Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:7847

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-09-2020
Datum publicatie
16-09-2020
Zaaknummer
8437987 CV EXPL 20-10925
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet gebleken dat debiteur betalingsregeling is nagekomen, crediteur was gerechtigd tot gerechtelijke incasso over te gaan

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zaaknummer: 8437987 CV EXPL 20-10925

Uitspraak: 11 september 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FINDIO B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres bij exploot van 1 april 2020,

gemachtigde: Hafkamp gerechtsdeurwaarders te Venlo,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna ‘Findio’ respectievelijk ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken:

 de dagvaarding, met producties;

 de conclusie van antwoord, met producties;

 de conclusie van repliek, met producties;

 de conclusie van dupliek, met producties;

 de akte van Findio.

1.2

De datum van de uitspraak van dit vonnis is door de kantonrechter bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1

Findio heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan haar te betalen een bedrag van € 6.497,65, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW daarover vanaf 27 februari 2020 tot de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure, die kosten eveneens vermeerderd met wettelijke rente.

2.2

Aan die vordering heeft Findio -samengevat en voor zover thans van belang- ten grondslag gelegd dat [gedaagde] ondanks aanmaningen en met hem getroffen maar vervolgens niet nagekomen betalingsregelingen in gebreke is gebleven met betaling van hetgeen hij uit hoofde van een tussen partijen gesloten kredietovereenkomst aan Findio verschuldigd is geworden. Het gaat, per 27 februari 2020, om een bedrag van € 6.497,65, te vermeerderen met de lopende wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW.

2.3

[gedaagde] heeft verweer gevoerd, dat zich -ook voor zover nu van belang- als volgt laat samenvatten. Nadat Findio het krediet volledig had opgeëist, is een betalingsregeling getroffen voor € 385,- per maand, welke nadien is verlaagd naar € 150,- per maand.

Toen [gedaagde] op 25 februari 2020 een e-mail van Findio ontving met het verzoek diezelfde dag nog de achterstand van € 150,- te betalen, heeft hij dat gedaan. Enkele dagen later heeft hij van Findio een verzoek ontvangen om een financieel overzicht aan te leveren. Ook dat heeft [gedaagde] gedaan. Vervolgens heeft hij niets meer van Findio vernomen, totdat hij werd gedagvaard op 1 april 2020. [gedaagde] heeft vervolgens getracht met de gemachtigde van Findio tot een passende oplossing te komen zonder dat daar een vonnis van de rechter aan te pas zou komen. Dit zou voor [gedaagde] namelijk zeer nadelige gevolgen hebben. De gemachtigde van Findio heeft daarop echter geantwoord dat Findio eerst na vonniswijzing bereid is de mogelijkheden van een regeling te bespreken. [gedaagde] meent, vanwege de zeer nadelige gevolgen voor hem van een vonnis, dat een zorgvuldige afweging van de belangen van partijen gemaakt dient te worden. Zijn financiële situatie is momenteel stabiel en hij is bereid de vordering eerder af te lossen dan afgesproken, bijvoorbeeld met een akte van cessie.

2.4

Op hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, wordt, voor zover althans voor de uitkomst van de procedure van belang, hierna teruggekomen.

3. De beoordeling

3.1

Findio heeft in reactie op het door [gedaagde] gevoerde verweer bij conclusie van repliek, onder overlegging van producties, aangevoerd dat hoewel hij de regeling van € 150,- al in het jaar 2019 niet (correct) nakwam, zij hem in november van dat jaar uitstel van betaling heeft gegund met de opmerking dat ingeval betaling zou uitblijven, zij hem een inkomsten-/ uitgavenformulier zou toesturen. Toen enige tijd later wederom betaling uitbleef, heeft [gedaagde] in reactie op een e-mail van Findio op 25 februari 2020 een betaling van € 150,- verricht maar daarmee was de achterstand nog niet aangezuiverd terwijl de regeling niet werd nagekomen. Daarom heeft Findio [gedaagde] bij brief 26 februari 2020 een inkomsten-/ uitgavenformulier toegezonden maar het ingevulde formulier en de bijbehorende stukken heeft zij nimmer retour ontvangen. Toen vervolgens de volgende termijnbetaling uitbleef, is de regeling definitief komen te vervallen en heeft Findio de vordering uit handen gegeven. Nu [gedaagde] de vele kansen die hij heeft gehad om de vordering buiten rechte te voldoen niet heeft benut, is Findio terecht tot dagvaarding overgegaan. Zij is wel bereid tot het treffen van een volgende regeling maar slechts onder verband van een vonnis. Aldus Findio.

3.2

De kantonrechter overweegt dat voor zover [gedaagde] heeft bedoeld te stellen dat hij met zijn betaling van 25 februari 2020 geheel bij was voor wat betreft de tussen partijen laatstelijk getroffen betalingsregeling, het, gezien deze nadere toelichting van Findio, op zijn weg had gelegen de juistheid van die stelling te onderbouwen, meer bepaald met betaalbewijzen. Dat heeft hij niet gedaan. De kantonrechter gaat er dan ook vanuit dat juist is dat, naar Findio heeft gesteld, [gedaagde] ondanks deze betaling niet bij was met de betalingsregeling, hetgeen ook verklaart dat Findio hem daarna een inkomsten-/uitgavenformulier heeft toegezonden. De kantonrechter volgt [gedaagde] dan ook niet in zijn (bij dupliek) ingenomen standpunt dat hij er, gezien het verzoek van Findio van 25 februari 2020, op mocht vertrouwen dat er na zijn betaling die dag geen sprake meer was van een achterstand in de betalingsregeling.

3.3

Voorts heeft [gedaagde] , hoewel ook dat op zijn weg had gelegen in het licht van hetgeen ter zake door Findio is gesteld, niet concreet gemaakt, laat staan onderbouwd, dat, op welke wijze en wanneer hij het inkomsten-/uitgavenformulier ingevuld en wel aan Findio heeft geretourneerd. Ook heeft hij, gelet op het bepaalde in artikel 3:37 lid 3 BW, geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat dit formulier door Findio werd ontvangen.

De kantonrechter houdt er dan ook voor dat bedoeld formulier (in ieder geval) niet door Findio werd ontvangen, onder verwerping van het andersluidende standpunt van [gedaagde] .

3.4

Onder deze omstandigheden kan niet gezegd worden dat Findio, toen zij -naar onbetwist is gesteld- ook geen reactie van [gedaagde] ontving op haar brief van 3 maart 2020 en hij ook geen verdere betalingen deed, in alle redelijkheid de regeling niet als definitief vervallen mocht beschouwen en haar vordering niet ter (gerechtelijke) incasso aan haar gemachtigde mocht overdragen. Het andersluidende standpunt van [gedaagde] wordt dan ook verworpen.

3.5

[gedaagde] heeft voorts nog aangevoerd dat een belangenafweging hier in zijn voordeel zou moeten uitvallen omdat vonniswijzing voor hem verstrekkende gevolgen kan hebben, nu zijn baan daardoor in het gedrang kan komen. Die enkele omstandigheid, die overigens niet is geconcretiseerd of onderbouwd, is naar het oordeel echter niet dusdanig zwaarwegend dat Findio daarom zou moeten dulden dat [gedaagde] haar reeds geruime tijd geleden opeisbaar geworden vordering niet voldoet en ook de met hem getroffen betalingsregelingen bij herhaling niet nakomt. Met deze stelling geeft [gedaagde] er ook geen blijk van dat hij oog heeft voor het rechtens te respecteren belang van Findio dat haar debiteuren hun schulden tijdig voldoen, zeker als daarna meerdere betalingsregelingen worden getroffen.

3.6

Het voorgaande betekent dat het door Findio gevorderde bedrag, waarvan de hoogte door [gedaagde] onbestreden is gelaten, wordt toegewezen. Ook de daarover gevorderde rente is, als op de wet gegrond en door [gedaagde] evenmin (afzonderlijk) bestreden, toewijsbaar.

3.7

Gelet op het bepaalde in artikel 6:29 BW is de kantonrechter niet bevoegd om zonder instemming van Findio een betalingsregeling vast te stellen. Hij geeft [gedaagde] om die reden, geheel onverplicht, in overweging zich op korte termijn na ontvangst van dit vonnis tot de gemachtigde van Findio te wenden teneinde (te trachten) een passende betalingsregeling overeen te komen, waarmee ook verdere (executie)kosten kunnen worden voorkomen.

3.8

[gedaagde] wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten veroordeeld. Ook de daarover gevorderde wettelijke rente (in de zin van artikel 6:119 BW) is toewijsbaar.

4. De beslissing

De kantonrechter:

 veroordeelt [gedaagde] tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Findio te betalen een bedrag van € 6.497,65, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW daarover vanaf 27 februari 2020 tot de dag van algehele voldoening;

 veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, tot deze uitspraak aan de zijde van Findio vastgesteld op € 604,09 aan verschotten en € 600,- aan salaris voor haar gemachtigde, deze bedragen vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW vanaf de veertiende dag na de datum van betekening van dit vonnis tot de dag van voldoening;

 verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

654