdachte-, de op te leggen jeugddetentie worden omgezet naar een gevangenisstraf van gelijke duur (87 dagen).

11. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

12. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

13. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van tweeënveertig (42) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot twaalf (12) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

stelt als bijzondere voorwaarden:

- de veroordeelde zal zich melden bij de reclassering, afdeling volwassenreclassering, na het ingaan van de proeftijd en zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;

- de veroordeelde zal zich, indien de toezichthouder dit noodzakelijk acht, melden voor intake en behandeling bij een poliklinische instelling voor het verkrijgen van inzicht in eigen gedrag en handelen in relatie tot onderhavige delictsituatie;

- de veroordeelde zal zich gedurende de proeftijd inspannen voor het behoud van een consequente en structurele dagbesteding, in de vorm van een baan, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- de veroordeelde zal op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zoeken met zijn oom [naam medeverdachte] (geboortedatum [geboortedatum medeverdachte] ), medeverdachte in de onderhavige strafzaak, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt, waarbij de politie zal toezien op handhaving van dit contactverbod;

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving

van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


veroordeelt de verdachte, hoofdelijk met diens mededader, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij
[naam slachtoffer 1], te betalen een bedrag van € 2.200,-- (zegge: tweeduizendtweehonderd euro), bestaande uit € 200,-- aan materiële schade en € 2.000,-- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 10 oktober 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] te betalen

€ 2.200,-- hoofdsom (zegge: tweeduizendtweehonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 2.200,-- niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 32 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

veroordeelt de verdachte, hoofdelijk met diens mededader, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij
[naam slachtoffer 2], te betalen een bedrag van € 2.000,-- (zegge: tweeduizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 10 oktober 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] te betalen

€ 2.000,-- hoofdsom (zegge: tweeduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 2.000,-- niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 30 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

gelast de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte van bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank ‘s-Gravenhage aan de veroordeelde opgelegde jeugddetentie, met omzetting naar een gevangenisstraf, voor de tijd van 87 dagen (parketnummer 09/817343-18);

wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 22 juli 2019 van de politierechter in deze rechtbank aan de verdachte oplegde voorwaardelijke geldboete (parketnummer 09/027932-19).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E. Rabbie, voorzitter,

en mrs. M.V. Scheffers en J.L.M. Boek , rechters,

in tegenwoordigheid van mr. U. Ramdihal-Poeran, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 september 2020.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

dat hij op of omstreeks 10 oktober 2019 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen geld en/of sieraden en/of een zonnebril, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan
[naam slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich of een ander of anderen wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en/of bedreiging met geweld die [naam slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van geld en/of sieraden en/of een zonnebril, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- met kracht duwen tegen en/of open duwen van de voordeur en/of
- meermalen slaan en/of stompen van die [naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 1] en/of
- aan de enkels slepen van die [naam slachtoffer 2] naar de/een slaapkamer en/of
- meermalen schoppen en/of trappen tegen de rug en/of het hoofd van die [naam slachtoffer 2] en/of
- tonen en/of voorhouden van een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp

en/of

- maken van stekende bewegingen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, naar, althans in de richting van die [naam slachtoffer 1] en/of
- zeggen tegen die [naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 1] : "waar is het geld" en/of "je hebt meer, waar is alles?" en/of [naam zoon dochter aangeefster] weet dat er geld en sieraden zijn" en/of "zeg waar het ligt anders vermoord ik jullie" en/of "nu geef je mij geld anders steek ik je zoon dood en daarna jou en ik steek je huis in de brand", althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of
- in de/een slaapkamer opsluiten van die [naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 1] .