Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:7897

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-08-2020
Datum publicatie
10-09-2020
Zaaknummer
C/10/599089 / JE RK 20-1796
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Toewijzing verzoek tot verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

zaakgegevens: C/10/599089 / JE RK 20-1796

datum uitspraak: 10 augustus 2020

beschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen de GI, gevestigd te Amsterdam,

betreffende

[naam kind] ,

geboren op [geboortedatum kind] 2008 te [geboorteplaats kind] , hierna te noemen [naam kind] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 24 juni 2020, ingekomen bij de griffie op 26 juni 2020.

Op 10 augustus 2020 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de minderjarige [naam kind] , die apart voorafgaand aan de zitting is gehoord;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. R. Delgado;

- een vertegenwoordiger van de GI, [naam vertegenwoordiger] .

De feiten

Het ouderlijk gezag over [naam kind] wordt uitgeoefend door de moeder.

[naam kind] woont bij Youz.

Bij beschikking van 31 juli 2019 is de ondertoezichtstelling van [naam kind] verlengd tot 31 augustus 2020.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 3 april 2020 de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 31 augustus 2020.

Het verzoek

De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [naam kind] te verlengen voor de duur van een jaar. Tevens wordt verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van zes maanden.

De GI heeft ter zitting het verzoek gehandhaafd en als volgt toegelicht.

Youz heeft geadviseerd om een pleeggezin of een gezinhuis voor doordeweeks in te zetten, omdat het niet in het belang van [naam kind] is om weer volledig bij de moeder te gaan wonen. [naam kind] heeft in de tijd dat hij bij Youz verblijft grote stappen gemaakt. Hij is gemotiveerd geraakt voor school en gaat beter om met andere kinderen. Vermoedelijk kreeg [naam kind] thuis bij de moeder onvoldoende ondersteuning en uitdaging. [naam kind] werd door de moeder onvoldoende gestimuleerd om huiswerk te maken of naar buiten te gaan om met vriendjes te spelen. Daarnaast deed [naam kind] waar hij zelf zin in had, waarbij onvoldoende streng werd opgetreden door de moeder. Door haar verstandelijke beperking is het voor de moeder lastig om signalen van [naam kind] op te vangen en weet zij niet goed hoe te reageren op het gedrag van [naam kind] . Haar beperking maakt ook dat zij onvoldoende leerbaar is. Op dit moment gaat [naam kind] een nacht in het weekend op verlof naar de moeder. Het plan is om dit uit te breiden naar een heel weekend. Er moeten nog stappen worden genomen om een heel weekend verlof bij de moeder goed te laten verlopen. [naam kind] kan nog tot december 2020 bij Youz blijven. De GI is opzoek naar een gezinshuis waar hij na zijn verblijf bij Youz terecht kan. Waarschijnlijk kan in september a.s. een behandeling voor [naam kind] beginnen voor zijn sombere gedachten, zijn gedrag en zijn weerstand tegen hulpverlening.

Het standpunt van belanghebbende

Door en namens de moeder is ter zitting verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. De insteek van de uithuisplaatsing van [naam kind] was vanaf het begin af aan om de moeder handvaten te geven, zodat zij om kan gaan met de problematiek van [naam kind] . De moeder is van mening dat zij bij ASVZ onvoldoende wordt begeleid, waardoor voornoemd doel nog niet is bereikt. Mede gelet op het feit dat de behandeling van [naam kind] bij Youz nog niet is afgerond, vindt de moeder het te voorbarig dat er na een paar maanden wordt gezegd dat [naam kind] beter af is bij een pleeghuis of pleeggezin en er niet meer wordt toegewerkt naar een thuisplaatsing van [naam kind] bij de moeder. De moeder is van mening dat de verloven uitgebreid dienen te worden en er meer ingezet moet worden op een gezinsopname bij een organisatie waar de moeder intensiever begeleid kan worden. Een tijdelijke gezinsopname kan een helderder beeld scheppen van de punten waar de moeder tekortschiet. Het leertraject voor de moeder moet langer zijn dan de drie à vier maanden dat [naam kind] bij Youz verblijft.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat er ernstige zorgen zijn over de ontwikkeling van [naam kind] . De zorgen liggen in de opvoedingsomgeving en de problematiek van de moeder. Bij de moeder is sprake van een verstandelijke beperking, waardoor zij onvoldoende in staat is om aan te sluiten bij de ontwikkelingsbehoeften van [naam kind] . [naam kind] is hierdoor onvoldoende in staat gesteld om zijn sociale vaardigheden te ontwikkelen. Het is zorgelijk dat [naam kind] sombere gedachten heeft en suïcide uitspraken heeft gedaan. Daarnaast lukt het de moeder onvoldoende om [naam kind] structuur en regels te bieden, mede als gevolg waarvan [naam kind] zelfbepalend gedrag laat zien.

Sinds 16 maart 2020 verblijft [naam kind] bij Youz, waar hij een behandeling krijgt die onder meer gericht is op het accepteren van gezag en het omgaan van emoties. Daarnaast is de hulp van ASVZ ingezet om de moeder te begeleiden bij de opvoeding van [naam kind] . Gebleken is dat de behandeldoelen op dit moment onvoldoende zijn bereikt. De moeder heeft nog onvoldoende opvoedvaardigheden ontwikkeld om [naam kind] te kunnen opvoeden en de sturing te bieden die hij nodig heeft. Een thuisplaatsing is daarom nu (nog) niet mogelijk.

Gelet op het voorgaande is de kinderrechter vooralsnog van oordeel dat voldaan is aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling verlengen voor de duur van een jaar. Ook is de verlenging van de uithuisplaatsing van [naam kind] noodzakelijk in het belang van zijn verzorging en opvoeding, zoals bedoeld in artikel 1:265b, eerste lid, BW.

Ter zitting is door de GI meegedeeld dat Youz heeft geadviseerd om na het verblijf bij Youz een gezinshuis of pleeggezin in te zetten voor [naam kind] , omdat een thuisplaatsing van [naam kind] ook in de toekomst niet mogelijk wordt geacht. De kinderrechter is van oordeel dat alvorens dit advies bekrachtigd kan worden, de GI bij een mogelijk volgend verlengingsverzoek voor een uithuisplaatsing nader dient te onderbouwen waarom een thuisplaatsing met een eventuele meer intensieve vorm van begeleiding niet tot de mogelijkheden behoort. Er moet worden onderzocht welke mogelijkheden er zijn, waaronder bijvoorbeeld een gezinsopname, om helder te krijgen of de moeder al dan niet nog voldoende leerbaar is en of een volledige thuisplaatsing mogelijk is.

De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [naam kind] tot 31 augustus 2021;

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 31 februari 2021;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken door mr. A. Verweij, kinderrechter, in tegenwoordigheid van E.M.P. van de Kamp als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 19 augustus 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.