Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:7924

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-09-2020
Datum publicatie
16-09-2020
Zaaknummer
8482497 CV EXPL 20-12919
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

studieovereenkomst, betalingsverplichting rust op contractuele wederpartij, eisen aan het instellen van een eis in reconventie, artikel 136 Rv

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2020/265
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zaaknummer: 8482497 CV EXPL 20-12919

Uitspraak: 11 september 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BEROEPSOPLEIDING MAKELAARS B.V.,

gevestigd te Nootdorp, gemeente Pijnacker-Nootdorp,

eiseres bij exploot van 22 april 2020,

gemachtigde: mr. J.A.M. van de Sande te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. H.H. Veurtjes te Rotterdam.

Partijen worden hierna ‘Bom’ respectievelijk ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken:

 de dagvaarding, met producties;

 de conclusie van antwoord;

 de conclusie van repliek, met producties;

 de conclusie van dupliek, met productie.

1.2

De datum van de uitspraak van dit vonnis is door de kantonrechter bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten, nu deze enerzijds zijn gesteld dan wel blijken uit de overgelegde stukken en anderzijds zijn erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd zijn bestreden:

2.1

Door middel van een door hem ondertekend en aan Bom toegezonden inschrijfformulier gedateerd 29 januari 2019 heeft [gedaagde] zich als cursist voor de Praktijkopleiding Makelaar/Taxateur Woningen bij Bom ingeschreven.

2.2

Op het inschrijfformulier zijn onder het kopje ‘Bedrijfsgegevens (invullen indien u de factuur op naam van uw bedrijf of werkgever wilt ontvangen’ de (bedrijfs)gegevens van de (toenmalige) werkgever van [gedaagde] ( [naam bedrijf] , hierna: ‘ [naam bedrijf] ’) vermeld alsook haar rekeningnummer. Ook is daar een handtekening van de rekeninghouder gezet.

2.3

Op het inschrijfformulier is verder (onder meer) de volgende tekst vermeld:

“(…)

Cursist(e) schrijft zich in voor de Praktijkopleiding Makelaar/Taxateur Woningen Najaar 2018. De totale investering voor deze opleiding is € 2.595,-- inclusief 21% btw (…).

(…)

Factuuroptie (vink uw gewenste optie aan)

(…)

 Factuur per module, te voldoen binnen 14 dagen na factuurdatum.

(…)

Ondertekening

Door ondertekening van dit inschrijfformulier verklaar ik bekend te zijn met de bij deze opleiding behorende cursusinformatie en ga ik akkoord met de geldende Algemene Studievoorwaarden Opleidingen. (…) U vindt de Algemene Studievoorwaarden Opleidingen (…) op www.makelaarsopleidingen.nl

(…)”.

2.4

Bij e-mail van 5 maart 2019 heeft [gedaagde] Bom het volgende geschreven:

“(…)

Naar aanleiding van ons telefoongesprek wil ik i.v.m. werksituatie per omgaande module 2 en 3 van de praktijkopleiding Makelaar/Taxateur stopzetten.

U heeft mij op de hoogte gebracht van de administratiekosten á 125 euro (incl. BTW).

Ik hoop ten zeerste dat u uit coulance de kosten voor module 2 niet in rekening wilt brengen. Module start deze week.

In angst dat mijn werkgever deze kosten bij mij in rekening gaat brengen, verblijf ik,

(…)”.

2.5

Bom heeft daarop diezelfde dag per e-mail het volgende geantwoord:

“(…)

(…) Gezien jouw bijzondere omstandigheden hebben wij besloten jou de module Bemiddelen niet te factureren, ondanks het feit dat je hiervoor ingeschreven bent en hierover per email informatie over hebt ontvangen. De eerder aan jou gefactureerde module Taxatiestandaarden dient wel betaald te worden. Zojuist heb ik onze Financiële Administratie verzocht om jou het bedrag van € 125,-- inclusief 21% btw aan administratiekosten te factureren voor het stopzetten van de Praktijkopleiding Makelaar-Taxateur. De leeromgeving zullen wij op 5 april 2019 inactief plaatsen, zodat je nog tot die tijd de gelegenheid hebt om de module Taxatiestandaarden af te ronden en hiervoor eventueel examen te doen.

(…)”.

2.6

Op 11 maart 2019 heeft Bom [naam bedrijf] een factuur voor een bedrag van € 745,- gezonden. Deze heeft betrekking op de (eerste) module Taxatiestandaarden (€ 620,-) en op de ‘annuleringskosten/wijzigingskosten wegens stopzetten van de opleiding’ (€ 125,-).

2.7

Bij factuur van 15 mei 2019 heeft Bom deze twee posten aan [gedaagde] zelf in rekening gebracht.

2.8

Bij e-mail van 20 mei 2019 heeft Bom [gedaagde] het volgende geschreven:

“(…)

Naar aanleiding van ons telefonisch onderhoud van 20 mei 2019, bevestigen wij hierbij de betalingsregeling. De regeling gaat in per 31 mei 2019.

Met ingang van bovengenoemde datum betaalt u € 149,- per maand. Alle bedragen dienen voor eind van iedere maand bijgeschreven te zijn op onze bankrekening (…). Het totaal bedrag wat u dient te voldoen bedraagt € 745,- (5 termijnen).

U dient deze regeling stipt na te komen. Blijft u in gebreke door tijdige betaling, dan vervalt de regeling. Het restant verschuldigde dient dan zonder verdere aanmaning in één keer te worden betaald. (…)”.

3. Het geschil

3.1

Bom heeft bij dagvaarding, onder overlegging van producties, gevorderd om [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van € 745,- aan hoofdsom en € 111,75 aan buitengerechtelijke kosten, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 mei 2019 tot de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

3.2

Ter toelichting daarop heeft Bom naast de onder 2 genoemde feiten -samengevat en voor zover thans van belang- aangevoerd dat [gedaagde] ondanks aanmaning en de met hem getroffen regeling in gebreke is gebleven met betaling van hetgeen hij uit hoofde van de door hem met Bom aangegane maar enige tijd daarna door hem wegens zijn werksituatie weer stopgezette studieovereenkomst aan Bom verschuldigd is geworden. Het betreft een bedrag van € 620,- voor de eerste module en een bedrag van € 125,- aan annuleringskosten, tezamen derhalve € 745,- aan hoofdsom. Zij heeft dit bedrag in eerste instantie aan [naam bedrijf] in rekening gebracht (zie 2.6) maar daarop volgde geen betaling. Op telefonisch verzoek van [gedaagde] heeft Bom de factuur vervolgens op zijn naam gesteld (zie 2.7). Ondanks de daarna met hem getroffen betalingsregeling (zie 2.8) volgde daarop echter evenmin betaling.

Naast voormelde hoofdsom maakt Bom aanspraak op € 111,75 aan buitengerechtelijke kosten en op de wettelijke rente (in de zin van artikel 6:119 BW) over beide bedragen.

3.3

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van het door Bom gevorderde, met veroordeling van Bom in de buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 450,- exclusief btw alsook in de proceskosten.

Daartoe heeft hij -ook samengevat en voor zover nu van belang- aangevoerd dat er geen studieovereenkomst tussen hem en Bom tot stand gekomen is, nu uit niets blijkt dat zijn inschrijving werd geaccepteerd. Een bevestiging daarvan heeft hij nimmer ontvangen. Mocht dat verweer niet opgaan, dan geldt dat op hem nimmer een betalingsverplichting is komen te rusten. Uit het inschrijfformulier blijkt namelijk dat het de bedoeling was dat [naam bedrijf] de kosten zou betalen. Als hij deze kosten zelf zou moeten betalen, dan had hij zich nooit ingeschreven als cursist. [gedaagde] betwist in dit verband voorts dat de onder 2.6 bedoelde factuur aan [naam bedrijf] werd gezonden en dat zij geweigerd zou hebben te betalen.

Voorts bestaat er geen grond voor toewijzing van de annuleringskosten. Het is wel zo dat [gedaagde] uit coulance heeft voorgesteld de annuleringskosten van € 125,- te betalen maar dat aanbod is door Bom niet aanvaard.

Verder merkt hij op dat hij weliswaar inloggegevens voor de digitale leeromgeving heeft ontvangen maar (verder) geen scholing. Het volgen van deze opleiding was ook slechts in het belang van [naam bedrijf] . Inmiddels werkt [gedaagde] bij een transportbedrijf. Hij heeft daarom niets aan de opleiding van Bom.

Tot slot maakt [gedaagde] jegens Bom aanspraak op een bedrag van € 450,- (exclusief btw) aan buitengerechtelijke kosten. Dit ziet op de tijd die hij met betrekking tot deze zaak heeft besteed aan besprekingen, telefoongesprekken, het voeren van correspondentie, studie van het dossier en studie in rechte, derhalve op gemaakte kosten van rechtsbijstand en ter voorkoming van schade en aansprakelijkheid.

3.4

Op hetgeen partijen overigens naar voren hebben gebracht, wordt hierna, voor zover voor de uitkomst van de procedure van belang, bij de beoordeling teruggekomen.

4. De beoordeling

4.1

De kantonrechter stelt voorop dat [gedaagde] door het invullen, ondertekenen en vervolgens aan Bom doen toekomen van het onder 2.3 bedoelde inschrijfformulier aan Bom kenbaar heeft gemaakt van de door haar verzorgde opleiding tegen de daarin genoemde prijs en onder verband van de daarin genoemde ‘Algemene Studievoorwaarden Opleidingen’ gebruik te willen maken.

4.2

In reactie op het door [gedaagde] gevoerde verweer dat hem nooit is bevestigd dat zijn inschrijving is geaccepteerd, heeft Bom bij repliek gewezen op de als productie XI bij die conclusie overgelegde e-mail van 12 februari 2019, waarin zij hem schrijft: “Hartelijk dank voor uw inschrijving voor de Praktijkopleiding Makelaar-Taxateur. Graag ontvang ik ter completering van onze administratie het door u behaalde Theoriediploma Makelaar-Taxateur (basis en aanvullend).”, en op de als productie III door haar overgelegde e-mail van 15 februari 2019, waarin zij hem schrijft: “Dank voor jouw terugkoppeling. Ik had inderdaad een kopie van jou diploma nodig. Ik ga de inschrijving vandaag in orde maken en jou toegang geven tot de eerste module van de Praktijkopleiding Makelaar-Taxateur.

4.3

Uit deze e-mails, waarvan de ontvangst door [gedaagde] niet is betwist, blijkt dat Bom de inschrijving (wel degelijk) heeft bevestigd. Overigens heeft [gedaagde] ook niet aangevoerd geen toegang te hebben gekregen tot de eerste opleidingsmodule, zoals hem in laatstbedoelde e-mail in het vooruitzicht was gesteld. Hij heeft, integendeel, gesteld dat hij de inloggegevens voor de digitale leeromgeving heeft ontvangen. Met zijn verweer valt ook bepaald niet te rijmen dat hij Bom op 5 maart 2019 heeft verzocht de studie stop te zetten (zie 2.4). Het door [gedaagde] betrokken standpunt dat er geen overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen omdat zijn inschrijving door Bom nooit zou zijn bevestigd, wordt dan ook verworpen.

4.4

Op basis van de hiervoor genoemde gang van zaken oordeelt de kantonrechter dat de door Bom aan haar vordering ten grondslag gelegde studieovereenkomst tussen haar en [gedaagde] tot stand is gekomen. Hij is het immers geweest die zich als cursist, en daarmee als contractuele wederpartij, van Bom heeft aangemeld en als zodanig het inschrijfformulier, waarin de essentialia van de studieovereenkomst zijn vermeld, heeft ondertekend en heeft doen toekomen aan Bom, welke inschrijving door haar ook is bevestigd. Als gevolg daarvan is op Bom de verplichting komen te rusten de overeengekomen opleiding aan te bieden en op [gedaagde] de verplichting daarvoor de overeengekomen prijs te betalen. Aan die betalingsverplichting staat niet in de weg dat [gedaagde] , naar hij heeft gesteld, niets heeft (gehad) aan de opleiding omdat hij inmiddels bij een transportbedrijf werkzaam is. Dat is immers een omstandigheid die tot de risicosfeer van [gedaagde] behoort.

4.5

De door [gedaagde] aangevoerde omstandigheid dat het de bedoeling was dat niet hij maar zijn toenmalige werkgever de opleidingskosten zou betalen, kan hem evenmin baten. Op het inschrijfformulier is weliswaar tot uitdrukking gebracht dat de factuur op naam van [naam bedrijf] zou moeten worden gesteld, maar dat laat onverlet dat indien vervolgens betaling uitblijft, Bom zich tot haar contractuele wederpartij, [gedaagde] dus, kan wenden omdat op hem de contractuele betalingsverplichting is blijven rusten. Overigens heeft Bom in dat verband onbetwist aangevoerd dat zij de factuur aanvankelijk op naam van [naam bedrijf] heeft gesteld en aan haar heeft doen toekomen (zie 2.6) en deze kosten vervolgens, toen betaling uitbleef, op verzoek van [gedaagde] zelf, bij factuur van 15 mei 2019 (zie 2.7) aan hem in rekening heeft gebracht. In dat verband merkt de kantonrechter nog op dat gesteld noch gebleken is dat [naam bedrijf] enige betaling naar aanleiding van de aan haar toegezonden factuur aan Bom heeft gedaan.

4.6

Eén en ander laat overigens onverlet dat indien tussen [gedaagde] en [naam bedrijf] is overeengekomen dat zij, in hun onderlinge (arbeids)verhouding, de studiekosten voor haar rekening zou nemen, het [gedaagde] uiteraard vrij staat ter zake regres op haar te (trachten te) nemen. Daar staat Bom echter buiten.

4.7

Het voorgaande betekent dat het door Bom aan [gedaagde] in rekening gebrachte bedrag van € 620,- aan studiekosten toewijsbaar is. Hetzelfde geldt voor de door haar van hem gevorderde annuleringskosten van € 125,-. In dat verband heeft zij onbetwist toegelicht dat zij op basis van de toepasselijke voorwaarden gerechtigd was [gedaagde] een hoger bedrag in rekening te brengen in verband met het stopzetten van de opleiding maar dat zij uit coulance ervoor gekozen heeft hem slechts een bedrag van € 125,- aan annuleringskosten in rekening te brengen, waarmee [gedaagde] ook heeft ingestemd en waarvoor met hem zelfs een betalingsregeling werd overeengekomen (zie 2.8). In reactie hierop heeft [gedaagde] niet bestreden dit de tussen partijen overeengekomen wijze is geweest waarop, naast de reeds verschuldigde studiekosten, de voortijdige beëindiging van de studieovereenkomst tussen hen zou worden afgewikkeld. Ook dit deel van de hoofdsom is derhalve toewijsbaar.

4.8

De door Bom over de hoofdsom gevorderde wettelijke rente (in de zin van artikel 6:119 BW) is, als op de wet gegrond en door [gedaagde] niet (afzonderlijk) bestreden, eveneens toewijsbaar.

4.9

Ook de gevorderde buitengerechtelijke kosten van € 111,75 zijn toewijsbaar, nu uit de processtukken dat daarbij is gehandeld overeenkomstig artikel 6:96 lid 6 BW terwijl het gevorderde bedrag ook is berekend overeenkomstig de ter zake geldende tarieven.

4.10

De over deze kosten gevorderde rente is niet toewijsbaar, nu gesteld noch gebleken is dat Bom deze kosten reeds voor dagvaarding aan haar gemachtigde heeft betaald.

4.11

Ten aanzien van de door [gedaagde] bij antwoord gestelde aanspraak op een bedrag van € 450,- exclusief btw aan buitengerechtelijke kosten stelt de kantonrechter voorop dat op grond van artikel 137 Rv een tegenvordering dadelijk bij antwoord moet worden ingesteld. Daarbij geldt bovendien dat de eis in reconventie via een behoorlijke toelichting moet eindigen in een duidelijke vordering, desgewenst uitvoerbaar bij voorraad en gekoppeld aan een proceskostenveroordeling. Ingevolge de toepasselijkverklaring van artikel 111 lid 3 Rv moet bij de eis in reconventie ook melding worden gemaakt van de eerder tegen die eis aangevoerde verweren en de gronden daarvoor en van de bewijsmiddelen ter staving van de aldus betwiste gronden van de tegenvordering,

4.12

Overwogen wordt dat uit het door [gedaagde] op de rolzitting van 16 juli 2020 genomen processtuk, die door hem, althans zijn advocaat-gemachtigde, (ook) enkel is voorzien van de titel ‘conclusie van antwoord’, onvoldoende duidelijk wordt dat hij daadwerkelijk bedoeld heeft een (afzonderlijk te beoordelen) eis in reconventie als bedoeld in artikel 136 e.v. Rv in te stellen, daargelaten nog de vraag of daarbij voldaan is aan de hiervoor bedoelde eisen. Bom heeft bij conclusie van repliek haar (formele) bezwaren ter zake ook kenbaar gemaakt, waarop [gedaagde] bij conclusie van dupliek in het geheel niet is ingegaan. Dat alles leidt tot de slotsom dat de kantonrechter geen aanleiding ziet de door [gedaagde] gestelde aanspraak op buitengerechtelijke kosten te beoordelen.

4.13

[gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure veroordeeld.

5. De beslissing

De kantonrechter:

 veroordeelt [gedaagde] tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Bom te betalen een bedrag van € 745,- aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW daarover vanaf 30 mei 2019 tot de dag van algehele voldoening, en voorts een bedrag van € 111,75 aan buitengerechtelijke kosten;

 veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, tot deze uitspraak aan de zijde van Bom vastgesteld op € 584,09 aan verschotten en € 240,- aan salaris voor haar gemachtigde;

 verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

654