Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:7922

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-08-2020
Datum publicatie
09-09-2020
Zaaknummer
C/10/592001 / HA ZA 20-211
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Fout notaris; rechtsverwerking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2020/107
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/592001 / HA ZA 20-211

Vonnis van 12 augustus 2020

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam eiser 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats eiser 1] ,

2. [naam eiser 2],

wonende te [woonplaats eiser 2] , Tsjechië,

eisers,

advocaat mr. R.C. de Mol te 's-Gravenhage,

tegen

de naamloze vennootschap

LOYENS & LOEFF N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. W.F. Hendriksen te Amsterdam.

Eisers zullen hierna worden aangeduid als [naam eiser 1] en [naam eiser 2] en gezamenlijk als [eisers] Gedaagde zal hierna Loyens & Loeff genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 7 februari 2020, met producties 1 tot en met 21,

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 13,

  • -

    de brief van de rechtbank aan partijen van 17 juni 2020, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,

  • -

    de akte houdende uitlating producties, tevens houdende overlegging producties, tevens vermindering van eis van [eisers] , met producties 22 tot en met 34,

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 22 juni 2020.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

[naam eiser 2] is bestuurder en enig aandeelhouder van [naam eiser 1] .

2.2.

[naam eiser 2] is in 1993 in dienst getreden van Oost Europa Participaties B.V. (hierna: OEP) en is in 1997 aandelen in OEP gaan houden. [naam eiser 1] is in 2002 aandeelhouder van OEP geworden. OEP hield zich bezig met beleggingen in Oost-Europa.

2.3.

In 2008 heeft OEP, bij monde van haar bestuurder [naam 1] (hierna: [naam 1] ), Loyens & Loeff opdracht gegeven voor notariële werkzaamheden ten behoeve van een herstructurering van OEP. Op dat moment hield [naam eiser 2] 39,3% van de aandelen (112.318) in het geplaatste kapitaal van OEP en [naam eiser 1] 5,7% (16.337 aandelen). De overige aandelen werden gehouden R.C.M. Consultancy B.V. (128.655 aandelen), waarvan [naam 1] bestuurder en enig aandeelhouder was, en de Stichting Administratiekantoor OEP (28.590 aandelen).

2.4.

Een e-mail van 29 april 2008 van de heer [naam 2] van Loyens & Loeff aan [naam 1] luidt voor zover hier van belang:

“(…) Je gaf aan dat de aandelen aan [naam eiser 1] en [naam eiser 2] in privé in dezelfde verhouding dienen te worden uitgegeven. Uitgaande van de verhouding van vóór de decertificering komen wij op 1.477.483 aandelen aan [naam eiser 2] privé (31.313/128.655*6.070.500). Derhalve zou voor [naam eiser 1] 4.593.017 aandelen worden uitgegeven. Graag vernemen wij nog of dit de juiste aantallen zijn? (…)”.

2.5.

Op 18 juli 2008 heeft Loyens & Loeff in het kader van de herstructurering van OEP een akte van omzetting en statutenwijziging, een akte decertificering en levering en een akte van uitgifte gepasseerd. [naam eiser 2] en [naam eiser 1] hadden hiertoe aan Loyens & Loeff volmachten verstrekt. Na het verlijden van deze aktes was OEP omgezet in een naamloze vennootschap met de naam Middle Europe Investments N.V. (hierna: MEI) en bestond het geplaatste aandelenkapitaal van MEI uit 15.000.000 aandelen. [naam eiser 2] bezat daarvan 2.635.455 aandelen en [naam eiser 1] 4.864.545. Aldus was vanaf 18 juli 2008 het belang van [naam eiser 2] in MEI 17,57% en van [naam eiser 1] 32,43%.

2.6.

In januari 2011 heeft de accountant van [naam eiser 2] in de jaarstukken per 1 september 2009 een vordering in rekening-courant van [naam eiser 2] op [naam eiser 1] opgenomen van € 647.958,00 met als omschrijving “Korr. Aandelenverhouding”.

2.7.

Een e-mail van [naam eiser 2] aan Loyens & Loeff van 7 maart 2011 luidt voor zover hier van belang:

“(…) Nu wil ik om fiscale redenen het belang in [naam eiser 1] vergroten ten koste van prive (…). Het gaat om 20% van de aandelen (…)”.

De in deze e-mail bedoeld transactie heeft uit eindelijk geen doorgang gevonden.

2.8.

In december 2011 hebben [eisers] hun aandelen in MEI verkocht.

2.9.

Bij brief van 11 december 2014 hebben [eisers] Loyens & Loeff aansprakelijk gesteld voor de schade die is ontstaan (en/of nog zal ontstaan) doordat in juli 2008 de aandelen in MEI (OEP) niet in dezelfde onderlinge verhouding als voordien aan [eisers] zijn uitgegeven.

2.10.

De Belastingdienst heeft op 6 februari 2015 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2008 aan [naam eiser 2] opgelegd, waarbij het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang is bepaald op € 1.900.214,00 vanwege een verschuiving van het aandelenbelang in MEI tussen [naam eiser 2] en [naam eiser 1] . [naam eiser 2] heeft bezwaar gemaakt tegen deze aanslag. De Belastingdienst heeft hierop de aanslag verminderd en – voor zover hier van belang – bovenvermeld belastbaar inkomen bepaald op €1.248.532,00. [naam eiser 2] is vervolgens tegen deze uitspraak op bezwaar in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland. De belastingkamer van de rechtbank Gelderland heeft bij uitspraak van 12 juni 2019 het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van [naam eiser 2] over 2008 vastgesteld op € 446.596,00.

3. Het geschil

3.1.

[eisers] vorderen – na vermindering van eis – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad Loyens & Loeff te veroordelen:

1) tot betaling aan [naam eiser 2] van een bedrag van € 62.181,00, dan wel een in goede justitie te bepalen ander bedrag, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente daarover vanaf 3 oktober 2017 tot de dag der algehele voldoening, althans de wettelijke rente daarover vanaf de dag van dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

2) tot betaling aan [naam eiser 2] van een bedrag van € 46.220,00, dan wel een in goede justitie te bepalen ander bedrag, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente daarover vanaf het moment van betaling door [naam eiser 2] en/of [naam eiser 1] aan BarentsKrans Coöperatief U.A. en/of Eshuis Accountants en Belastingadviseurs B.V., hetgeen per 17 juni 2020 neerkomt op een bedrag van € 9.502,92, althans de wettelijke rente daarover vanaf de dag van dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

3) tot betaling aan [naam eiser 2] van een bedrag van € 82.804,88, dan wel een in goede justitie te bepalen ander bedrag, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente daarover vanaf de dag van dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

4) in de kosten van deze procedure.

3.2.

[eisers] gronden hun vordering op onrechtmatige daad. Zij stellen dat Loyens & Loeff onrechtmatig jegens hen hebben gehandeld, doordat zij bij de herstructurering van OEP in de berekening van de verdeling van de aandelen tussen [naam eiser 2] en [naam eiser 1] een fout hebben gemaakt. Loyens & Loeff is tot het passeren van de akten overgaan zonder akkoord van [eisers] over de aantallen aandelen en zonder hen “te beleren”. Door de fout van Loyens & Loeff heeft er een verschuiving van de aandelen in OEP/MEI tussen [naam eiser 2] en [naam eiser 1] plaatsgevonden. [eisers] stellen dat zij hierdoor schade hebben geleden. Als het belang niet naar [naam eiser 1] was verschoven, dan had [naam eiser 2] na de verkoop in 2011 € 62.181,00 minder aan inkomstenbelasting wegens aanmerkelijk belang betaald. Daarnaast bestaat de schade uit rente, kosten van de accountant en advocaten van [eisers] en gederfde inkomsten.

3.3.

Loyens & Loeff voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van het gevorderde met veroordeling van [eisers] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

Allereerst is aan de orde het verweer van Loyens & Loeff dat – kort gezegd – [eisers] te laat hebben geklaagd over de vermeende fout van Loyens & Loeff en dat de vorderingen van [eisers] daarom zijn vervallen op grond van artikel 6:89 BW (klachtplicht) of artikel 6:2 en 6:248 BW (rechtsverwerking). [eisers] betwisten dat en stellen dat zij pas in 2014 op de hoogte raakten van de fout van Loyens & Loeff en de gevolgen van die fout.

4.2.

Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep op rechtsverwerking. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

4.3.

Voor een geslaagd beroep op rechtsverwerking is enkel tijdsverloop tussen het ontstaan van de vordering en het moment waarop de schuldeiser zijn aanspraak alsnog geldend maakt, niet toereikend. Vereist is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij dat de positie van de schuldenaar onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in het geval de schuldeiser zijn aanspraak alsnog geldend zou maken.

4.4.

Op grond van de stellingen van [eisers] en hetgeen [naam eiser 2] ter zitting heeft verklaard kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat [naam eiser 2] in ieder geval in 2011 ervan op de hoogte was dat de verhouding in de verdeling tussen de aandelen van hemzelf en van [naam eiser 1] in MEI was gewijzigd. Naar het oordeel van de rechtbank mag aangenomen worden dat [naam eiser 2] als professionele en ervaren beleggingsdeskundige zich terdege bewust was van de fiscale relevantie van het verschil of de aandelen door hemzelf of door een door hem beheerste rechtspersoon werden gehouden en dat dus aan de verschuiving van de aandelen van hem naar [naam eiser 1] zowel een fiscaal risico als een mogelijk fiscaal voordeel verbonden was. Dat dit inderdaad het geval is, is onder meer af te leiden uit de onder 2.7 vermelde e-mail, waarin [naam eiser 2] schrijft dat hij om fiscale redenen een deel van de door hem in privé gehouden aandelen wil verhangen naar [naam eiser 1] .

Vaststaat dat [eisers] , toen zij van de verhanging van de aandelen op de hoogte raakten, geen actie hebben ondernomen richting Loyens & Loeff of de belastingdienst. [naam eiser 2] heeft ter zitting medegedeeld dat hij, nadat hij van Loyens & Loeff stukken met betrekking tot de onder 2.5 vermelde herstructurering had ontvangen, geen nader onderzoek naar de oorzaak van de verschuiving heeft ingesteld. [naam eiser 2] en zijn accountant hebben ervoor gekozen de onbedoelde verschuiving te corrigeren door een vordering in rekening-courant van [naam eiser 2] op [naam eiser 1] op te nemen. [naam eiser 2] heeft er dus kennelijk op gegokt dat bovenvermeld risico zich niet zou verwezenlijken en hij heeft de verschuiving van de aandelen en de mogelijke (fiscale) gevolgen daarvan kennelijk aanvaard. Pas nadat het hierboven bedoelde fiscale risico zich in 2014 bleek te realiseren, hebben [eisers] er alsnog toe besloten Loyens & Loeff aansprakelijk te stellen. De omstandigheid dat [naam eiser 2] pas in 2014 wist dat hij schade ging lijden als gevolg van de onbedoelde verschuiving van de aandelen, doet er niet aan af dat hij reeds in 2011 bekend was met de mogelijkheid van schade.

4.5.

Naar het oordeel van de rechtbank wordt Loyens & Loeff door het tijdsverloop onredelijk in haar verweer benadeeld, indien [eisers] hun vorderingsrecht alsnog zouden kunnen uitoefenen. De rechtbank acht aannemelijk dat [eisers] en Loyens & Loeff de fiscale gevolgen van de onopzettelijke verhanging van de aandelen begin 2011 nog zouden hebben kunnen voorkomen door de aandelen alsnog correct te verdelen, dan wel door op dat moment in goed overleg met de belastingdienst een andere regeling te treffen waardoor [eisers] fiscaal in de positie zouden komen te verkeren waarin zij ook zouden hebben verkeerd als de fout niet was gemaakt.

4.6.

Het bovenstaande rechtvaardigt bovendien de conclusie dat, voor zover toch aan een inhoudelijke behandeling van de vorderingen van [eisers] zou worden toegekomen en geoordeeld zou moeten worden dat Loyens & Loeff onrechtmatig jegens [eisers] hebben gehandeld, de nadelige gevolgen van de onbedoelde aandelenverschuiving voor [naam eiser 2] , waarvan in 2014 is gebleken, in redelijkheid niet meer aan Loyens & Loeff kunnen worden toegerekend.

4.7.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen van [eisers] moeten worden afgewezen. De overige stellingen van partijen behoeven geen bespreking meer.

4.8.

[eisers] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Loyens & Loeff worden begroot op:

- griffierecht € 4.131,00

- salaris advocaat 4.804,00 (2,0 punten × tarief € 2.402,00)

Totaal € 8.935,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van Loyens & Loeff tot op heden begroot op € 8.935,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2020.

[2083/1729]