Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:7820

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-09-2020
Datum publicatie
04-09-2020
Zaaknummer
C/10/547684 / FA RK 18-2502 C/10/576696 / FA RK 19-5420
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

“Eindbeschikking na tussenbeschikking van 8 mei 2020 ten aanzien van de verrekening van de kosten van de huishouding over de periode 2010 – 2014. De vrouw wordt veroordeeld om een bedrag van

€ 22.313,67 aan de man te betalen als vergoeding voor de door hem teveel betaalde kosten aan de huishouding.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummers / rekestnummers: C/10/547684 / FA RK 18-2502 (echtscheiding)

C/10/576696 / FA RK 19-5420 (afwikkeling huwelijkse

voorwaarden)

Beschikking van 4 september 2020 betreffende de vermogensrechtelijke afwikkeling van de echtscheiding

in de zaak van:

[naam man] , de man,

wonende op een geheim adres,

advocaat mr. R. van Biezen te 's-Gravenhage,

t e g e n

[naam vrouw] , de vrouw,

wonende te [woonplaats vrouw] , [adres vrouw] ,

advocaat R.A.M. Verlijsdonk te 's-Hertogenbosch.

1. De verdere procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 8 mei 2020 met de daarin genoemde stukken;

  • -

    de brief van de man met bijlagen van 14 mei 2020;

  • -

    de brief van de vrouw met bijlagen van 4 juni 2020;

  • -

    de brief van de man van 1 juli 2020.

2. De verdere beoordeling

2.1.

Bij beschikking van 8 mei 2020 heeft de rechtbank onder meer de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en beslist op de verzoeken tot vaststelling van een partner- en kinderbijdrage. De behandeling van de zaak ten aanzien van de verrekening van de kosten van de huishouding en de verdeling van de gemeenschappelijke eigendommen is aangehouden.

2.2.

Bij voormelde beschikking heeft de rechtbank verder vastgesteld dat de kosten van de huishouding overeenkomstig artikel 7 lid 1 van de huwelijkse voorwaarden tussen partijen verrekend moeten worden over de periode van 4 december 2010 tot 27 december 2014. Omdat de vrouw haar uitgaven aan de kosten van de huishouding per kostenpost over de periode van 4 december 2010 tot aan 29 maart 2018 inzichtelijk heeft gemaakt, is zij in de gelegenheid gesteld om haar uitgaven, bij voorkeur per kalenderjaar, inzichtelijk te maken over de periode 4 december 2010 tot 27 december 2014 op basis van de reeds overgelegde bankafschriften. De man heeft daarop mogen reageren. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het de man niet was toegestaan om daarop inhoudelijk te reageren, nu partijen daartoe reeds de mogelijkheid hadden gehad. De man mocht slechts controleren of de bedragen kloppen op basis van de reeds door de vrouw overgelegde stukken en of het totaalbedrag van de uitgaven juist is.

2.3.

Verrekening kosten van de huishouding

De brief van de man van 14 mei 2020: vermeerdering van verzoek

2.3.1.

De man heeft op 14 mei 2020 een brief ingediend met als bijlagen zijn bankafschriften over de periode 4 december 2010 tot en met 31 december 2011 en heeft in dat verband zijn verzoek vermeerderd.

2.3.2.

De vrouw heeft hiertegen bezwaar gemaakt op de grond dat de vermeerdering van het verzoek in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Zij verzoekt de rechtbank de brief van 14 mei 2020 met bijlagen buiten beschouwing te laten.

2.3.3.

Op grond van artikel 283 in samenhang met artikel 130 Rv is verzoeker bevoegd het verzoek of de gronden daarvan te verminderen, dan wel schriftelijk te veranderen of te vermeerderen, zolang de rechter nog geen eindbeschikking heeft gegeven. In verzoekschriftprocedures bepaalt de rechter na afloop van de mondelinge behandeling de dag, waarop hij uitspraak zal doen. Na die dagbepaling is vermindering, verandering of vermeerdering in beginsel niet meer mogelijk.

Verweerder is bevoegd tegen de wijziging van het verzoek bezwaar te maken, op grond dat de verandering of vermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde.

2.3.4.

In onderhavig geval is het inhoudelijk debat ten aanzien van de verrekening van de kosten van de huishouding gesloten na de mondelinge behandeling van 13 maart 2020. Daarna heeft de rechtbank de datum van beschikking bepaald op 8 mei 2020. Bij deze beschikking werd het inhoudelijk debat niet heropend. Hoewel de vrouw bij deze beschikking nog in de gelegenheid is gesteld om een aangepast overzicht in het geding te brengen, betrof dit geen nieuwe informatie, maar slechts een andere presentatie van de al tot het procesdossier behorende gegevens. Het door haar over te leggen overzicht was gebaseerd op de reeds door haar overgelegde bankafschriften en betrof dus geen nadere inhoudelijke onderbouwing zijdens de vrouw, zoals de man stelt. In de tussenbeschikking van 8 mei 2020 heeft de rechtbank daarom uitdrukkelijk overwogen dat de man daarop niet meer inhoudelijk mocht reageren. Omdat het inhoudelijk debat gesloten was, is de brief van de man met bijlagen van 14 mei 2020, inhoudende een vermeerdering van zijn verzoek, in strijd met de goede procesorde, zodat de rechtbank deze brief buiten beschouwing zal laten.

2.3.5.

Wellicht ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat de stelling van de man dat dat de vrouw eindeloos in de gelegenheid is gesteld haar verzoek nader te onderbouwen, waarmee de man betoogt dat hij nu ook nog gelegenheid moet krijgen zijn verzoek aan te passen en nader te onderbouwen, wordt gepasseerd. In de aanloop naar de mondeling behandeling is er voor beide partijen voldoende gelegenheid geweest om hun standpunten uiteen te zetten en deugdelijk te onderbouwen met stukken. De vrouw heeft haar verzoek strekkende tot verrekening van de kosten van de huishouding al op 24 juli 2018 aangekondigd. De man had vanaf dat moment eveneens zijn bankafschriften kunnen verzamelen om een zelfstandig verzoek te formuleren. Bovendien heeft de man na indiening van het gewijzigde petitum van de vrouw op 29 augustus 2019 tot aan de mondelinge behandeling op 13 maart 2020, dus ruim zes maanden, de tijd hiervoor gehad.

De verzoeken

2.3.6.

De vrouw verzoekt de man ten titel van verrekening kosten huishouding te veroordelen tot betaling binnen veertien dagen na de in deze te geven beschikking van een bedrag van € 148.239,87 aan de vrouw, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijk rente met ingang van 22 juli 2018.

In haar brief van 4 juni 2020 stelt de vrouw uiteindelijk dat haar vordering op de man € 52.529,56 bedraagt.

2.3.7.

Omdat de rechtbank de brief van de man van 14 mei 2020, tevens inhoudende een vermeerdering van het verzoek, buiten beschouwing zal laten, gaat de rechtbank uit van het oorspronkelijke zelfstandige verzoek van de man, dat inhoudt:

  • -

    primair de vrouw te veroordelen om aan de man een bedrag van € 45.132,24 te betalen als vergoeding voor door hem teveel betaalde kosten van de huishouding over de jaren 2012 tot en met 2014;

  • -

    subsidiair de vrouw te veroordelen om aan de man een bedrag van € 79.828,04 te betalen als vergoeding voor hem teveel betaalde kosten van de huishouding over jaren 2012 tot en met 2018;

  • -

    te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 april 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    en voorwaardelijk om de vrouw te veroordelen om aan de man een bedrag van € 45.588,68 te betalen op grond van de verdeling van de gemeenschappelijke goederen.

2.3.8.

De rechtbank zal hierna eerst de uitgaven van de vrouw aan de kosten van de huishouding bespreken en daarna de uitgaven van de man aan de kosten van de huishouding. Daarbij zal de rechtbank de door partijen gekozen indeling van de kosten van de huishouding aanhouden. Daarna zal de rechtbank beoordelen of een van de partijen meer dan de ander heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding.

Bijdrage van de vrouw aan de kosten van de huishouding

2.3.9.

De vrouw stelt dat zij over de periode van 4 december 2010 tot 27 december 2014 een bedrag van € 183.229,59 heeft besteed aan de kosten van de huishouding en verwijst ter onderbouwing naar productie 65 en verder.

2.3.10.

De man voert gemotiveerd verweer. Hij stelt dat de vrouw over deze periode een bedrag van € 122.471,60 heeft besteed aan de kosten van de huishouding.

Aan stelplicht voldaan?

2.3.11.

De man voert als algemeen verweer aan dat de vrouw niet aan haar stelplicht heeft voldaan, omdat zij geen inzicht heeft gegeven in de inkomende bedragen en dus niet aantoont dat de betalingen door haar zijn verricht. Hij stelt dat diverse betalingen door haar ouders zijn verricht.

2.3.12.

De vrouw voert hiertegen gemotiveerd verweer.

2.3.13.

In artikel 7 lid 1 van de huwelijkse voorwaarden is uitsluitend opgenomen dat de kosten van de gemeenschappelijke huishouding door de echtgenoten gezamenlijk worden gedragen, ieder voor de helft. Het is daarbij niet relevant of deze kosten worden voldaan uit inkomen, dan wel vermogen. Bovendien heeft de vrouw gemotiveerd betwist dat haar ouders (deels) de kosten van de huishouding hebben gedragen. Voor zover haar ouders reeds schenkingen aan de vrouw zouden hebben gedaan, hetgeen de vrouw nadrukkelijk betwist, zijn deze schenkingen in haar vermogen gevloeid. De rechtbank passeert dan ook het verweer van de man.

Niet betwiste kostenposten

2.3.14.

De volgende kostenposten zijn door de man niet betwist, zodat de rechtbank deze uitgaven aan zijde van de vrouw als kosten van de huishouding vaststelt:

  • -

    telefonie € 2.421,51

  • -

    zorgverzekering € 10.904,23

  • -

    kranten / tijdschriften € 50,00

  • -

    gemeenschappelijke rekening € 4.502,70

  • -

    restaurants € 2.009,11

  • -

    huishoudelijke artikelen € 677,64

  • -

    kapper € 1.152,47

  • -

    stomerij € 310,70

  • -

    verjaardagen € 0,00

  • -

    boeken, cd, papeterie € 2.918,86

  • -

    speelgoed € 1.604,08

  • -

    school € 28,00

  • -

    musea € 679,35

  • -

    bioscoop € 80,20

  • -

    pretpark- speelparadijzen € 28,75

__________ +

Totaal € 27.367,60

2.3.15.

Verder heeft de vrouw naar aanleiding van de betwisting door de man een aantal kostenposten inmiddels gecorrigeerd, omdat deze buiten de verrekenperiode vallen. De rechtbank stelt de volgende - na correctie nu onbetwiste - uitgaven dus eveneens vast als kosten van de huishouding van de vrouw:

  • -

    meubels € 2.765,90

  • -

    auto € 5.034,99

  • -

    sport € 3.735,90

__________ +

Totaal € 11.536,79

Betwiste kostenposten

2.3.16.

De man betwist de volgende kostenposten, welke de rechtbank hierna afzonderlijk zal bespreken.

Woning

2.3.17.

De vrouw voert een bedrag van € 83.826,80 op aan door haar voldane kosten van de woning. Deze kosten bestaan uit hypotheekrente, servicekosten, verzekeringen, elektriciteit, stookkosten, gemeentelijke belastingen en waterschapsbelasting.

2.3.18.

De man voert gemotiveerd verweer. Volgens hem mag rekening worden gehouden met een bedrag van € 37.525, 97 aan kosten van de woning, welke door de vrouw zijn voldaan.

2.3.19.

Ten aanzien van de hypotheekrente stelt de man dat de vrouw ten onrechte een bedrag van € 1.073,33 per maand heeft opgevoerd, omdat dit een bruto bedrag betreft. De vrouw heeft geen inzicht gegeven in de belastingteruggave die zij in verband met de hypotheekrenteaftrek heeft ontvangen. In het licht van de gemotiveerde betwisting van de man, heeft de vrouw naar het oordeel van de rechtbank haar stelling onvoldoende onderbouwd. De vrouw zal immers een belastingteruggave hebben ontvangen, die in mindering strekt op de hypotheekrente. Het had op de weg van de vrouw gelegen om hierin inzage te geven. Bij gebrek aan informatie over de hoogte van de belastingteruggave in verband met de hypotheekrenteaftrek past de rechtbank het door de man gestelde fiscaal voordeel van 52% toe. Dit brengt mee dat de rechtbank rekening zal houden met een bedrag van € 25.244,72 (49 maanden x € 1.073,33 x 48%) aan hypotheekrente in plaats van het door de vrouw opgevoerde bedrag van € 52.593,17.

2.3.20.

Ten aanzien van de verweren van de man tegen de servicekosten, de premie Interpolis spaarverzekering en de stookkosten Techem overweegt de rechtbank dat de man deze verweren pas voor het eerst heeft aangevoerd bij zijn brief van 1 juli 2020, dus ná de mondelinge behandeling van 13 maart 2020. Dit betreffen dan ook nieuwe inhoudelijke verweren. Dit is in strijd met de instructie van de rechtbank. De rechtbank zal dan ook geen acht slaan op deze verweren en uitgaan van de door de vrouw opgevoerde kostenposten.

2.3.21.

Op grond van het voormelde zal de rechtbank rekening houden met door de vrouw betaalde kosten van de woning van € 56.478,35 in totaal.

Levensmiddelen

2.3.22.

De vrouw voert een bedrag op van € 16.962,74 aan levensmiddelen, welke door haar zijn betaald.

2.3.23.

De man stelt dat een bedrag van € 49,15 dient te worden gecorrigeerd, omdat dit bedrag na de verrekenperiode op 31 december 2014 is voldaan.

2.3.24.

Het bedrag van € 49,15 valt inderdaad buiten de verrekenperiode, zodat de rechtbank dit bedrag zal corrigeren. Na aftrek resteert een bedrag van € 16.913,59 aan door de vrouw betaalde levensmiddelen.

Kleding

2.3.25.

De vrouw stelt dat zij in de verrekenperiode een bedrag van € 30.840,13 heeft besteed aan kleding voor het gezin.

2.3.26.

De man betwist de hoogte van deze kostenpost en stelt dat de vrouw ten onrechte de uitgaven aan kleding voor zichzelf over de jaren 2015, 2016, 2017 en 2018 heeft opgevoerd.

2.3.27.

Uit productie 75 volgt dat de vrouw diverse uitgaven heeft opgevoerd, die buiten de verrekenperiode vallen. Het gaat om een uitgave aan kleding voor de man op 4 januari 2017 en om uitgaven aan kleding voor de vrouw van 3 maart 2015 tot en met 11 februari 2018. Deze uitgaven, die in totaal een bedrag van € 8.055,38 belopen, dienen te worden gecorrigeerd. Na aftrek resteert een bedrag van € 22.784,75 aan kosten kleding, waarmee de rechtbank rekening zal houden.

Vakantie

2.3.28.

De vrouw stelt dat de totale kosten aan vakantie over de verrekenperiode
€ 6.055,39 bedroegen.

2.3.29.

De man betwist deze kostenpost, omdat volgens hem de vakanties door de ouders van de vrouw zijn geschonken aan het gezin.

2.3.30.

De vrouw betwist gemotiveerd dat haar ouders dit bedrag hebben geschonken. De reizen waren deels noodzakelijk voor een medische behandeling voor Annelie en haar ouders hebben deze bedragen slechts voorgeschoten. In het licht van deze gemotiveerde betwisting heeft de man naar het oordeel van de rechtbank zijn stelling dat deze bedragen zijn geschonken aan het gezin onvoldoende onderbouwd. Dit geldt temeer, omdat de man in regelnummer 88 van zijn verweerschrift, dat is ingekomen op 31 december 2019, erkent dat de daadwerkelijke betaling door de vrouw is voldaan. De rechtbank passeert dan ook het verweer van de man en houdt rekening met een bedrag van € 6.055,39 aan door de vrouw betaalde vakanties.

Overig

2.3.31.

Aan overige kosten voert de vrouw een bedrag van € 6.113,89 op.

2.3.32.

De man betwist de hoogte van deze kostenpost en stelt dat een bedrag van € 11,90 is voldaan in augustus 2010, dus voor de verrekenperiode.

2.3.33.

De rechtbank constateert op basis van productie 81 dat een bedrag van € 11,90 op 10 augustus 2010 is voldaan. Deze uitgave is gelegen vóór de datum van het huwelijk en dus voor de verrekenperiode. Na aftrek van dit bedrag zal de rechtbank rekening houden met een bedrag van € 6.101,99 aan overige kosten.

Theater

2.3.34.

De vrouw voert een bedrag van € 526,25 op aan kosten voor theater.

2.3.35.

De man stelt dat een theaterticket van € 30,- een cadeau voor zijn verjaardag is geweest en niet tot de kosten van de huishouding behoort. In haar eerdere overzicht heeft de vrouw dit bedrag niet opgevoerd.

2.3.36.

De rechtbank stelt vast dat de bedragen die de vrouw na de tussenbeschikking als theaterkosten opvoert gelijk zijn aan de eerder in de procedure door haar opgevoerde bedragen op dit punt. De rechtbank overweegt verder dat cadeaus ook behoren tot de kosten van de huishouding en ziet daarom geen aanleiding om dit bedrag te corrigeren. De rechtbank gaat uit van het door de vrouw opgevoerde bedrag van € 526,25 aan kosten theater.

2.3.37.

Samenvattend houdt de rechtbank rekening met de volgende (aangepaste) uitgaven van de vrouw als kosten van de huishouding in de verrekenperiode:

  • -

    woning € 56.478,35

  • -

    levensmiddelen € 16.913,59

  • -

    kleding € 22.784,75

  • -

    vakantie € 6.055,39

  • -

    overig € 6.101,99

  • -

    theater € 526,25

__________ +

Totaal € 108.860,32

Conclusie

2.3.38.

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de vrouw in de verrekenperiode in totaal een bedrag heeft besteed van € 147.764,71(€ 27.367,60 +
€ 11.536,79 + € 108.860,32) aan kosten van de huishouding.

Bijdrage aan de kosten van de huishouding van de man

2.3.39.

De man heeft primair gesteld dat de kosten van de huishouding alleen verrekend dienen te worden over de periode 2012 tot en met 2014. Bij beschikking van 8 mei 2020 heeft de rechtbank overwogen dat partijen de kosten van de huishouding dienen te verrekenen over de periode van 4 december 2010 tot 27 december 2014. Uit de processtukken van de man en het door hem als productie S overgelegde overzicht leidt de rechtbank af dat de man stelt dat hij in deze verrekenperiode een bedrag van € 246.598,98 heeft besteed aan de kosten van de huishouding.

2.3.40.

De vrouw voert gemotiveerd verweer. Zij stelt dat de man over deze periode een bedrag van 78.170,45 heeft besteed aan kosten van de huishouding.

Aan stelplicht voldaan?

2.3.41.

De vrouw voert als algemeen verweer aan dat de man niet aan zijn stelplicht en wegwijsplicht heeft voldaan. Hij heeft zijn verzoek niet deugdelijk onderbouwd per kostenpost, aldus de vrouw. Zij stelt dat de man alleen heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding door middel van bijschrijvingen op de en/of rekening.

2.3.42.

De man voert hiertegen gemotiveerd verweer.

2.3.43.

De rechtbank overweegt als volgt. De man heeft zijn uitgaven aan de kosten van de huishouding op andere wijze inzichtelijk gemaakt dan de vrouw. Hij heeft zijn uitgaven aan de kosten van de huishouding ingedeeld per jaar en niet per kostenpost. Naar het oordeel van de rechtbank brengt dit evenwel niet mee dat de man zijn verzoek niet deugdelijk zou hebben onderbouwd. Zoals overwogen in rechtsoverweging 2.11.7 van de beschikking van 8 mei 2020, komt de vraag of de man ter onderbouwing van zijn verzoek voldoende heeft gesteld aan de orde bij de hierna volgende inhoudelijke beoordeling en daarmee bij de bespreking van de concrete verweren van de vrouw.

Privé uitgaven van de zakelijke rekening

2.3.44.

Als productie Y heeft de man een overzicht overgelegd van privé uitgaven ter voldoening van de kosten van de huishouding vanaf zijn zakelijke bankrekening. Deze uitgaven heeft hij onderbouwd met onderliggende bankafschriften, overgelegd als productie X1 tot en met X8.

2.3.45.

De vrouw voert hiertegen gemotiveerd verweer. Zij stelt dat alle afschrijvingen van de zakelijke bankrekening van de man zakelijke kosten zijn en geen kosten van de huishouding, zodat deze afschrijvingen alle buiten beschouwing dienen te worden gelaten.

2.3.46.

Naar het oordeel van de rechtbank betekent het enkele feit dat een afschrijving plaatsvindt vanaf een zakelijk bankrekening niet dat dit daarom een zakelijke kostenpost betreft. Bij een IB-ondernemer is het niet ongebruikelijk dat ook privé uitgaven worden voldaan vanaf een zakelijke bankrekening. De rechtbank passeert dit algemene verweer van de vrouw dan ook. Of de door de man gestelde privé uitgaven vanaf zijn zakelijke bankrekening zijn aan te merken als kosten van de huishouding, zal hierna aan de orde komen bij bespreking van de concrete verweren van de vrouw.

Inleidende opmerking

2.3.47.

Zoals voormeld, heeft de man zijn uitgaven aan de kosten van de huishouding inzichtelijk gemaakt per jaar, zoals opgenomen in het als productie S overgelegde overzicht. Het verweer van de vrouw tegen diverse uitgaven is veelal jaaroverstijgend. Het ziet dus niet op uitgaven binnen een bepaald jaar, maar op kostenposten binnen de gehele verrekenperiode.

Om deze reden zal de rechtbank eerst het bestaan van de uitgaven per jaar binnen de verrekenperiode bespreken en zal zij daarna beoordelen of deze uitgaven, gelet op de verweren van de vrouw ten aanzien van de aard van deze uitgaven, kunnen worden gekwalificeerd als bijdragen aan kosten van de huishouding, dan wel dat zij een correctie behoeven.

2010

2.3.48.

Uit het door de man als productie S overgelegde overzicht volgt dat hij meent dat vanaf 4 december 2010 een bedrag van € 1.894,87 is uitgegeven aan de kosten van de huishouding. Dit bedrag bestaat uit een afschrijving van € 750,- van zijn privérekening, een bedrag van € 394,87 dat is afgeschreven van zijn zakelijke rekening en een extra bedrag van € 750,- aan spaargeld op de en/of rekening, aldus de man.

2.3.49.

De vrouw voert hiertegen gemotiveerd verweer.

2.3.50.

Ten aanzien van het bedrag van € 750,- vanaf de privérekening erkent de vrouw dat de man dit in december 2010 op de en/of rekening heeft gestort, waarvan kosten van de huishouding werden voldaan. Dit wordt bovendien onderbouwd door het door de man als productie O overgelegde bankafschrift van de en/of rekening, waaruit de bijschrijving van voormeld bedrag vanaf de privérekening van de man op 10 december 2010 blijkt. De rechtbank houdt dan ook rekening met dit bedrag.

De gestelde uitgaven aan de kosten van de huishouding van € 394,87 vanaf zijn zakelijke rekening heeft de man opgenomen in productie Y en onderbouwd met de als productie X8 overgelegde onderliggende bankafschriften. De rechtbank zal ook met dit bedrag rekening houden. Tenslotte stelt de man dat hij vóór het huwelijk spaargelden op de en/of rekening heeft gestort en dat in december 2010 met een bedrag van € 750,- op dit spaargeld is ingeteerd. De vrouw erkent dat de man vóór het huwelijk spaargelden had en dat binnen de verrekenperiode is ingeteerd op deze gelden met een bedrag van € 6.375,-. Zij stelt echter dat dit spaargeld aan hen gezamenlijk toebehoort. De man betwist dit gemotiveerd. De stelling van de vrouw dat het spaargeld van de man aan partijen gezamenlijk toekomt, vindt geen grond in de huwelijkse voorwaarden, noch heeft de vrouw voldoende onderbouwd dat dit tussen partijen is afgesproken. De rechtbank zal dan ook rekening houden met het bedrag van € 750,-.

2.3.51.

Het voormelde leidt ertoe dat de rechtbank rekening houdt met uitgaven van de man vanaf 4 december tot en met 31 december 2010 van € 1.894,87.

2011

2.3.52.

De man stelt, blijkens het door hem als productie S overgelegde overzicht, dat in 2011 ter voldoening van de kosten van de huishouding een bedrag van € 9.247,94 is afgeschreven vanaf zijn privérekening, een bedrag van € 3.609,09 aan jaarpremie voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering, een bedrag van € 17.454,02 vanaf zijn zakelijke rekening en een extra bedrag van € 6.885,18 vanaf de en/of rekening dat ziet op spaargeld. In totaal bedragen de uitgaven van de man in 2011 € 37.196,23, aldus de man.

2.3.53.

De vrouw voert hiertegen gemotiveerd verweer.

2.3.54.

De man heeft geen bankafschriften van zijn privérekening eindigend op [nummer 1] over 2011 in het geding gebracht. Echter, uit de door de man als productie P overgelegde bankafschriften van de en/of rekening over 2011 volgen wel zijn bijschrijvingen op deze rekening vanaf zijn privérekening. Tussen partijen staat vast dat vanaf de en/of rekening kosten van de huishouding werden voldaan. Deze bijschrijvingen belopen in totaal een bedrag van € 9.247,94, zodat de rechtbank hiermee rekening zal houden.

Het bedrag van € 3.609,09 aan jaarpremie voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft de man naar het oordeel van de rechtbank deugdelijk onderbouwd met productie T, zodat de rechtbank hiermee eveneens rekening zal houden.

De rechtbank zal op grond van producties Y en X8 eveneens rekening houden met het bestaan van het door de man gestelde uitgaven van € 17.454,02 vanaf zijn zakelijke bankrekening.

Tenslotte erkent de vrouw dat de man voor het huwelijk spaargelden op de en/of rekening heeft gestort tot een bedrag van € 6.375,-, waarop gedurende de verrekenperiode is ingeteerd ter voldoening van kosten van de huishouding. De rechtbank heeft over het jaar 2010 al rekening gehouden met een bedrag van € 750,- van dit spaargeld, zodat de rechtbank nog rekening zal houden met een bedrag van € 5.625,-. In het licht van de gemotiveerde betwisting van de vrouw heeft de man het bedrag voor het overige onvoldoende onderbouwd.

2.3.55.

Het voormelde leidt ertoe dat de rechtbank rekening zal houden met uitgaven van de man in 2011 ter grootte van € 35.936,05.

2012

2.3.56.

De man stelt, blijkens het door hem als productie S overgelegde overzicht, dat in 2012 ter voldoening van de kosten van de huishouding een bedrag van € 40.174,10 is afgeschreven vanaf zijn privérekening, een bedrag van € 3.883,71 aan jaarpremie voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering, een bedrag van € 14.809,90 vanaf zijn zakelijke rekening en een extra bedrag van € 3.454,60 vanaf de en/of rekening dat ziet op spaargeld. Daarop heeft de man een drietal bedragen van € 40,-, € 21,60 en € 2.109,12 gecorrigeerd, omdat dit geen kosten van de huishouding zijn. In totaal bedragen de uitgaven van de man in 2012 € 60.151,59, aldus de man.

2.3.57.

De vrouw voert gemotiveerd verweer.

2.3.58.

De rechtbank is van oordeel dat de man de uitgaven vanaf zijn privérekening, zijn zakelijke bankrekening en de jaarpremie voor zijn arbeidsongeschiktheidsverzekering deugdelijk door middel van onderliggende bankafschriften heeft onderbouwd.

Ten aanzien van het extra bedrag van € 3.454,60 aan spaargeld vanaf de en/of rekening oordeelt de rechtbank dat, gelet op de gemotiveerde betwisting van de vrouw, de man dit onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank zal hiermee geen rekening houden en zal dit bedrag in mindering brengen op de totale uitgaven van € 60.151,59, waarna een bedrag van € 56.696,99 resteert.

2013

2.3.59.

De man stelt, blijkens het door hem als productie S overgelegde overzicht, dat in 2013 ter voldoening van de kosten van de huishouding een bedrag van € 56.606,55 is afgeschreven vanaf zijn privérekening, een bedrag van € 3.941,61 aan jaarpremie voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering en een bedrag van € 17.553,42 vanaf zijn zakelijke rekening. Daarop heeft de man een tweetal bedragen van € 2,09 en € 2.109,12 gecorrigeerd, omdat dit geen kosten van de huishouding zijn. In totaal bedragen de uitgaven van de man in 2013 € 75.990,37, aldus de man.

2.3.60.

De vrouw heeft het bestaan van deze uitgaven niet betwist en verder blijken deze uitgaven ook uit de door de man overgelegde bankafschriften. De rechtbank zal voor het jaar 2013 dan ook uitgaan van de door de man gestelde uitgaven van € 75.990,37.

2014

2.3.61.

De man stelt, blijkens het door hem als productie S overgelegde overzicht, dat in 2014 ter voldoening van de kosten van de huishouding een bedrag van € 62.894,37 is afgeschreven vanaf zijn privérekening, een bedrag van € 4.181,03 aan jaarpremie voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering en een bedrag van € 13.838,61 vanaf zijn zakelijke rekening. Daarop heeft de man een drietal bedragen van € 7.408,-, € 30, 97 en € 2.109,12 gecorrigeerd, omdat dit geen kosten van de huishouding zijn. In totaal bedragen de uitgaven van de man in 2014 € 71.365,92, aldus de man.

2.3.62.

De vrouw heeft in algemene termen verweer gevoerd.

2.3.63.

Bij beschikking van 8 mei 2020 heeft de rechtbank vastgesteld dat de kosten van de huishouding overeenkomstig artikel 7 lid 1 van de huwelijkse voorwaarden tussen partijen verrekend moeten worden over de periode van 4 december 2010 tot 27 december 2014. De rechtbank constateert dat de man ook uitgaven vanaf 27 december 2014 heeft betrokken in zijn totaaluitgaven over 2014. De rechtbank zal dit corrigeren, omdat de uitgaven vanaf 27 december 2014 buiten de verrekenperiode vallen.

De man heeft blijkens productie C vanaf zijn privérekening in de periode van 27 december tot en met 31 december 2014 een bedrag uitgegeven van € 2.723,62. Daarbij heeft de rechtbank de afschrijving van € 175,76 wegens zijn studieschuld aan DUO buiten beschouwing gelaten, omdat de man dit bedrag zelf al heeft gecorrigeerd.

Blijkens productie X en Y is vanaf de zakelijke bankrekening van de man een bedrag van
€ 4.906,68 buiten de verrekenperiode door de man uitgegeven.

2.3.64.

Op grond van het voormelde concludeert de rechtbank dat de man in de periode van 1 januari tot 27 december 2014 een bedrag van € 63.735,62 heeft uitgegeven.

Samenvatting 4 december 2010 – 27 december 2014

2.3.65.

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de man, na uitvoering van voormelde correcties, in de verrekenperiode een bedrag heeft uitgegeven van:

2010: € 1.894,87

2011: € 35.936,05

2012: € 56.696,99

2013: € 75.990,37

2014: € 63.735,62

_________ +

Totaal € 234.253,90

2.3.66.

Zoals hiervoor overwogen, zal de rechtbank hierna de inhoudelijke verweren van de vrouw bespreken tegen de door de man opgevoerde uitgaven en beoordelen of deze uitgaven zijn te kwalificeren als kosten van de huishouding, dan wel een nadere correctie behoeven.

Studieschuld DUO

2.3.67.

De vrouw stelt dat de man ten onrechte zijn aflossing op zijn studieschuld aan DUO als kosten van de huishouding heeft opgevoerd.

2.3.68.

De man voert hiertegen gemotiveerd verweer.

2.3.69.

Op grond van artikel 7 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden behoort de aflossing op de studieschuld van de man niet tot de kosten van de huishouding, omdat dit een privé schuld van de man betreft. De man is deze mening zelf ook toegedaan en blijkens productie S heeft hij de aflossing daarom ieder jaar in mindering gebracht op zijn uitgaven. Omdat de correctie al is uitgevoerd door de man, passeert de rechtbank het verweer van de vrouw.

Bedrag van € 32,20 naar IMNederland

2.3.70.

De man voert een bedrag van € 32,20 aan IMNederland Trainingen op 8 maart 2012 op als kosten van de huishouding.

2.3.71.

De vrouw betwist deze kostenpost gemotiveerd en stelt dat dit een zakelijke uitgave betreft.

2.3.72.

De man heeft toegelicht dat deze uitgave een privé uitgave betreft en ziet op een incasso van Nespresso. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man deze stelling, in het licht van de gemotiveerde betwisting van de vrouw, onvoldoende onderbouwd. De rechtbank rekent deze uitgave daarom niet tot kosten van de huishouding en zal het bedrag van € 32,20 buiten beschouwing laten.

Bedrag van € 40,- naar zakelijke rekening

2.3.73.

De vrouw stelt dat de man ten onrechte een afschrijving van € 40,- van zijn privérekening naar zijn zakelijke rekening op 26 juni 2012 als kosten van de huishouding heeft opgevoerd.

2.3.74.

De man betwist dit gemotiveerd.

2.3.75.

De rechtbank oordeelt dat een storting vanaf de privérekening van de man naar zijn zakelijke rekening niet tot de kosten van de huishouding behoort. Echter, de rechtbank constateert dat de man dit bedrag volgens productie S en zijn toelichting in zijn brief van 29 februari 2020 al heeft gecorrigeerd. De rechtbank passeert dan ook het verweer van de vrouw.

Bedrag van € 642,90 naar Nespresso

2.3.76.

De man voert een bedrag van € 642,90 op aan Nespresso op 6 mei 2014 op als kosten van de huishouding.

2.3.77.

De vrouw voert hiertegen gemotiveerd verweer en stelt dat dit een zakelijke uitgave betreft.

2.3.78.

De man heeft onweersproken gesteld dat deze uitgave ziet op de aanschaf van een koffiezetapparaat in privé. De rechtbank zal deze uitgave dan ook rekenen tot de kosten van de huishouding en het verweer van de vrouw passeren.

Autokosten

2.3.79.

In het door de man als productie Y overgelegde overzicht voert hij diverse kosten op die verband houden met de auto’s.

2.3.80.

De vrouw voert hiertegen gemotiveerd verweer. Zij stelt dat de man de auto’s, te weten de Jaguar XJS en de BMW X5, tijdens de gehele verrekenperiode slechts zakelijk heeft gebruikt en dat deze kosten dan ook niet behoren tot de kosten van de huishouding.

2.3.81.

De man stelt dat hij de BMW X5 heeft aangeschaft in 2014. Volgens hem betrof de BMW X5 een gezinsauto en na de aanschaf hiervan is hij de Jaguar XJS vanaf 2015 zakelijk gaan gebruiken. Voor de aanschaf van de BMW X5 was de Jaguar XJS dus kennelijk de enige auto van de man. Ten aanzien van de BMW X5 heeft de vrouw naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd betwist dat dit een privé auto betrof. Voor wat betreft de Jaguar XJS is de rechtbank, in het licht van de gemotiveerde betwisting van de vrouw, van oordeel dat de man onvoldoende heeft onderbouwd dat hij de Jaguar XJS tot aan de aanschaf van de BMX X5 alleen in privé gebruikte en de door hem opgevoerde kosten in die periode huishoudkosten zijn. De man heeft immers onweersproken gesteld dat hij een auto nodig heeft voor zijn werk. De man voert onder meer een strafrechtpraktijk, waardoor hij geregeld gedetineerde cliënten moet bezoeken. Ook blijkt uit de jaarstukken van 2013 dat een bedrag van € 9.989,- aan autokosten is opgenomen. Zoals de man heeft gesteld, beschikte hij op dat moment alleen over de Jaguar XJS. Deze auto werd dus kennelijk niet alleen in privé gebruikt, maar ook zakelijk. De kosten voor deze auto werden bovendien van de zakelijke bankrekening afgeschreven, maar de man heeft deze kosten opgevoerd als zijnde kosten van de huishouding.

De rechtbank is van oordeel dat de man onvoldoende inzicht heeft gegeven in het privé dan wel zakelijk gebruik van de Jaguar XJS en de daarmee gepaard gaande kosten. Gelet hierop komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de man opgevoerde autokosten voor de Jaguar XJS niet zijn aan te merken als kosten van de huishouding en zal een correctie toepassen. Op grond van het voorgaande zal de rechtbank op basis van het door de man als productie Y overgelegde overzicht een bedrag van € 31.796,17 corrigeren.

Parkeerkosten

2.3.82.

De man heeft de vanaf zijn zakelijke bankrekening afgeschreven parkeerkosten opgevoerd als kosten van de huishouding.

2.3.83.

De vrouw heeft deze kosten gemotiveerd betwist.

2.3.84.

Zoals hiervoor overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de man onvoldoende heeft onderbouwd dat de door hem opgevoerde autokosten, waaronder de parkeerkosten, kosten van de huishouding betreffen. De parkeerkosten zijn al meegenomen in de correctie, dus behoeven geen afzonderlijke aanpassing meer.

Kosten hardware

2.3.85.

De man heeft diverse kosten aan hardware opgevoerd als kosten van de huishouding.

2.3.86.

De vrouw voert hiertegen gemotiveerd verweer en stelt dat de man ten onrechte een bedrag van € 14.755,94 aan kosten aan hardware heeft opgevoerd als kosten van de huishouding. Volgens de vrouw betreffen dit zakelijk kosten.

2.3.87.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw haar standpunt onvoldoende gemotiveerd heeft onderbouwd. Het is de man niet duidelijk hoe de vrouw aan het door haar betwiste bedrag komt en de rechtbank volgt de man in zijn stelling. Het ligt op de weg van de vrouw om concreet aan te geven tegen welke kosten zij bezwaar maakt; de enkele stelling dat alle door de man opgevoerde kosten aan hardware zakelijke kosten betreffen, volstaat niet. Dit geldt temeer nu de man onweersproken heeft gesteld dat de door hem opgevoerde kosten aan hardware zien op kosten in privé, waaronder de aanschaf van twee Ipads voor de minderjarigen, de aanschaf van Iphones voor partijen en airports wegens een slechte wifi-ontvangst thuis.

Kosten consumpties [naam bedrijf]

2.3.88.

De man voert een bedrag van € 4.569,11 op aan consumpties bij [naam bedrijf] .

2.3.89.

De vrouw voert hiertegen gemotiveerd verweer. Zij stelt dat dit consumpties onder werktijd betreffen en zakelijke kosten zijn.

2.3.90.

De rechtbank volgt het verweer van de vrouw. Sinds 2014 huurt de man een kantoorruimte bij [naam bedrijf] . De man nuttigt ook consumpties bij [naam bedrijf] . Deze consumpties worden genuttigd onder werktijd in een zakelijke omgeving. Omdat de man een advocatenkantoor heeft, zal hij cliënten en zakenrelaties ontvangen op kantoor. Gelet hierop heeft de man naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat deze consumpties privé kosten betreffen. Gelet op de verrekenperiode zal de rechtbank het bedrag aan consumpties bij [naam bedrijf] over 2014 op basis van productie Y en de als productie 26 overgelegde facturen corrigeren met een bedrag van € 1.158,14.

Advocaatkosten

2.3.91.

De man voert een bedrag van € 4.275,35 op aan advocaatkosten.

2.3.92.

De vrouw betwist deze kostenpost gemotiveerd en stelt dat deze kosten niet behoren tot de kosten van de huishouding.

2.3.93.

De vrouw heeft onweersproken gesteld dat deze kosten zien op de inschakeling van een advocaat door de man in 2013 wegens problemen in de huiselijke sfeer. De rechtbank volgt het verweer van de vrouw dat deze kosten niet zijn aan te merken als kosten van de huishouding en zal deze kosten buiten beschouwing laten.

Opname van en/of rekening

2.3.94.

De man heeft de afschrijvingen van zijn privérekening eindigend op [nummer 1] naar de en/of rekening eindigend op [nummer 2] opgevoerd als kosten van de huishouding.

2.3.95.

De vrouw voert gemotiveerd verweer en stelt dat de man tijdens de verrekenperiode ook weer een bedrag van € 4.600,- heeft opgenomen van de en/of rekening.

2.3.96.

De man heeft de stelling van de vrouw niet weersproken en evenmin blijkt uit het overzicht van de man dat hij dit bedrag heeft gecorrigeerd, zodat de rechtbank voormeld bedrag buiten beschouwing zal laten.

Conclusie

2.3.97.

Samenvattend past de rechtbank op grond van het hiervoor overwogene de volgende correcties toe:

  • -

    IMNederland Trainingen € 32,20

  • -

    Autokosten € 31.796,17

  • -

    Consumpties [naam bedrijf] € 1.158,14

  • -

    Advocaatkosten € 4.275,35

  • -

    Opname en/of rekening € 4.600,00

_________ +

Totaal € 41.861,86

2.3.98.

Het bedrag van € 41.861,86 komt in mindering op de totale uitgaven van de man over de verrekenperiode van € 234.253,90 waarna een bedrag van € 192.392,04 resteert. De rechtbank stelt het bedrag van € 192.392,04 vast als door de man betaalde kosten van de huishouding over de verrekenperiode.

Verrekening

2.3.99.

De vrouw heeft een bedrag van € 147.764,71 besteed aan de kosten van de huishouding in de verrekenperiode. De man heeft een bedrag van € 192.392,04 besteed aan de kosten van de huishouding in de verrekenperiode. In totaal bedroegen de kosten van de huishouding in de verrekenperiode € 340.156,75.

2.3.100. Op grond van artikel 7 lid 1 van de huwelijkse voorwaarden dienen de kosten van gemeenschappelijke huishouding door de echtgenoten gezamenlijk te worden gedragen, ieder voor de helft. Volgens lid 4 kan de echtgenoot die in een kalenderjaar meer heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding dan hij op grond van het bepaalde in artikel 7 zou moeten dragen, dit meerdere van de andere echtgenoot terugvorderen.

In overeenstemming met de huwelijkse voorwaarden hadden partijen ieder een bedrag van
€ 170.078,37 (€ 340.156,75 / 2) moeten dragen van de kosten van de huishouding. De man heeft met een bedrag van € 192.392,04 bijgedragen aan de kosten van de huishouding, terwijl hij slechts had moeten bijdragen met een bedrag van € 170.078,37. Dit leidt ertoe dat de man met een bedrag van € 22.313,67 (€ 192.392,04 - € 170.078,37) teveel heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding en de vrouw met eenzelfde bedrag te weinig heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding (€ 170.078,37 - € 147.764,71). De man heeft dan ook een vordering op de vrouw wegens hetgeen hij teveel heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding ten bedrage van € 22.313,67.

2.3.101. De rechtbank zal het verzoek van de man om de vrouw te veroordelen om aan de man te betalen als vergoeding voor door hem teveel betaalde kosten van de huishouding dan ook toewijzen tot een bedrag van € 22.313,67.

Het verzoek van de vrouw zal worden afgewezen.

2.3.102. De rechtbank zal dit bedrag overeenkomstig het verzoek van de man vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 april 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, omdat de vrouw daartegen geen verweer heeft gevoerd en de vordering overigens op dat moment al bestond.

2.4.

Verdeling van de gemeenschappelijke eigendommen

2.4.1.

De man heeft verzocht om de vrouw te veroordelen om aan hem een bedrag van
€ 45.588,68 te betalen op grond van de verdeling van de gemeenschappelijke goederen. De vrouw heeft verzocht om de goederen van de man bij helfte te verdelen.

2.4.2.

De rechtbank zal de verzoeken van beide partijen afwijzen en overweegt daartoe het volgende.

De man heeft in regelnummer 92 van zijn verweerschrift op de aanvullende verzoeken van de vrouw tevens houdende wijziging verzoeken met bijlagen van de man, ingekomen op 31 december 2019, gespecificeerd welke goederen volgens hem in de verdeling moeten worden betrokken. De rechtbank constateert dat het overzicht diverse goederen bevat, die zijn aangekocht buiten de verrekenperiode. Dit zijn dan ook geen gemeenschappelijke goederen. De overige goederen zien voornamelijk op kleding, speelgoed, huishoudelijke artikelen, boeken en dergelijke en daarbij is de man uitgegaan van de nieuwwaarde van deze goederen. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de vrouw, heeft de man de waarde van deze goederen onvoldoende onderbouwd.

Het verzoek van de vrouw is eveneens te onbepaald. Zij heeft immers nagelaten de volgens haar te verdelen goederen en de waarde daarvan nader te concretiseren.

2.5.

Verwijzing naar de enkelvoudige kamer

2.5.1.

Bij beschikking van 8 mei 2020 is de behandeling van de zaak ten aanzien van de zorgregeling, de daarmee samenhangende verzoeken en de informatie- en consultatieregeling aangehouden tot 1 september 2020. Omdat alleen nog op deze verzoeken moet worden beslist, zal de rechter de zaak voor de verdere behandeling verwijzen naar de enkelvoudige kamer.

2.6.

Proceskosten

2.6.1.

Omdat ten aanzien van de zorgregeling en daarmee samenhangende voorzieningen nog geen eindbeschikking wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.

3. De beslissing

De rechtbank:

3.1.

veroordeelt de vrouw om aan de man een bedrag van € 22.313,67 te betalen als vergoeding voor de door de man teveel betaalde kosten aan de huishouding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 april 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

3.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

3.3.

wijst af het meer of anders verzochte ten aanzien van de vermogensrechtelijke gevolgen van de echtscheiding;;

3.4.

verwijst de zaak naar de enkelvoudige kamer voor de behandeling van de verzoeken ten aanzien van de zorgregeling, de daarmee samenhangende voorzieningen en de informatie- en consultatieregeling.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.J. Wieman-Bart, voorzitter, tevens kinderrechter, en mrs. L.M. Coenraad en L. Berghuis-Knijff, rechters tevens kinderrechters, in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.J.I. Mullenders op 4 september 2020.

Tegen deze uitspraak kan binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak door partijen hoger beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof Den Haag. Een in eerste aanleg niet verschenen partij kan hoger beroep instellen binnen drie maanden na de betekening van deze uitspraak aan hem/haar in persoon dan wel binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend en openlijk bekend gemaakt.