Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:7844

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-08-2020
Datum publicatie
07-09-2020
Zaaknummer
10/650024-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Taxichauffeur veroordeeld voor verkrachting van een kwetsbare, verstandelijk beperkte vrouw. De verkrachting vond plaats op het moment dat hij haar met de taxi vervoerde. Hij verzorgde op dat moment WMO-vervoer, het speciaal vervoer voor mensen die extra zorg nodig hebben, zoals mensen met een verstandelijke beperking.

Gevangenisstraf voor de duur van 28 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarde een beroepsverbod (het verbod om gedurende de proeftijd werkzaam te zijn als taxichauffeur in het kader van het WMO-vervoer en het vervoer van schoolkinderen).

Vordering benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 6.000,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/650024-20

Datum uitspraak: 28 augustus 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [land verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Krimpen aan den IJssel,

raadsman mr. S. van der Eijk, advocaat te Den Haag.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 14 augustus 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. J.B. Wooldrik heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde (verkrachting);

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en de bijzondere voorwaarden die zijn vermeld in het reclasseringsadvies van 13 augustus 2020, waaronder het meewerken aan ambulante behandeling in een forensische polikliniek en het verbod om het beroep van taxichauffeur uit te oefenen;

dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht.

4. Het verweer

Standpunt verdediging

De verdediging heeft bepleit om de verdachte in elk geval van het primair en het subsidiair ten laste gelegde vrij te spreken.

Ten aanzien van de primair ten laste gelegde verkrachting van [naam slachtoffer] (hierna: [voornaam slachtoffer] ) kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de seksuele handelingen onder dwang hebben plaatsgevonden. Dat er sprake zou zijn geweest van dwang kan niet op overtuigende wijze uit de verklaring van [voornaam slachtoffer] worden afgeleid.

Daarbij is ook de betrouwbaarheid van haar verklaring in het geding, nu het dossier zeer beperkte gegevens bevat over de aard en ernst van haar psychische problematiek en omdat de zedenpolitie bij het studioverhoor niet genoeg informatie heeft vergaard over haar achtergrond en (seksuele) voorgeschiedenis. Op het moment dat zij leek te willen verklaren over eerder seksueel misbruik waarvan zij slachtoffer zou zijn geworden, werd hier niet op doorgevraagd. Daardoor kan niet worden beoordeeld of onverwerkte trauma’s uit het verleden mogelijk hebben geleid tot seksueel afwijkend gedrag.

Het door de verdachte geschetste scenario dat de seksuele handelingen vrijwillig en op initiatief van [voornaam slachtoffer] hebben plaatsgevonden, vormt geen onwaarschijnlijk scenario.

Het enkele feit dat hij aanvankelijk vanuit schaamte de seksuele handelingen heeft ontkend, maakt niet dat aan zijn latere verklaringen geen waarde kan worden gehecht.

De verklaringen van de verdachte bevatten voldoende details en zijn consistent, terwijl voor de belastende verklaring van [voornaam slachtoffer] onvoldoende ondersteunend bewijs bestaat.

De bij [voornaam slachtoffer] door getuigen waargenomen emoties en gedragsverandering leggen in dit verband te weinig gewicht in de schaal en kunnen ook door andere factoren zijn veroorzaakt.

5. Waardering van het bewijs

Wat is er gebeurd?

De verdachte is chauffeur bij [naam vervoerbedrijf 1] . Dit bedrijf richt zich op speciaal vervoer (WMO-vervoer en vervoer van schoolkinderen).

Op 7 februari 2020 heeft de verdachte met een taxibus de 38-jarige [voornaam slachtoffer] in [plaats] opgehaald bij een zorginstelling voor mensen met een beperking om haar naar de woning van haar moeder in Rotterdam te vervoeren.

Onderweg heeft de verdachte de bus in de Rotterdamse wijk Schiebroek geparkeerd en is hij achterin de bus naast [voornaam slachtoffer] gaan zitten. Toen hebben er tussen hen seksuele handelingen plaatsgevonden. Zo heeft de verdachte (onder andere) de borst van [voornaam slachtoffer] gelikt en haar gekust. Vervolgens is hij door haar oraal bevredigd, waarbij hij is klaargekomen in haar mond.

Daarna is de verdachte weer met de taxibus verder gereden en heeft hij [voornaam slachtoffer] op enige afstand van het huis van haar moeder afgezet. Daarna is hij doorgereden.

Is sprake van verkrachting?

De rechtbank ziet zich in de kern van de zaak geplaatst voor de vraag of sprake is geweest van vrijwillige seks tussen beiden, zoals de verdachte verklaart, of dat [voornaam slachtoffer] daartoe door de verdachte is gedwongen, zoals hem is ten laste gelegd.

De verklaringen van de verdachte en [voornaam slachtoffer] staan op dit punt lijnrecht tegenover elkaar.

De verdachte verklaart dat de seksuele handelingen geheel vrijwillig en op initiatief van [voornaam slachtoffer] hebben plaatsgevonden. Zij begon volgens hem onder het rijden geheel uit zichzelf te praten over haar vriend en hun seksuele relatie. Zij vertelde onder andere dat zij haar vriend wilde pijpen maar dat hij dat niet leuk vond. [voornaam slachtoffer] liet volgens de verdachte tijdens het rijden spontaan haar borsten zien en vroeg toen zelf of zij hem mocht pijpen. Hierbij stelde zij nog wel als voorwaarde dat hij dan ook zou klaarkomen in haar mond. Met die voorwaarde heeft de verdachte toen ingestemd, waarna de seksuele handelingen plaatsvonden.

[voornaam slachtoffer] verklaart daarentegen dat de seksuele handelingen tegen haar zin en onder dwang hebben plaatsgevonden. De verdachte begon haar tijdens het rijden vragen te stellen, onder andere of zij een relatie had en of zij seks had met haar vriend. Toen zij daarop bevestigend antwoordde, zei de verdachte meerdere malen dat hij door haar gepijpt wilde worden. Hij parkeerde de taxibus, ging achterin naast haar zitten en zei haar haar borsten te laten zien. Uit angst heeft zij een borst ontbloot. Hij heeft haar toen op de mond proberen te zoenen en is toen haar borst gaan likken en kussen. Vervolgens dwong hij haar om hem te pijpen.

Bij de beoordeling van de strafzaak heeft de rechtbank allereerst gekeken naar de betrouwbaarheid van door beiden de afgelegde verklaringen en vervolgens naar de vraag of dit ook wettig en overtuigend bewijs oplevert voor de tenlastegelegde verkrachting.

Betrouwbaarheid verklaringen van [voornaam slachtoffer]

heeft, toen zij na de taxirit bij haar moeder thuiskwam, onmiddellijk aan haar moeder verteld dat er onderweg “iets ergs” was gebeurd en dat ze de chauffeur van de taxibus had moeten pijpen. Tegenover de politie, die haar die avond eerst in de woning en nog diezelfde avond op het politiebureau heeft gesproken, heeft zij opnieuw haar verhaal gedaan en dit verder toegelicht. Vervolgens heeft de moeder van [voornaam slachtoffer] (als curator) namens haar dochter aangifte gedaan en daarin het verhaal verteld, zoals zij dit van haar dochter had gehoord. Op een later moment is [voornaam slachtoffer] zelf ook nog opnieuw uitgebreid gehoord tijdens een kindvriendelijk studioverhoor.

De verklaringen van [voornaam slachtoffer] tegenover haar moeder, bij de politie en tijdens het studioverhoor zijn steeds concreet en gedetailleerd geweest en inhoudelijk consistent. In haar verhaal heeft zij ook zichzelf niet gespaard en heeft haar eigen aandeel in de gebeurtenissen nadrukkelijk benoemd. Gedurende haar verklaringen heeft zij haar weergave van de gebeurtenissen niet veranderd, ook niet groter of kleiner gemaakt.

De in de taxibus en bij [voornaam slachtoffer] aangetroffen DNA-sporen passen in de door [voornaam slachtoffer] geschetste toedracht van de seksuele handelingen in de taxibus.

Ook de door haar moeder en door de politie beschreven emoties bij [voornaam slachtoffer] direct na het ten laste gelegde (ze was erg overstuur en gedroeg zich heel anders dan normaal) en de gedragsveranderingen die bij [voornaam slachtoffer] in de periode daarna volgden (huilbuien, nachtmerries, grote angst voor taxibusjes), ondersteunen het relaas van [voornaam slachtoffer] .

Het verweer van de verdediging dat die emoties misschien zouden zijn veroorzaakt of verergerd door mogelijk eerder doorgemaakt seksueel trauma, waarop door de zedenpolitie niet is doorgevraagd, doen naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [voornaam slachtoffer] . Noch de inhoud van hetgeen [voornaam slachtoffer] heeft verklaard, noch haar uitlatingen gedurende het studioverhoor bieden enig aanknopingspunt voor de veronderstelling dat een mogelijk trauma in het verleden, zo dat zou hebben plaatsgevonden, heeft geleid tot seksueel afwijkend gedrag bij [voornaam slachtoffer] of anderszins bij de gebeurtenissen op 7 februari 2020 een rol heeft gespeeld.

De rechtbank acht dan ook de door [voornaam slachtoffer] afgelegde verklaringen in het licht van het bovenstaande geloofwaardig en betrouwbaar.

Betrouwbaarheid verklaringen van de verdachte

De verdachte is op 6 maart 2020 aangehouden en is daarna tweemaal verhoord (op 6 en 7 maart 2020). Bij het verhoor op 7 maart 2020 is hem ook in detail voorgehouden wat [voornaam slachtoffer] had verklaard. Bij deze verhoren verklaarde de verdachte steeds zich de bedoelde taxirit niet te kunnen herinneren en zelfs niet te weten of hij de bewuste dag had gewerkt. Dat hij in de bus met een passagier seksuele handelingen zou hebben verricht, is door de verdachte toen stellig en met klem ontkend. De verdachte is hierop in vrijheid gesteld.

Toen na onderzoek van de bij [voornaam slachtoffer] op de linker borst en op en in de mond van [voornaam slachtoffer] aangetroffen DNA-sporen (speeksel en sperma) echter wezen naar de verdachte is hij op 2 mei 2020 opnieuw aangehouden en verhoord. Ook toen bleef hij aanvankelijk nog bij zijn eerdere verklaringen dat er niets was gebeurd en dat hij niet meer wist wat hij op 7 februari 2020 zou hebben gedaan. Pas in de loop van dat verhoor, na overleg met zijn advocaat, heeft de verdachte voor het eerst erkend dat er tussen hem en [voornaam slachtoffer] wel seksuele handelingen hadden plaastgevonden, zij het geheel op initiatief van [voornaam slachtoffer] en in vrijwilligheid. Die verklaring heeft de verdachte ook zo op de zitting herhaald.

Gelet op het voorgaande is de verdachte wisselend geweest in zijn verklaringen en heeft hij pas meer openheid van zaken gegeven nadat hij opnieuw was aangehouden en begreep dat DNA-onderzoek voor hem belastende resultaten had opgeleverd.

Verder acht de rechtbank deze verklaring over de feitelijke gang van zaken, tegenover de consistente en gedetailleerde verklaringen van [voornaam slachtoffer] , ook inhoudelijk niet geloofwaardig.

De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat met betrekking tot de feitelijke gang van zaken in de taxibus de verklaringen van [voornaam slachtoffer] gevolgd kunnen worden omdat zij een getrouw beeld geven van het feitelijk voorgevallene.

Bewijs voor verkrachting?

Wil sprake kunnen zijn van verkrachting moet bewezen zijn dat de tenlastegelegde seksuele handelingen ook hebben plaatsgevonden onder dwang en dat de verdachte zich daarvan bewust is geweest of had kunnen en moeten zijn.

Bij de beoordeling daarvan neemt de rechtbank in ogenschouw wie [voornaam slachtoffer] is, wat de verdachte daarvan heeft kunnen zien en moeten weten en hoe in dat licht de plaatsgevonden gedragingen geduid moeten worden.

Wie is [voornaam slachtoffer] ?

[voornaam slachtoffer] is een 38-jarige vrouw met een verstandelijke en een lichamelijke beperking. Zij functioneert sociaal-emotioneel op het niveau van een kind van 4 jaar tot 6 jaar. Er is sprake van een dysharmonisch intelligentieprofiel, waarbij ze verbaal naar verhouding sterk functioneert, maar haar vermogen tot planning, organisatie en het verwerken van informatie daarbij achterblijft.

[voornaam slachtoffer] woont in een woongroep van de stichting ASVZ in [plaats] voor mensen met een verstandelijke en/of lichamelijke beperking. Om de twee weken gaat zij een weekend naar haar moeder in Rotterdam. Omdat zij zelf niet in staat is om met het openbaar vervoer te reizen wordt zij dan met een taxi opgehaald en weer teruggebracht. Voor dit taxivervoer heeft de gemeente een indicatie toegekend op grond van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO-vervoer). Het betreft dus speciaal vervoer voor mensen die extra zorg nodig hebben, zoals mensen met een verstandelijke en/of lichamelijke beperking, ziekenhuispatiënten en ouderen.

Wat heeft de verdachte van de verstandelijke beperkingen van [voornaam slachtoffer] kunnen zien of moeten weten?

De verdachte heeft van september 2019 tot en met februari 2020 als taxichauffeur gewerkt bij [naam vervoerbedrijf 1] . Dit bedrijf verzorgt, zoals door een medewerkster aan de politie is bevestigd, uitsluitend het hierboven genoemde WMO-vervoer en het vervoer van schoolkinderen. De verdachte wist dit ook. Hij heeft op de zitting verklaard dat hij de laatste tijd voor [naam vervoerbedrijf 2] heeft gereden en dat het daarbij gaat om het vervoer van schoolkinderen, ouderen en mensen met een lichamelijke en/of psychische beperking.

Op vrijdag 7 februari 2020 heeft hij [voornaam slachtoffer] opgehaald bij de woongroep van de stichting ASVZ in [plaats] om haar naar de woning van haar moeder te brengen.

Dat de verdachte niet zou hebben geweten bij wat voor soort instelling hij zijn passagier ophaalde en niet te hebben gezien of gehoord dat [voornaam slachtoffer] , naast een lichamelijke beperking, ook een verstandelijke beperking heeft acht de rechtbank niet geloofwaardig.

Ook al zou [voornaam slachtoffer] misschien wat beter hebben gepraat dan op het niveau van een kind van 4 á 6 jaar, de verstandelijke beperking van een persoon met de problematiek van [voornaam slachtoffer] moet ook voor hem onmiskenbaar zijn geweest, zeker wanneer het contact ook nog eens plaatsvindt in de context van speciaal vervoer.

Deze conclusie wordt ook ondersteund door de bevindingen van de verbalisanten die ter plaatse kwamen in de woning van de moeder van [voornaam slachtoffer] . Aan haar manier van bewegen en spreken was voor hen direct duidelijk waarneembaar dat bij [voornaam slachtoffer] sprake is van een verstandelijke beperking.

Gelet op al deze omstandigheden in samenhang bezien, moet de verdachte hebben geweten dat hij te maken had met een persoon met een verstandelijke beperking.

In algemene zin voegt de rechtbank daar nog aan toe dat de verdachte als beroepschauffeur in het WMO-vervoer er sowieso eerder op bedacht had moeten zijn in aanraking te zullen komen met kwetsbare personen waarvoor in de omgang een verhoogde zorgplicht geldt.

Een dergelijk besef lijkt, zij het achteraf, enigszins door te klinken in de verklaring van de verdachte ter terechtzitting dat hij zich direct na het voorval wel realiseerde dat het niet goed was wat hij had gedaan, en dat hij toen ook heeft overwogen om zelf maar naar de politie te gaan om zich te melden.

Hoe moeten de gedragingen van [voornaam slachtoffer] en de verdachte in de taxibus geduid worden?

Uit de verklaring van [voornaam slachtoffer] blijkt dat ze tijdens de taxirit in de bus op de bank achter de bestuurder zat en dat zich geen andere passagiers (meer) in de bus bevonden.

De verdachte vroeg haar op een gegeven moment of zij een vriendje had, waarop [voornaam slachtoffer] bevestigend antwoordde en een foto van hen samen liet zien op haar tablet.

Het is de verdachte geweest die haar toen vragen is gaan stellen over hun relatie, ook wat betreft seks en hun seksuele voorkeuren. Het feit dat [voornaam slachtoffer] die vragen ook heeft beantwoord duidt de rechtbank niet als het nemen van initiatief om te komen tot enige seksuele handeling met de verdachte, maar eerder als een handelwijze passend bij de verstandelijke beperking van [voornaam slachtoffer] . Op de opmerking van de verdachte dat hij ook wel gepijpt wil worden gaat [voornaam slachtoffer] , na een kort “Ehm, nou ja, oké” verder ook niet door. Ook hierin heeft de verdachte dus geen uitnodiging kunnen of mogen horen.

Wanneer de verdachte dan in Rotterdam de wijk Schiebroek, waar de moeder van [voornaam slachtoffer] woont, binnenrijdt zegt hij bij de verkeerslichten tegen [voornaam slachtoffer] : “Ik wil ook gepijpt worden.” Zij antwoordde vervolgens ontwijkend met de opmerking: “Dat gaat niet, want ik ben om de hoek bij mijn moeder.” Toen de verdachte nogmaals tegen haar zei dat het wel kon heeft [voornaam slachtoffer] haar opmerking herhaald dat dat niet ging.

Met zijn antwoord: “Dan parkeren we toch in een straatje en dan ga je me pijpen.” heeft de verdachte laten zien dat hij toen al niet heeft willen luisteren naar de tegenwerpingen van [voornaam slachtoffer] .
Daarna parkeerde hij de taxibus en ging achterin op de bank naast [voornaam slachtoffer] zitten.

Uit de verklaring van [voornaam slachtoffer] valt af te leiden dat zij zich toen machteloos voelde, hij was immers de chauffeur en had, zoals zij zei “de macht over het stuur”.

De verdachte heeft nadien op meerdere momenten nog kunnen zien en horen dat [voornaam slachtoffer] de seksuele handelingen niet wilde ondergaan of verrichten. Toen hij haar een tongzoen wilde geven hield zij de lippen stijf op elkaar. Ook moest hij haar hand pakken en die op zijn kruis leggen, waarna hij zei: “Ik wil nu dat je me pijpt.” [voornaam slachtoffer] heeft verklaard dat zij dit toen niet wilde en het alleen heeft gedaan heeft omdat ze bang was. Dat ook de verdachte dit zich moet hebben gerealiseerd volgt onder meer uit het feit dat hij zijn hand op haar achterhoofd heeft gelegd en haar hoofd op zijn penis drukte en dat [voornaam slachtoffer] meerdere keren heeft gezegd dat zij naar huis wilde waarop hij zei dat zij hem eerst moest pijpen. Toen ze tussentijds stopte en zei dat ze er “klaar mee” was en naar mama wilde, zei hij tegen haar: “We gaan pas naar mamma als ik klaargekomen ben.” De verdachte heeft uit het gedrag of de uitlatingen van [voornaam slachtoffer] , niet kunnen of mogen afleiden dat zij instemde met de seksuele handelingen, laat staan dat hij gezien haar verstandelijke beperking daar zonder meer vanuit had mogen gaan.

De verdachte nam steeds het initiatief, zowel tot het gesprek over seks als tot de seksuele handelingen die daarna volgden (het kussen en likken van haar borst en de orale seks). Ook blijkt dat [voornaam slachtoffer] op geen enkel moment daadwerkelijk heeft ingestemd met het verrichten van die handelingen en zich op momenten ook in haar uitlatingen heeft verzet. Hij bevond zich tot slot als bestuurder van de bus ten opzichte van haar in een machtspositie, waarbij [voornaam slachtoffer] letterlijk en figuurlijk geen kant op kon. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de seksuele handelingen onder dwang hebben plaatsgevonden.

Het feit dat de verdachte, voordat hij [voornaam slachtoffer] uit de bus zette, nog tegen haar zei dat zij haar mond moest houden en dat het een geheimpje was tussen hen, onderstreept dat nog eens. De verdachte realiseerde zich het foute van zijn handelen.
Daar komt nog bij dat hij haar niet, zoals vereist en gebruikelijk, heeft afgezet bij het portiek van de woning van haar moeder, maar een flink eind verderop aan de overkant van de straat - bij een autoweg -, zodat zij eerst nog de straat moest oversteken om bij de woning van haar moeder te komen. Zo heeft hij ook nog een situatie ontlopen waarin [voornaam slachtoffer] in het bijzijn van haar moeder hem zou hebben kunnen confronteren met zijn daad. Hieruit blijkt eveneens dat de verdachte zich ook zelf zeer bewust was van het strafbare karakter van zijn handelen.

Conclusie

Gelet op het voorgaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [voornaam slachtoffer] door middel van geweld en andere feitelijkheden heeft gedwongen om zijn seksuele handelingen te ondergaan, en haar kortgezegd heeft verkracht.

5.1.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 07 februari 2020 te Rotterdam, in ieder geval in Nederland, door geweld en andere feitelijkheden iemand, te weten [naam slachtoffer] , heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het brengen/houden van zijn penis in de mond van die [naam slachtoffer] ;

het geweld en andere feitelijkheden heeft/hebben bestaan uit het

  • -

    zeggen tegen haar: “Ik wil ook gepijpt worden”, althans woorden gelijke aard en/of strekking en

  • -

    aan de kant zetten van de taxibus en vervolgens naast haar gaan zitten en

  • -

    likken en kussen van haar borst en

  • -

    zeggen tegen haar dat zij hem moet pijpen en dat hij niet eerder gaat rijden en haar niet eerder naar huis gaat brengen voordat hij is klaargekomen, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en

  • -

    meermalen duwen/brengen van haar hoofd naar/richting zijn penis en duwen van zijn penis in haar mond en

  • -

    vervolgens klaarkomen in haar mond en

  • -

    doorgaan met genoemde handelingen ondanks haar (mondeling) verzet/verweer.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

6. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

verkrachting.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

7. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

8. Motivering straf

8.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

8.2.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 27 juli 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder in Nederland is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Rapportages

Psychologisch rapport

Psycholoog [naam psycholoog] heeft een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd 7 augustus 2020. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

Buiten een lichte stoornis in het gebruik van cannabis, teruggedrongen door de detentie, is bij de verdachte geen sprake van een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Hoewel uit het testmateriaal naar voren komt dat hij aangeeft soms emotioneel instabiel te zijn en zich af en toe gespannen en depressief te voelen, lijken deze gevoelens vooral situationeel bepaald. Op psychoseksueel gebied komen zowel vanuit het testmateriaal als uit het gesprek geen bijzonderheden naar voren.

Omdat de verdachte de ten laste gelegde feiten ontkent kan de psycholoog geen uitspraak doen over een verband tussen het geschetste beeld van de verdachte en het ten laste gelegde noch over het risico op herhaling.

Bij een veroordeling zou van een ‘situationele pleger’ kunnen worden gesproken, iemand die als first offender voor een zedenaanklacht in deze situatie verkeerd heeft gehandeld, maar bij wie verder geen sprake is van onderliggende seksuele problemen. Om die reden komt de psycholoog in dat geval op een laag risico op herhaling uit.

Reclasseringsrapport

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 13 augustus 2020. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

De verdachte is recent (Islamitisch) gescheiden en in april 2020 is hij voor bedreiging van zijn ex-vrouw veroordeeld. Hij heeft die periode als een nare tijd ervaren en is opnieuw gaan blowen. Vorig jaar heeft hij op eigen initiatief therapie bij de GGZ gevolgd en sindsdien gebruikt hij antidepressiva. Dat deze omstandigheden invloed hebben gehad op het delict is niet duidelijk, maar ook niet onwaarschijnlijk. Inmiddels zou hij (binnen de structuur van zijn detentie) niet meer blowen en dit willen volhouden. Door de detentie is hij zijn woning kwijtgeraakt, maar kan tezijnertijd bij zijn ouders terecht. Hij heeft steun van zijn familie.

Hij heeft geen problematische schulden, maar zal wel een nieuwe baan moeten gaan zoeken.

De reclassering heeft meerdere risicotaxaties uitgevoerd. Op basis daarvan wordt het recidiverisico ingeschat op gemiddeld tot hoog, danwel matig tot hoog. Terughoudendheid is daarbij op zijn plaats omdat de reclassering, vanwege de deels ontkennende houding van de verdachte en het feit dat de verdachte op zedengebied first offender is, geen directe verbanden kan leggen tussen het delict en de verschillende leefgebieden.

Naast een meldplicht en in het rapport genoemde bijzonder voorwaarden adviseert de reclassering de verdachte te ontzetten uit zijn recht werkzaam te zijn als taxichauffeur of een functie uit te oefenen waarbij hij contact heeft met minder bekwame kwetsbare mensen.

Verder is geadviseerd de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

De rechtbank heeft op deze rapporten acht geslagen.

8.3.

De ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting. Hij heeft zich aan het slachtoffer vergrepen op het moment dat hij haar met de taxi vervoerde. Hij verzorgde als taxichauffeur op dat moment WMO-vervoer, het speciaal vervoer voor mensen die extra zorg nodig hebben, zoals mensen met een verstandelijke beperking. Hij wist ook dat hij te maken had met een kwetsbare, verstandelijk beperkte vrouw. Dat hij van die kwetsbaarheid misbruik heeft gemaakt rekent de rechtbank hem zwaar aan.

De verdachte heeft met zijn handelen ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. Algemeen bekend is dat verkrachting voor slachtoffers een schokkende, beangstigende en vernederende gebeurtenis is, die langdurige psychische en emotionele schade tot gevolg kan hebben. Ook in dit geval blijkt de impact op het slachtoffer groot te zijn. Dit blijkt onder meer uit het studioverhoor, uit wat haar moeder hierover heeft verklaard in de aangifte en uit de toelichting op de vordering van de benadeelde partij. Het slachtoffer is erg emotioneel en angstig geworden. Zij heeft huilbuien, nachtmerries en herbelevingen van de verkrachting. Daarnaast durft zij niet meer met de taxi mee en raakt zij al in paniek bij het zien van een taxibusje. De verdachte heeft voor deze gevolgen geen oog gehad, maar heeft zich toen alleen laten leiden door zijn eigen seksuele verlangens.

De rechtbank rekent het de verdachte ook aan dat hij ook nu nog steeds niet in volle omvang verantwoordelijkheid neemt voor zijn daad. Hij ziet wel dat hij op zich fout zat door seks te hebben tijdens zijn werk, en met iemand die hij niet kent en die een beperking heeft, maar hij blijft er desondanks bij bij dat de seks vrijwillig is geweest. Evenmin lijkt hij zich te bekommeren over de gevolgen van zijn daad voor het slachtoffer.

Gezien het voorgaande kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank de volgende omstandigheden meegewogen.

Allereerst is gekeken naar de straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd, zoals die onder meer tot uitdrukking komen in de oriëntatiepunten voor straftoemeting zoals geformuleerd door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. In geval van een first offender op het gebied van zedendelicten wordt voor verkrachting een gevangenisstraf van 24 maanden tot uitgangspunt genomen. In dit geval is echter sprake van strafverzwarende omstandigheden, namelijk dat hij dit feit heeft gepleegd tijdens zijn werk als taxichauffeur in het kader van WMO-vervoer en bij een verstandelijk beperkte vrouw die daardoor extra kwetsbaar was. Gelet daarop acht de rechtbank een gevangenisstraf van langere duur passend en geboden.

De rechtbank ziet, met de officier van justitie, aanleiding om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen, om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Daarbij zal als bijzondere voorwaarde een beroepsverbod worden opgelegd, om de genoemde kwetsbare doelgroepen binnen het WMO-vervoer te beschermen. Een algeheel verbod om het beroep als taxichauffeur uit te oefenen acht de rechtbank niet geïndiceerd.

Anders dan de officier van justitie, ziet de rechtbank geen reden om de overige door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden aan het op te leggen voorwaardelijk strafdeel te verbinden. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat er, blijkens de rapporten van zowel de psycholoog als de reclassering, op weinig leefgebieden problemen zijn en in ieder geval niet is gebleken van problemen of stoornissen die in verband kunnen worden gebracht met het bewezen verklaarde feit. Gelet daarop, en met name gelet op hetgeen de psycholoog heeft opgemerkt met betrekking tot het ontbreken van problemen op psychoseksueel gebied, acht de rechtbank deze voorwaarden niet noodzakelijk ter voorkoming van het plegen van nieuwe strafbare feiten.

Het verzoek van de officier van justitie om de bijzondere voorwaarde en het reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren, wordt afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op het voorgaande, niet voldaan aan de daarvoor geldende voorwaarde dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

De verdediging verzoekt om compensatie in de vorm van strafvermindering wegens schending van de artikelen 5 en 6 van het EVRM omdat het recht op een eerlijk proces is geschonden nu de rechter-commissaris een ongemotiveerde beslissing heeft genomen over de voorlopige hechtenis en de verdachte geen bijstand van een raadsman had bij de raadkamer gevangenhouding. De rechtbank neemt kennis van de beslissing van het Gerechtshof Den Haag van 11 juni 2020, waarin wordt gesteld dat het ontbreken van rechtsbijstand bij de vordering gevangenhouding in eerste aanleg onwenselijk was, maar dat dit in hoger beroep is hersteld. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding tot strafvermindering.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

9. Vordering benadeelde partij/schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam slachtoffer] , vertegenwoordigd door haar wettelijk vertegenwoordiger (moeder) [naam moeder slachtoffer] , bijgestaan door mr. N. Stolk, advocaat te Rotterdam, ter zake van het ten laste gelegde. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 1.700,- aan materiële schade (de kosten voor de aanschaf van een auto door haar moeder ten behoeve van het vervoer van haar van en naar haar afspraken en de woongroep bij de stichting ASVZ) en een vergoeding van € 5.000,- aan immateriële schade. Verzocht is de vergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

9.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich, in verband met de bepleite vrijspraak, primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering.

Subsidiair is aangevoerd dat de vordering moet worden afgewezen voor zover deze ziet op de vergoeding van materiële schade, omdat de aanschaf van de auto door de moeder van de benadeelde partij niet rechtstreeks voortvloeit uit het ten laste gelegde. Het causaal verband ontbreekt, althans is onvoldoende onderbouwd. De moeder van de benadeelde partij had ook voor een andere vervoerder kunnen kiezen en daarnaast is het niet uit te sluiten dat er ook andere redenen zijn geweest voor de aanschaf van de auto. Wat betreft de gevorderde immateriële schade is onvoldoende duidelijk in hoeverre deze in causaal verband moet worden gezien tot het ten laste gelegde feit, of het gevolg is van een eventueel eerder opgelopen trauma.

9.3.

Beoordeling

Immateriële schade

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Bij dit strafbare feit is sprake van een zeer ernstige normschending, met ernstige gevolgen voor de benadeelde partij (zoals door haar ook is gesteld, namelijk traumatisering en meerdere daarmee verband houdende klachten). Daaruit leidt de rechtbank af dat sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze zoals bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, ook zonder dat is komen vast te staan dat daardoor in juridische zin geestelijk letsel is ontstaan. Daarnaast is ook sprake van lichamelijk letsel, namelijk pijn in haar nek. De schade ten gevolge van het bewezen strafbare feit zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 5.000,-, zodat de vordering met betrekking tot de immateriële schade in zijn geheel zal worden toegewezen.

Materiële schade

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De benadeelde partij maakt normaal gesproken gebruik van het gratis WMO-vervoer, maar door het strafbare feit durft zij niet meer met de taxi te reizen. Haar moeder heeft daarom een auto aangeschaft om de benadeelde partij naar haar afspraken en naar de woongroep bij de stichting ASVZ te brengen en haar weer op te halen. Dit merkt de rechtbank aan als verplaatste schade, nu deze gelet op het voorgaande wel het directe gevolg is van het strafbare feit.

Gelet op de gang van zaken acht de rechtbank het reëel dat zij zeker in de eerste periode geen gebruik heeft kunnen maken van (gratis) WMO-vervoer en daardoor kosten moesten worden gemaakt om haar te vervoeren. De aanschaf van een auto is daarom op zich passend geweest. De kosten daarvan zijn ook onderbouwd met een factuur. Bij het vaststellen van het gedeelte van de koopprijs van de auto dat toegerekend kan worden aan de directe gevolgen van het strafbare feit heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de hoogte van de kosten die zij –zonder bezit van die auto – had moeten uitgeven aan reguliere taxikosten. De rechtbank acht in dat licht het redelijk een bedrag van € 1.000,- toe te rekenen als gevolg van het strafbare feit, zodat de vordering met betrekking tot de materiële schade tot dat bedrag zal worden toegewezen. Voor het overige zal de vordering worden afgewezen.

Wettelijke rente en kosten

De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 7 februari 2020.

Nu de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

9.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 6.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Voor het overige wordt de vordering afgewezen.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 63 en 242 van het Wetboek van Strafrecht.

11. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 28 (achtentwintig) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

stelt als bijzondere voorwaarde:

- de veroordeelde zal gedurende de duur van de proeftijd niet als taxichauffeur werkzaam zijn in het kader van het WMO-vervoer (het vervoer van personen, die een indicatie hebben vanuit de gemeente, zoals lichamelijk- of verstandelijk beperkten, ziekenhuispatiënten en ouderen) en het vervoer van schoolkinderen;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer] , te betalen een bedrag van € 6.000,- (zegge: zesduizend euro), bestaande uit € 1.000,- aan materiële schade en € 5.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 7 februari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 6.000,- (hoofdsom, zegge: zesduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 februari 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 6.000,- niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 65 (vijfenzestig) dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.G. van de Grampel, voorzitter,

en mrs. J.M.L. van Mulbregt en D. van Putten, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.K. van Zanten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste rechter en jongste rechter, alsmede de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 07 februari 2020 te Rotterdam, in ieder geval in Nederland, door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld en/of bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) iemand, te weten [naam slachtoffer] , heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk het brengen/houden van zijn penis in de mond van die [naam slachtoffer] ;

het geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met geweld en/of de bedreiging met (een) ander feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben bestaan uit het

  • -

    zeggen tegen haar: “Ik wil ook gepijpt worden”, althans woorden gelijke aard en/of strekking en/of

  • -

    aan de kant zetten van de taxibus en/of vervolgens naast haar gaan zitten en/of

  • -

    likken en/of kussen van haar borsten en/of

  • -

    zeggen tegen haar dat zij hem moet pijpen en/of dat hij niet eerder gaat rijden en/of haar niet eerder naar huis gaat brengen voordat hij is klaargekomen, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

  • -

    meermalen, althans eenmaal (telkens) duwen/brengen van haar hoofd naar/richting zijn penis en/of duwen van zijn penis in haar mond en/of

  • -

    (vervolgens) klaarkomen in haar mond en/of

  • -

    doorgaan met genoemde handeling(en) ondanks haar (mondeling) verzet/verweer;

art 242 Wetboek van Strafrecht

subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden

hij op of omstreeks 07 februari 2020 te Rotterdam, in ieder geval in Nederland,

met iemand, te weten [naam slachtoffer] , van wie hij, verdachte, wist dat die [naam slachtoffer] aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens leed dat die [naam slachtoffer] niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam slachtoffer] , namelijk het likken en/of kussen van haar borsten en/of brengen/houden van

zijn penis in haar mond;

art 243 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair, voorzover hot vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 7 februari 2020 te Rotterdam, in ieder geval in Nederland, terwijl hij toen werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg (als taxichauffeur), ontucht heeft gepleegd met [naam slachtoffer] , die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en/of zorg had toevertrouwd, immers heeft hij

  • -

    haar borsten gekust en/of gelikt en/of

  • -

    zich laten pijpen, althans zijn penis in de mond laten nemen/gestopt door/van die [naam slachtoffer] ;

art 249 lid 2 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht