Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:7872

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-09-2020
Datum publicatie
09-09-2020
Zaaknummer
ROT 20/2145
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Vereenvoudigde behandeling
Inhoudsindicatie

Dwangsom en beroep wegens niet tijdig beslissen op bezwaar. Omdat vanwege het uitblijven van een voorgeschreven bekendmaking de bezwaartermijn geen aanvang heeft genomen doet zich in dit geval de vraag voor wanneer de beslistermijn als bedoeld in artikel 7:10 lid 1 Awb voor het beslissen op bezwaar is aangevangen. Een redelijke toepassing van artikel 7:10 lid 1 in verbinding met artikel 6:10 lid 2 Awb brengt met zich dat de termijn waarop de beslistermijn voor het beslissen op bezwaar aanvangt de dag na ontvangst van het premature bezwaarschrift is, tenzij de behandeling van het bezwaar of beroep zou kunnen of moeten worden aangehouden tot het begin van de bezwaartermijn. Die situatie doet zich niet voor, want anders dan in de situatie als bedoeld in artikel 6:10 lid 1 onder b Awb was hier het primaire besluit wel reeds genomen voordat bezwaar werd gemaakt.

Omdat eiseres het beroep heeft gehandhaafd, is het beroep gelet op artikel 6:20 lid 3 Awb van rechtswege mede gericht tegen het besluit op bezwaar, omdat dit niet tegemoet komt aan de bezwaren. Eiseres heeft niet gesteld waarom zij het niet eens is met het besluit op bezwaar, ondanks dat zij uitdrukkelijk bij brief van 23 juni 2020 is verzocht om een reactie en daarbij is gewezen op de consequenties van het uitblijven daarvan. Zij heeft uitsluitend aangevoerd dat verweerder een dwangsom moet toekennen. Bij gebrek aan gronden die zien op het besluit op bezwaar is het beroep dat van rechtswege is ontstaan tegen het besluit op bezwaar dan ook kennelijk ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 20/2145

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 september 2020 als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen

[Naam], te [Plaats], eiseres,

gemachtigde: mr. N. Talhaoui,

en

het college van burgemeester en wethouders van Schiedam, verweerder,

gemachtigde: N. Övül.

Procesverloop

Verweerder heeft bij besluit van 9 september 2019 (het primaire besluit) eiseres met ingang van 12 juli 2019 bijstand toegekend op grond van de Participatiewet.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

Eiseres heeft op 21 april 2020 beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar tegen het primaire besluit.

Bij besluit van 8 juni 2020 (het besluit op bezwaar) heeft verweerder besloten op het bezwaar van eiseres.

Overwegingen

1. De rechtbank doet met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

2. De rechtbank heeft eiseres bij brief van 23 juni 2020 bericht dat verweerder inmiddels op het bezwaar heeft beslist. In die brief is aan eiseres gevraagd om binnen twee weken na verzending van die brief te laten weten of zij het beroep wenst te handhaven. Indien zij het niet eens is met het bestreden besluit wordt haar verzocht binnen twee weken aan te geven waarom zij het daarmee niet eens is dan wel binnen een week om uitstel te vragen voor het indienen van gronden. Daarbij is vermeld dat wanneer niet binnen de termijn van twee weken is gereageerd, de rechtbank ervan uit gaat dat eiseres het niet eens is met het bestreden besluit. In dat geval wordt het beroep verder behandeld op grond van het eerder door eiseres ingediende beroepschrift. In de brief van 23 juni 2020 is tot slot vermeld dat eiseres, als daarin geen beroepsgronden zijn vermeld, het risico loopt dat de rechtbank het beroep ongegrond of niet-ontvankelijk verklaart.

3. Eiseres heeft de rechtbank desgevraagd op 24 juni 2020 bericht dat zij het beroep niet intrekt, dit onder de mededeling dat verweerder een dwangsom dient toe te kennen. Omdat geen beslissing voorligt met betrekking tot de toekenning of weigering van een dwangsom, zal de rechtbank het bericht van 24 juni 2020 opvatten als een verzoek aan de rechtbank om toepassing te geven aan artikel 8:55c van de Awb door zelf de verschuldigde dwangsom vast te stellen.

4. De rechtbank stelt voorop dat eiseres procesbelang heeft bij de beoordeling van haar beroep tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaar. Weliswaar is inmiddels op het bezwaar beslist, maar eiseres heeft een belang als bedoeld in artikel 6:20, vijfde lid, van de Awb, reeds omdat voor toekenning van een dwangsom op grond van artikel 8:55c van de Awb een gegrond beroep noodzakelijk is, zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 juli 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:2430).

5. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit wordt gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit. Op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb kan een beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken na de dag waarop de belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

6. Uit het eerste drie leden van artikel 4:17 van de Awb volgt dat het bestuursorgaan indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven aan de aanvrager een dwangsom verbeurt voor elke dag, dat het in gebreke is, te rekenen vanaf twee weken na de dag van ontvangst van de ingebrekestelling, indien die is ontvangen na afloop van de beslistermijn. De dwangsom heeft een looptijd van ten hoogste 42 dagen en bedraagt maximaal € 1.442,-.

7. Eiseres heeft eerst op 5 december 2019 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Verweerder heeft bij brief van 6 december 2019 eiseres in de gelegenheid gesteld binnen twee weken aan te geven waarom te laat bezwaar is gemaakt. Omdat eiseres heeft gesteld dat zij het primaire besluit pas heeft ontvangen op 26 november 2019 met de toezending van stukken in een andere procedure en verweerder geen verzendregistratie heeft bijgehouden en dus de verzending niet aannemelijk heeft kunnen maken, is de rechtbank met partijen van oordeel dat het bezwaar tijdig is ingediend. Omdat eiseres eerst kennis nam van het primaire besluit met de toezending van stukken in een andere procedure, is het primaire besluit niet op de voorgeschreven wijze bekend gemaakt, zodat de bezwaartermijn daarmee geen aanvang heeft genomen (zie ECLI:NL:CRVB:2010:BN4044 en ECLI:NL:CRVB:2018:3935).

8. Uit artikel 6:10, aanhef, en onder a en b, van de Awb volgt dat ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien het besluit ten tijde van de indiening: (a) wel reeds tot stand was gekomen of (b) nog niet tot stand was gekomen, maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was. Een situatie als bedoeld onder a doet zich hier voor. In het tweede lid van artikel 6:10, tweede lid, van de Awb is bepaald dat de behandeling van het bezwaar of beroep kan worden aangehouden tot het begin van de termijn. Uit artikel 7:10, eerste lid, van de Awb volgt dat indien – zoals in dit geval – een commissie als bedoeld in artikel 7:13 is ingesteld het bestuursorgaan binnen twaalf weken beslist, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. Omdat vanwege het uitblijven van een voorgeschreven bekendmaking de bezwaartermijn geen aanvang heeft genomen doet zich in dit geval de vraag voor wanneer de beslistermijn als bedoeld in artikel 7:10, eerste lid, van de Awb voor het beslissen op bezwaar is aangevangen.

9. Naar het oordeel van de rechtbank brengt een redelijke toepassing van artikel 7:10, eerste lid, in verbinding met artikel 6:10, tweede lid, van de Awb met zich dat de termijn waarop de beslistermijn voor het beslissen op bezwaar aanvangt de dag na ontvangst van het premature bezwaarschrift is, tenzij de behandeling van het bezwaar of beroep zou kunnen of moeten worden aangehouden tot het begin van de bezwaartermijn. Die situatie doet zich niet voor, want anders dan in de situatie als bedoeld in artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb was hier het primaire besluit wel reeds genomen voordat bezwaar werd gemaakt. Bovendien heeft verweerder eiseres bij brief van 6 december 2019 een termijn van twee weken gegeven om te verklaren waarom niet binnen zes weken na het primaire besluit bezwaar is gemaakt, zodat het daags na ontvangst ook in behandeling is genomen. De rechtbank merkt in dit verband op dat met de genoemde brief van 6 december 2019 de beslistermijn niet is verdaagd zoals bedoeld in artikel 7:10, tweede lid, van de Awb, want die brief zag niet op het verzuim gronden in te dienen, doch bevatte slechts het verzoek om aan te geven waarom niet binnen zes weken na het primaire besluit bezwaar is gemaakt. Evenmin is de termijn verdaagd of verder uitgesteld op basis van het derde of vierde lid. Dit betekent dat verweerder uiterlijk op 27 februari 2020 diende te beslissen op het bezwaar. Zelfs indien verweerders brief van 6 december 2019 wel zou moeten worden opgevat als de aanhouding van de behandeling van het bezwaar in de zin van artikel 6:10, tweede lid, van de Awb, voor de geboden termijn van twee weken dan zou de beslistermijn ook dan zijn verstreken voor de ingebrekestelling.

10. Omdat eiseres verweerder bij faxbericht van 31 maart 2020 in gebreke heeft gesteld en gesteld noch gebleken is dat verweerder dit faxbericht niet heeft ontvangen, is het op 21 april 2020 door de rechtbank ontvangen beroep wegens niet tijdig beslissen kennelijk gegrond. Voorts is verweerder een dwangsom verschuldigd, te rekenen vanaf twee weken na de ontvangst van de ingebrekestelling, dus vanaf 15 april 2020. Tussen die datum en de bekendmaking van het besluit op bezwaar liggen meer dan 42 dagen, zodat verweerder de maximale dwangsom van € 1.442,- is verschuldigd.

11. Omdat eiseres het beroep heeft gehandhaafd, is het beroep gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb van rechtswege mede gericht tegen het besluit op bezwaar, omdat dit niet tegemoet komt aan de bezwaren. Eiseres heeft niet gesteld waarom zij het niet eens is met het besluit op bezwaar, ondanks dat zij uitdrukkelijk bij brief van 23 juni 2020 is verzocht om een reactie en daarbij is gewezen op de consequenties van het uitblijven daarvan. Zij heeft uitsluitend aangevoerd dat verweerder een dwangsom moet toekennen. Bij gebrek aan gronden die zien op het besluit op bezwaar is het beroep dat van rechtswege is ontstaan tegen het besluit op bezwaar dan ook kennelijk ongegrond.

12. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep wegens niet tijdig beslissen tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank bepaalt de proceskosten op

€ 262,50 aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 525,- en wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep wegens niet tijdig beslissen gegrond;

  • -

    vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar;

- stelt de door verweerder reeds verbeurde dwangsom vast op € 1.442,-;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit op bezwaar ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 262,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Snel-van den Hout, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Stijnen, griffier. De uitspraak is gedaan op 9 september 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De rechter en de griffier zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.