Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:7849

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-09-2020
Datum publicatie
16-09-2020
Zaaknummer
8345473 CV EXPL 20-6262
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

contractsoverneming, artikel 6:159 BW, nakoming factoringovereenkomst, instaan voor vorderingen, artikel 3:35 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zaaknummer: 8345473 CV EXPL 20-6262

Uitspraak: 11 september 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiseres]

,

gevestigd te [vestigingsplaats eiseres] ,

eiseres bij exploot van 10 februari 2020,

gemachtigde: mr. ing. H.W. van Katen te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. F.B.A.M. van Oss te Harderwijk.

Partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ respectievelijk ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken:

 de dagvaarding, met producties;

 de conclusie van antwoord, met productie;

 de conclusie van repliek tevens houdende wijziging van eis, met producties;

 de conclusie van dupliek.

1.2

De datum van de uitspraak van dit vonnis is door de kantonrechter bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten, nu deze enerzijds zijn gesteld dan wel blijken uit de overgelegde stukken en anderzijds zijn erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd zijn bestreden:

2.1

[eiseres] is een ‘factormaatschappij’. Ter toelichting: factoring is een middel voor leveranciers van zaken en diensten om hun cashflow te stimuleren door vorderingen op hun afnemers te ‘factoren’. Daartoe sluit de leverancier een factorcontract met een factormaatschappij die vervolgens op grond van die overeenkomst op korte termijn de facturen die daarvan onderwerp zijn (deels) betaalt en zodoende voorfinanciert. De ‘factor’ (hier [eiseres] ) zal vervolgens die facturen incasseren bij de debiteur op basis van verpanding dan wel cessie van de vordering.

2.2

Op of omstreeks 2 november 2017 is [eiseres] een factoringsovereenkomst aangegaan met [gedaagde] (‘Verkoper). In die overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

“(…)

IN AANMERKING NEMENDE DAT:

A. Verkoper zich richt op zakelijke dienstverlening

B. Verkoper vorderingen heeft verkregen, of in de toekomst zal verkrijgen, op derden (“Debiteuren”), uit hoofde van haar Activiteiten (“Vorderingen”);

(…)

D. Verkoper haar liquiditeitspositie wil verbeteren en in dat kader Vorderingen die zij heeft op Debiteuren wenst te verkopen en in eigendom over te dragen (door middel van cessie) aan [eiseres] , die bereid is – ter hare discretie – Vorderingen te kopen en over te nemen.

(…)

9. GARANTIE

1. Verkoper garandeert aan [eiseres] dat:

a. Verkoper volledig en enig rechthebbende is van de Aangeboden Vorderingen, (…)

b. de Aangeboden Vorderingen niet aantastbaar zijn op grond van juridische verweren van de

Debiteuren (waaronder begrepen de betwisting van de Vorderingen) (...)

(…)

(…)

11. BOETEBEDING

Verkoper staat in voor de door hem afgegeven garanties. Mocht na ondertekening van de Overeenkomst komen vast te staan dat één of meer van deze garanties zijn geschonden op het moment dat de Vordering(en) werd(en) aangeboden ter Overdracht, dan is Verkoper (…) een direct opeisbare boete verschuldigd aan [eiseres] ter hoogte van het bedrag van de betreffende Vordering(en).

(…)”.

2.3

Uit het handelsregister blijkt dat daarin op 11 januari 2016 is geregistreerd dat de ontbonden rechtspersoon [naam bedrijf 1] . (‘ [naam bedrijf 1] ’) is opgehouden te bestaan omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn met ingang van 31 december 2015. Daarin is voorts [gedaagde] opgenomen als enig aandeelhouder, bestuurder en bewaarder van boeken en bescheiden van deze vennootschap.

2.4

Op 17 juli 2019 is tussen [naam bedrijf 2] ‘ [naam bedrijf 2] ’), daarbij vertegenwoordigd door haar bestuurder en enig aandeelhouder [gedaagde] , en [naam bedrijf 3] (‘ [naam bedrijf 3] ’) een overeenkomst van opdracht gesloten, ingevolge welke [naam bedrijf 2] zich als opdrachtnemer jegens (opdrachtgever) [naam bedrijf 3] verbonden heeft om gedurende de periode 14 augustus 2019 tot en met 31 december 2019 bepaalde werkzaamheden uit te voeren. Het betreft (onder andere) ‘het professionaliseren van de afdeling debiteuren en crediteuren’ en ‘het mede vormgeven aan het ondersteunende administratieve proces en de accounting principles van de administratieve organisatie met als gevolg het verbeteren van de liquiditeit van de onderneming’, tegen een uurtarief van € 65,- exclusief btw en reiskosten á € 0,25 per kilometer (exclusief btw). Deze werkzaamheden werden feitelijk door [gedaagde] verricht.

2.5

[gedaagde] heeft (in ieder geval feitelijk) uitvoering gegeven aan de onder 2.2 bedoelde factoringovereenkomst door in totaal meer dan 40 facturen aan [eiseres] te (doen) cederen. Aanvankelijk betrof het facturen van [naam bedrijf 1] op ‘Sales & Finance’ en nadien ging het om facturen vanuit [naam bedrijf 2] op ‘ [naam bedrijf 4] ’ en vanuit [naam bedrijf 1] op [naam bedrijf 3] .

2.6

[gedaagde] heeft (in ieder geval feitelijk) in het kader van de factoringovereenkomst de volgende facturen bij [eiseres] voor cessie aangedragen:

  1. een factuur van 5 augustus 2019 van [naam bedrijf 1] aan [naam bedrijf 3] voor werkzaamheden van [gedaagde] in week 33 van 2019, voor een bedrag van € 3.330,71 (factuurnummer 2019181),

  2. een factuur van 9 augustus 2019 van [naam bedrijf 1] aan [naam bedrijf 3] voor werkzaamheden van [gedaagde] in week 34 van 2019, voor een bedrag van € 3.259,50 (factuurnummer 2019182),

  3. een factuur van 16 augustus 2019 van [naam bedrijf 1] aan [naam bedrijf 3] voor werkzaamheden van [gedaagde] in (eveneens) week 33 van 2019, voor een bedrag van € 3.297,37 (factuurnummer 2019183),

  4. een factuur van 26 augustus 2019 van [naam bedrijf 1] aan [naam bedrijf 3] voor werkzaamheden van [gedaagde] in (eveneens) week 34 van 2019, voor een bedrag van € 3.269,- (factuurnummer 2019184),

  5. en factuur van 30 augustus 2019 van [naam bedrijf 1] aan [naam bedrijf 3] voor werkzaamheden van [gedaagde] in (eveneens) week 34 van 2019, voor een bedrag van € 3.330,71 (factuurnummer 2019185),

  6. een factuur van 2 september 2019 van [naam bedrijf 1] aan [naam bedrijf 3] voor werkzaamheden van [gedaagde] in week 35 van 2019, voor een bedrag van € 3.297,37 (factuurnummer 2019186),

  7. een factuur van 6 september 2019 van [naam bedrijf 1] aan [naam bedrijf 3] voor werkzaamheden van [gedaagde] in week 36 van 2019, voor een bedrag van € 3.278,43 (factuurnummer 2019187),

  8. een factuur van 12 september 2019 van [naam bedrijf 1] aan [naam bedrijf 3] voor werkzaamheden van [gedaagde] in week 37 van 2019, voor een bedrag van € 3.250,06 (factuurnummer 2019188), en

  9. een factuur van 4 oktober 2019 van [naam bedrijf 1] aan [naam bedrijf 3] voor werkzaamheden van [gedaagde] in week 40 van 2019, voor een bedrag van € 3.250,06 (factuurnummer 2019193).

2.7

[eiseres] heeft de koopsom voor deze facturen, waarop overigens steeds wel de naam van [naam bedrijf 1] maar niet haar KvK-nummer -wel dat van [naam bedrijf 2] - staat vermeld en die bij elkaar een bedrag van € 29.563,21 belopen, conform de factoringsovereenkomst overgemaakt naar de daarin genoemde, op naam van [gedaagde] (zelf) gestelde bankrekening.

2.8

Per e-mail van 21 november 2019 heeft [gedaagde] aan ( [naam persoon] van) [eiseres] het volgende geschreven:

“(…)

Beste [naam persoon] ,

In de bijlage de creditnota voor de facturen met nummer 2019185/20192018188 en 2019193, 2019194 en 2019197 voor een bedrag van 22.859.44. Deze facturen hebben jullie nog als onbetaald in de boeken staan.

Zoals besproken staat de overeenkomst die met [naam bedrijf 3] loopt los van de overeenkomst die loopt met [eiseres] echter [eiseres] heeft recht op betaling van deze facturen. Dat er van beide kanten fouten zijn gemaakt resulteert in deze zeer vervelende situatie voor beide partijen.

Hier is geen discussie over en de creditnota zal zsm worden betaald. In week 48 zal er worden gestart met betalen en voor het einde van dit kalenderjaar zal de factuur volledig betaald zijn.

(…)”.

2.9

Als bijlage bij die e-mail is gevoegd een niet op briefpapier gestelde, maar wel (weer) van het KvK-nummer van [naam bedrijf 2] voorziene, creditfactuur van 21 november 2019, voor een bedrag van € 22.859,44, met als onderwerp: “Credit voor factuur 2019185, 2019186, 2019187, 2019188, 2019193, 2019194 en 2019197”.

3. Het geschil

3.1

[eiseres] heeft (na eisvermeerdering bij repliek met de nakosten) gevorderd om [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van € 23.167,15 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke handelsrente daarover vanaf 9 augustus 2019 tot en met de dag van algehele voldoening en met een bedrag van € 1.232,19 aan buitengerechtelijke kosten, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure alsook in de nakosten, deze kosten eveneens vermeerderd met wettelijke rente.

3.2

Ter toelichting op die vordering heeft [eiseres] naast de onder 2 genoemde feiten -samengevat en voor zover thans van belang- het volgende aangevoerd.

Nadat betaling van de door [gedaagde] in haar systeem ingevoerde facturen (zie 2.6) en de daarop aan haar gecedeerde vorderingen op [naam bedrijf 3] uitbleef, heeft [eiseres] onderzoek verricht. Daaruit is gebleken dat [naam bedrijf 3] niet bekend was met die facturen en dat de daarop vermelde uren onjuist of dubbel waren gefactureerd. [gedaagde] had op de betreffende dagen (namelijk) geen werkzaamheden verricht en had de facturen slechts opgemaakt en bij [eiseres] ingediend om betaling van de koopsom te verkrijgen. Aan die facturen, die kennelijk door [gedaagde] zijn opgemaakt om snel over geld te kunnen beschikken door die in te dienen bij [eiseres] terwijl hij wist dat zij die nooit daadwerkelijk betaald zou krijgen, liggen dus geen vorderingen ten grondslag. Daarnaast is [eiseres] gebleken van [gedaagde] zelf invloed had op de uitbetaling van de aan haar gecedeerde facturen. Hij was binnen [naam bedrijf 3] namelijk degene die het debiteuren- en crediteurenbeheer verzorgde. Zo kon hij de facturen bij [eiseres] ter factoring indienen om die daarna, op het moment dat [eiseres] die aan [naam bedrijf 3] zond, uit de e-mailbox van [naam bedrijf 3] te verwijderen. Hij heeft alle onbetaalde facturen uit die e-mailbox gehaald direct nadat die daarin werden ontvangen, zodat bij [naam bedrijf 3] geen argwaan werd gewekt, en die vervangen door één ‘vervangende factuur’, die wel in de administratie van [naam bedrijf 3] terecht is gekomen. Dat betreft een factuur van 30 augustus 2019 van [naam bedrijf 1] aan [naam bedrijf 3] voor werkzaamheden van [gedaagde] in de weken 33 tot en met 35 van 2019, voor een bedrag van € 6.396,06 (met eveneens factuurnummer 2019188). Deze factuur, die [gedaagde] ook bij [eiseres] heeft aangedragen voor factoring, is wel door [naam bedrijf 3] aan [eiseres] betaald. Voorts is gebleken dat [gedaagde] tenminste één factuurbetaling voor een door hem aan [eiseres] gecedeerde factuur vanaf de bankrekening van [naam bedrijf 3] aan zichzelf heeft overgemaakt, terwijl hij het daarbij heeft doen voorkomen alsof het om een betaling aan [eiseres] ging.

[naam bedrijf 3] heeft van dit handelen van [gedaagde] aangifte gedaan.

[eiseres] stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] met voormeld handelen opzettelijk meerdere garanties onder de factoringovereenkomst heeft geschonden. Hij heeft niet alleen opzettelijk in strijd gehandeld met zijn contractuele plicht maar ook met zijn wettelijke plicht, door valsheid in geschrifte te plegen en [eiseres] (te trachten) op te lichten.

Zij heeft van [gedaagde] een bedrag van € 23.167,15 aan hoofdsom te vorderen, zijnde het totaalbedrag van de onder 2.6 genoemde facturen minus het bedrag van de door [naam bedrijf 3] betaalde verzamelfactuur. [gedaagde] heeft zijn terugbetalingsverplichting ook erkend.

Voor het geval hij de aanspraak van [eiseres] toch mocht betwisten, dan geldt als grondslag voor de vordering schadevergoeding wegens het schenden van meerdere garanties onder de factorovereenkomst dan wel oplichting (verkoop van niet-bestaande vorderingen) op grond van artikel 3:44 BW, met vernietiging van de betrokken transacties tot gevolg, resulterend in een terugbetalingsverplichting van [gedaagde] ter hoogte van de door hem gecedeerde facturen minus het door [naam bedrijf 3] betaalde bedrag.

Naast voormeld bedrag en de wettelijke handelsrente daarover vanaf 9 augustus 2019, de eerste datum dat hij een niet-bestaande vordering aan [eiseres] verkocht, maakt [eiseres] jegens [gedaagde] aanspraak op een bedrag van € 1.232,19 (inclusief btw) aan buitengerechtelijke kosten.

Bij conclusie van repliek heeft [eiseres] als aanvullende grondslag voor haar vordering bestuurdersaansprakelijkheid van [gedaagde] aangevoerd, zij het slechts voor het geval door de kantonrechter geoordeeld zou worden dat niet [gedaagde] maar [naam bedrijf 2] de vorderingen aan [eiseres] heeft gecedeerd. Ook dan is [gedaagde] aansprakelijk, nu hij in dat geval de betreffende facturen c.q. vorderingen aan [eiseres] heeft gecedeerd in zijn hoedanigheid van bestuurder van [naam bedrijf 2] , wetende dat het om facturen voor niet verrichte werkzaamheden ging. Daarvan kan hem, als bestuurder, een persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt.

3.3

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd, dat strekt tot afwijzing van het jegens hem gevorderde, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van de procedure.

3.4

Op hetgeen hij als verweer naar voren heeft gebracht en op hetgeen [eiseres] (mede naar aanleiding daarvan) overigens nog heeft aangevoerd, wordt hierna, voor zover voor de uitkomst van de procedure van belang, bij de beoordeling teruggekomen.

4. De beoordeling

4.1

De kantonrechter zal de diverse geschilpunten tussen partijen hierna onderwerpsgewijs aan de orde stellen.

bezwaar tegen de eiswijziging

4.2

[gedaagde] heeft bij conclusie van dupliek bezwaar gemaakt tegen de bij conclusie van repliek door [eiseres] gedane eiswijziging. Daartoe heeft hij naar voren gebracht dat het gaat om een volledige wijziging van de grondslag van de vordering, daarin namelijk bestaande dat hem als bestuurder van een of meerdere vennootschappen een ernstig verwijt kan worden gemaakt, terwijl die vennootschappen niet in deze procedure zijn betrokken. Die grondslag is volgens [gedaagde] ook onvoldoende toegelicht terwijl hij, doordat deze grondslag eerst bij conclusie van repliek wordt opgevoerd, ernstig wordt belemmerd in zijn verweer, omdat hij daarop niet al bij conclusie van antwoord heeft kunnen reageren en dus ‘een ronde’ mist.

4.3

De kantonrechter verwerpt dit bezwaar. Daartoe wordt overwogen dat op de voet van artikel 130 lid 1 Rv [eiseres] in beginsel bevoegd was haar eis of de gronden daarvan te veranderen of te vermeerderen, hetgeen zij overigens, anders dan [gedaagde] lijkt te hebben begrepen, slechts heeft gedaan voor het geval geoordeeld zou worden dat niet [gedaagde] maar [naam bedrijf 2] de vorderingen aan [eiseres] heeft gecedeerd. Afwijking van dat beginsel is slechts dan aan de orde indien de wijziging in strijd zou zijn met de eisen van een goede procesorde maar daarvan is hier niet gebleken. De enkele omstandigheid dat [gedaagde] zich over die grondslag nu slechts eenmaal heeft kunnen uitlaten, is daartoe bepaald ontoereikend, te meer nu hij niet duidelijk heeft gemaakt wat hij in tweede instantie wel maar nu niet naar voren had kunnen brengen.

partijen bij de factoringovereenkomst en de cessie

4.4

Niet in geschil is dat de factoringovereenkomst eind 2017 met [eiseres] werd aangegaan door [gedaagde] zelf (in de uitoefening van een beroep of bedrijf), en niet in zijn hoedanigheid van bestuurder van enige vennootschap. Volgens [gedaagde] is hij echter geen partij (meer) bij de factoringovereenkomst, nu hij zijn activiteiten heeft ondergebracht bij [naam bedrijf 1] en later bij [naam bedrijf 2] . Daarbij heeft hij er ook op gewezen dat de aangeboden facturen op naam van deze vennootschappen steeds door [eiseres] zijn geaccepteerd, dat zij die vorderingen ook steeds aan zich heeft laten cederen op grond van de overeenkomst tussen haar en [naam bedrijf 2] en dat zij ook richting [naam bedrijf 3] aanspraak heeft gemaakt op betaling namens [naam bedrijf 2] . [eiseres] heeft de juistheid van dit verweer bestreden, waarbij zij erop heeft gewezen dat [gedaagde] in de factoringovereenkomst gegarandeerd heeft dat hij volledig en enig rechthebbende is van de aanboden vorderingen, waarvoor hij dus instaat, en dat van contractsoverneming nimmer sprake is geweest.

4.5

De kantonrechter stelt voorop dat op grond van artikel 6:159 lid 1 BW een partij bij een overeenkomst ( [gedaagde] ) haar rechtsverhouding tot de wederpartij ( [eiseres] ) met medewerking van deze laatste kan overdragen aan een derde ( [naam bedrijf 1] / [naam bedrijf 2] ) bij een tussen haar en de derde opgemaakte akte. Nu [eiseres] bij conclusie van repliek het standpunt heeft betrokken dat van zowel bedoelde akte als enige medewerking harerzijds aan contractsoverneming geen sprake is geweest, zou het hier op de weg van [gedaagde] hebben gelegen, voor zover hij zich althans op contractsoverneming door [naam bedrijf 1] en later door [naam bedrijf 2] zou hebben willen (blijven) beroepen, dit verweer bij conclusie van dupliek nader te onderbouwen. Dat heeft hij niet echter gedaan. Dat betekent dat er hierna vanuit wordt gegaan dat [gedaagde] ten aanzien van de factoringsovereenkomst onverkort contractspartij van [eiseres] is gebleven.

4.6

Overigens merkt de kantonrechter op dat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, de stelling van [gedaagde] dat hij zijn activiteiten na het aangaan van de factoringsovereenkomst (in november 2017) heeft ondergebracht bij [naam bedrijf 1] (en later bij [naam bedrijf 2] ), zich niet laat rijmen met de onder 2.3 opgenomen registratie in het handelsregister, volgens welke het ontbonden [naam bedrijf 1] is opgehouden te bestaan omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn met ingang van 31 december 2015. Ook heeft [gedaagde] , maar dat ter zijde, niet verduidelijkt waarom op de hier aan de orde zijnde facturen van [naam bedrijf 1] aan [naam bedrijf 3] wel het logo maar niet het KvK-nummer van [naam bedrijf 1] , en wel dat van [naam bedrijf 2] , staat vermeld (zie 2.7). Hetzelfde geldt, maar ook dat ter zijde, voor de door de kantonrechter gedane constatering dat de facturen volgens het daarop vermelde logo van [naam bedrijf 1] afkomstig lijken te zijn terwijl de daaraan ten grondslag liggende overeenkomst van opdracht met [naam bedrijf 2] werd aangegaan (zie 2.4).

4.7

Bij conclusie van dupliek heeft [gedaagde] nog aangevoerd dat het [naam bedrijf 2] is geweest die werkzaamheden voor [naam bedrijf 3] heeft verricht en dat zij - [naam bedrijf 2] dus en niet [gedaagde] , die immers zelf niets van [naam bedrijf 3] had te vorderen- de facturen (vorderingen) aan [eiseres] heeft gecedeerd. Als dat zo zou zijn, zo overweegt de kantonrechter, is dat dus buiten de door [eiseres] met [gedaagde] gesloten factoringovereenkomst omgegaan, die immers (zie hiervoor 4.5) naar het oordeel van de kantonrechter onverkort heeft voortbestaan tussen [eiseres] en [gedaagde] . Omtrent een (of meerdere) afzonderlijk opgemaakte akte(s) van cessie tussen [eiseres] en [naam bedrijf 2] is echter niets gesteld of gebleken, terwijl, aangenomen dat [gedaagde] dat heeft willen betogen, het hier op zijn weg had gelegen concreet te maken en te onderbouwen dat de vorderingen van [naam bedrijf 2] waarop de onderhavige facturen zien, afzonderlijk (bij akte) aan [eiseres] zijn gecedeerd. Een dergelijke nadere toelichting en onderbouwing heeft [gedaagde] echter niet gegeven. Zijn standpunt dat de vorderingen waarop de onderhavige facturen zien, door [naam bedrijf 2] aan [eiseres] zijn gecedeerd, wordt dan ook verworpen.

4.8

Een en ander neemt niet weg dat het hier, gelet op de facturen en de onder 2.4 bedoelde overeenkomst van opdracht, gaat om (gepretendeerde) vorderingen van [naam bedrijf 1] (die immers op het briefpapier wordt vermeld) dan wel van [naam bedrijf 2] (wier KvK-nummer daarop dan weer is gedrukt), zodat in beginsel niet [gedaagde] in privé maar slechts [gedaagde] als bestuurder van [naam bedrijf 1] (als die toen nog bestond) dan wel van [naam bedrijf 2] beschikkingsbevoegd was de (gestelde) vorderingen op [naam bedrijf 3] aan [eiseres] te cederen.

4.9

In dit geval -zo heeft [eiseres] onweersproken gesteld- heeft [gedaagde] de bedoelde facturen (feitelijk) in het systeem van [eiseres] ingevoerd, heeft [eiseres] die geaccepteerd en heeft zij de koopsom daarvoor aan de in de factoringovereenkomst opgenomen bankrekening van [gedaagde] (zelf) overgemaakt (zie 2.7). Door aldus te handelen heeft [gedaagde] , gezien artikel 9 lid 1 sub a (zie 2.2) van de door hem (en dus niet door [naam bedrijf 1] dan wel [naam bedrijf 2] ) met [eiseres] gesloten factoringsovereenkomst, jegens haar niet slechts verklaard, maar sterker nog: gegarandeerd, dat hij (en dus niet [naam bedrijf 1] of [naam bedrijf 2] ) volledig en enig rechthebbende is van de door hem bij [eiseres] aangeboden vorderingen. Onder de gegeven omstandigheden mocht, naar het oordeel van de kantonrechter, [eiseres] er in ieder geval op vertrouwen dat [gedaagde] , bijvoorbeeld omdat de betrokken vennootschap waarvan hij enig bestuurder was de vorderingen daarvoor aan hem had gecedeerd, volledig en enig rechthebbende van die vorderingen was en deze aan haar kon overdragen. Anders gezegd, mocht juist zijn dat [gedaagde] (toch) niet volledig en enig rechthebbende van die vorderingen was, dan kan hij dat, gelet op het bepaalde in artikel 3:35 BW, hier niet met recht aan [eiseres] tegenwerpen maar dient hij jegens haar voor zijn verklaring en garantie in te staan, zoals ook in artikel 11 van de factoringsovereenkomst nog eens tot uitdrukking is gebracht. Het andersluidende standpunt van [gedaagde] wordt dan ook verworpen.

ten aanzien van de hoofdsom

4.10

Onder punt 8 bij conclusie van antwoord is vermeld dat [naam bedrijf 2] (die hier echter geen partij is) betwist valse facturen te hebben opgemaakt en dat [gedaagde] geen facturen heeft opgemaakt en dus ook geen facturen valselijk kan hebben opgemaakt. De kantonrechter overweegt dat dit, strikt naar de letter genomen, zo moge zijn maar [gedaagde] heeft niet althans onvoldoende concreet bestreden dat, naar [eiseres] heeft toegelicht, de uren vermeld op de onderhavige, door hem bij [eiseres] ‘ter factoring’ ingediende facturen onjuist waren dan wel dubbel waren gefactureerd, dat aan die facturen dus geen werkelijke vorderingen ten grondslag liggen en dat hij, ‘gebruik’ makend van zijn positie bij [naam bedrijf 3] , de door [eiseres] aan [naam bedrijf 3] gezonden correspondentie met betrekking tot de incasso van die vorderingen uit haar mailbox heeft gehaald om zijn handelen te verhullen. Voorts heeft hij, hoewel hij als enig bestuurder van [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] dat toch zou moeten weten, nagelaten zijn verweer dat hij de facturen niet zelf opgemaakt heeft, nader handen en voeten te geven door te duiden wie dan wel, als hij dat niet zelf is geweest, die facturen namens [naam bedrijf 1] dan wel [naam bedrijf 2] heeft opgemaakt. Een dergelijke nadere onderbouwing heeft [gedaagde] echter niet verstrekt. De kantonrechter houdt er dan ook voor dat het [gedaagde] zelf is geweest die de facturen (feitelijk) heeft opgemaakt.

4.11

Daarbij komt dat [gedaagde] , voor zover hij bedoeld heeft te stellen dat de uren vermeld op de onderhavige door hem bij [eiseres] ter factoring ingediende facturen door hem (namens [naam bedrijf 2] ) daadwerkelijk zijn gewerkt, niet verklaard heeft waarom hij haar dan de onder 2.10 genoemde e-mail heeft gezonden, met als bijlage een creditfactuur voor een bedrag van € 22.859,44 ter zake van een aantal (gegeven dat de genoemde verzamelfactuur door [naam bedrijf 3] wel werd betaald) van de onderhavige facturen. Uit die e-mail blijkt overigens niet dat die door [gedaagde] namens [naam bedrijf 1] dan wel namens [naam bedrijf 2] is gezonden, dus kennelijk door [gedaagde] als natuurlijk persoon, terwijl daaruit wel blijkt van een toezegging van [gedaagde] dat het gehele bedrag van de creditfactuur voor het einde van 2019 volledig zal zijn betaald. Dat laatste is, zoveel is wel duidelijk, niet gebeurd. Ook heeft [gedaagde] niet verklaard waarom hij, als juist is dat hij geen valse facturen heeft opgemaakt, twee facturen met hetzelfde nummer (2019188) ter factoring aan [eiseres] heeft aangeboden, te weten de onder 2.6 sub h bedoelde factuur en de door [eiseres] onbetwist genoemde ‘vervangende factuur’ (zie 3.2).

4.12

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat [eiseres] zich jegens [gedaagde] met recht heeft beroepen op schending van artikel 9 van de factoringovereenkomst, doordat hij facturen ter factoring heeft aangeboden -die door [eiseres] zijn geaccepteerd en waarop zij de koopsom daarvan aan [gedaagde] heeft betaald- terwijl aan die facturen geen werkelijke vorderingen ten grondslag lagen, waarmee [gedaagde] naar het oordeel van de kantonrechter, gezien het hiervoor overwogene, bekend moet zijn geweest. Het kwalijke van zijn handelen wordt nog eens bevestigd doordat, naar [eiseres] onbetwist heeft gesteld, [gedaagde] een factuurbetaling (groot € 3.250,06) voor een door hem aan haar gecedeerde factuur vanaf de bankrekening van [naam bedrijf 3] aan zijn eigen rekening heeft overgemaakt, terwijl hij het daarbij heeft doen voorkomen alsof het om een betaling aan [eiseres] ging, zo blijkt ook uit het als productie 6 bij dagvaarding overgelegde rekeningafschrift.

4.13

Nu [gedaagde] aldus jegens [eiseres] toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van de door hem met haar aangegane factoringovereenkomst, is hij op de voet van artikel 6:74 BW gehouden de daardoor door haar geleden schade te vergoeden, zijnde, naar [eiseres] onbetwist heeft gesteld, een bedrag van € 23.167,15. Dat bedrag wordt dan ook toegewezen.

4.14

Ook de daarover gevorderde, en door [gedaagde] ook niet (afzonderlijk) bestreden wettelijke rente in de zin van artikel 6:119a BW is toewijsbaar. Daarbij merkt de kantonrechter volledigheidshalve op dat voldoende duidelijk geworden is dat [gedaagde] de factoringovereenkomst is aangegaan in de uitoefening van een beroep of bedrijf (de door hem genoemde eenmanszaak).

4.15

Uit de processtukken is voorts gebleken dat er van de zijde van [eiseres] daadwerkelijk buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. Gelet op de ter zake geldende tarieven (zie het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten) is dit onderdeel van de vordering toewijsbaar tot een bedrag van € 1.218,07 (inclusief btw).

4.16

Hetgeen partijen verder nog hebben aangevoerd, kan tot geen ander oordeel leiden en behoeft daarom geen (nadere) bespreking.

4.17

[gedaagde] wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op de hierna in het dictum genoemde bedragen.

4.18

De door [eiseres] apart gevorderde nakosten worden toegewezen als hierna vermeld, nu de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten.

4.19

Ook de door [eiseres] over de proceskosten en over de nakosten gevorderde wettelijke rente (in zin van artikel 6:119 BW) is, als op de wet gegrond, toewijsbaar.

5. De beslissing

De kantonrechter:

 veroordeelt [gedaagde] tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 23.167,15 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119a BW daarover vanaf 9 augustus 2019 tot en met de dag van algehele voldoening, en voorts een bedrag van € 1.218,08 (inclusief btw) ter zake van buitengerechtelijke kosten;

 veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, tot deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op € 1.079,38 aan verschotten en € 960,- aan salaris voor haar gemachtigde, en indien [gedaagde] niet binnen veertien dagen de datum van dit vonnis vrijwillig aan dit vonnis heeft voldaan, begroot op € 120,- aan nasalaris. Indien daarna betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, dient het bedrag aan nasalaris nog te worden verhoogd met de kosten van betekening. Ook is [gedaagde] de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over al deze bedragen verschuldigd vanaf de veertiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;

 verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

654