Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:7758

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-08-2020
Datum publicatie
10-09-2020
Zaaknummer
C/10/597775 / JE RK 20-1578 en C/10/597749 / JE RK 20-1566
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

beëindiging van het ouderlijk gezag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

zaakgegevens: C/10/597775 / JE RK 20-1578 en C/10/597749 / JE RK 20-1566

datum uitspraak: 4 augustus 2020

beschikking beëindiging van het ouderlijk gezag

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht,

hierna te noemen de Raad, gevestigd te Rotterdam,

betreffende

[naam minderjarige 1] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige 1] 2007 te [geboorteplaats minderjarige 1] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 1] ,

[naam minderjarige 2] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige 2] 2011 te [geboorteplaats minderjarige 2] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 2] ,

[naam minderjarige 3] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige 3] 2016 te [geboorteplaats minderjarige 3] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 3] .

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

hierna te noemen de GI, gevestigd te Amsterdam,

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats moeder] ,

[naam vader] ,

hierna te noemen de vader, wonende te [woonplaats vader] .

De rechtbank merkt als belanghebbenden ten aanzien van het verzoek C/10/597775 / JE RK 20-1578 aan:

[naam pleegmoeder 1] ,

hierna te noemen de pleegmoeder van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] , wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

[naam pleegvader 1] ,

hierna te noemen de pleegvader van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] , wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

De rechtbank merkt als informanten ten aanzien van het verzoek C/10/597749 / JE RK 20-1566 aan:

[naam pleegmoeder 2] ,

hierna te noemen de pleegmoeder van [voornaam minderjarige 3] , wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

[naam pleegvader 2] ,

hierna te noemen de pleegvader van [voornaam minderjarige 3] , wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- de verzoekschriften met bijlagen van de Raad van 2 juni 2020, ingekomen bij de griffie op 5 juni 2020;

- het proces-verbaal van de zitting gehouden op 17 juli 2020.

Op 4 augustus 2020 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de moeder,

- de vader,

- een vertegenwoordiger van de Raad, dhr. [naam vertegenwoordiger] ,

- een vertegenwoordigster van de GI, mw. [naam vertegenwoordigster] .

[voornaam minderjarige 1] heeft schriftelijk zijn mening kenbaar gemaakt.

De pleegouders van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] en de pleegvader van [voornaam minderjarige 3] hebben hun mening kenbaar gemaakt ter zitting van 17 juli 2020.


De feiten

Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] wordt uitgeoefend door de ouders.

Bij beschikking van de kinderrechter van 28 augustus 2017 is de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] uitgesproken. Bij beschikking van 31 oktober 2017 zijn [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] met een machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst.

[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] wonen sindsdien in het huidige, perspectiefbiedende pleeggezin. [voornaam minderjarige 3] woont sinds oktober 2019 in het huidige pleeggezin.

Deze maatregelen duren nog steeds voort.

De GI heeft zich bij brief van 11 oktober 2019 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.

Het verzoek

De Raad heeft verzocht het gezag van de ouders te beëindigen en de GI tot voogdes over [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] te benoemen.

De Raad heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. De kinderen wonen al lange tijd niet meer bij de ouders. In het verleden heeft een onderzoek van het Kennis- en Service Centrum voor Diagnostiek (KSCD) plaatsgevonden, waaruit is gebleken dat het voor de kinderen beter is om in een pleeggezin op te groeien. De ouders kunnen niet bieden wat de kinderen nodig hebben. Ondanks dat de ouders accepteren dat de kinderen ergens anders opgroeien, is het belangrijk dat het gezag van de ouders wordt beëindigd. Er kan niet van de ouders verwacht worden dat zij de hulpverlening voor de kinderen en de afspraken met de pleegouders zelfstandig kunnen regelen. Het is belangrijk dat er duidelijkheid aan de ouders en kinderen wordt geboden. Positief is dat de ouders de plek van de kinderen in de pleeggezinnen ondersteunen.

De standpunten

De GI heeft zich ter zitting aangesloten bij het verzoek van de Raad. Het is belangrijk dat er rust komt voor de kinderen.

De moeder is het eens met het verzoek. De kinderen hebben een goede plek om op te groeien. Het gezag moet bij de GI neergelegd worden, omdat er anders misverstanden kunnen ontstaan. Alle betrokkenen moeten meewerken in het belang van de kinderen. [voornaam minderjarige 1] heeft verteld dat hij goed wordt verzorgd in het pleeggezin. De moeder vindt dit fijn om te horen. De ouders hebben goed contact met de kinderen en de pleegouders. De ouders worden in het pleeggezin thuis uitgenodigd. De bezoekcontacten met de kinderen vinden zonder begeleiding plaats, maar de pleegouders zijn daarbij wel aanwezig.

De vader is het eens met het verzoek. De ouders zien de kinderen een of twee keer per maand.

De pleegouders van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] hebben ter zitting van 17 juli 2020 aangegeven dat er duidelijkheid moet komen voor de kinderen. De kinderen zijn loyaal naar ouders toe. [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] voelen zich thuis in het pleeggezin. [voornaam minderjarige 1] begrijpt waarom de ouders niet voor hem kunnen zorgen. De pleegouders hebben een goede band met de ouders.

De pleegvader van [voornaam minderjarige 3] heeft ter zitting van 17 juli 2020 aangegeven dat [voornaam minderjarige 3] sinds oktober 2019 in het pleeggezin verblijft. De afgelopen maanden is [voornaam minderjarige 3] gegroeid. Zij heeft nog wel bevestiging nodig van de pleegouders. Het vertrouwen groeit langzaam. De bezoekcontacten tussen [voornaam minderjarige 3] en de ouders verlopen ook beter. De pleegouders gunnen [voornaam minderjarige 3] rust, zekerheid en vertrouwen. Het regelen van praktische zaken voor [voornaam minderjarige 3] gebeurt in goede harmonie.

De beoordeling

De rechtbank overweegt, dat zij op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) het gezag van een ouder kan beëindigen, indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] zijn opgegroeid in een onveilige en onstabiele thuissituatie. Beide ouders hebben een licht verstandelijke beperking en een knipperlichtrelatie met elkaar. Ook waren er problemen op het gebied van huisvesting en hygiëne. Het lukte de ouders niet om de kinderen in een veilige omgeving op te laten groeien en de juiste verzorging te bieden, waardoor de kinderen in oktober 2017 uit huis zijn geplaatst. In 2019 heeft het KSCD onderzoek gedaan naar het perspectief van de kinderen. Hieruit is gebleken dat de ouders vanwege hun praktische en persoonlijke problematiek de kinderen niet de benodigde basale zorg, structuur, stimulans en veiligheid kunnen bieden. Hierdoor is de algemene en gehechtheidsontwikkeling van de kinderen niet optimaal verlopen, waardoor zij zijn geremd in hun cognitieve, lichamelijke en sociaal-emotionele ontwikkeling. De ouders zijn van goede wil, maar de leerbaarheid van de ouders is beperkt. Het KSCD heeft geadviseerd om de kinderen op te laten groeien in de huidige pleeggezinnen.

[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verblijven sinds oktober 2017 in een perspectief biedend pleeggezin. [voornaam minderjarige 3] verblijft sinds oktober 2019 in een ander perspectief biedend pleeggezin, nadat zij eerst in een crisispleeggezin heeft verbleven. De kinderen ontwikkelen zich positief en leeftijdsadequaat in de desbetreffende pleeggezinnen. Zij krijgen daar de verzorging, structuur, veiligheid en aandacht die zij nodig hebben. [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] vinden het fijn in het pleeggezin en gaan met plezier naar school. De pleegouders van [voornaam minderjarige 3] zijn voor haar belangrijke hechtingsfiguren. De pleegouders sluiten aan bij de ontwikkelingsbehoeften van de kinderen. Het is voor de kinderen van belang dat er rust en duidelijkheid komt over hun toekomstperspectief en dat zij de zekerheid gaan ervaren dat hun verblijfplaats niet meer zal wijzigen.

Gelet op al het vorenstaande en de duur dat de kinderen inmiddels uit huis zijn geplaatst, is de rechtbank van oordeel dat de aanvaardbare termijn is verstreken. Er is geen perspectief meer op een plaatsing bij de ouders. Een verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een voorziening voor pleegzorg is daarom niet meer passend.

De ouders hebben ter zitting ingestemd met het verzoek van de Raad. De rechtbank geeft de ouders een compliment dat zij de plaatsing van de kinderen in de pleeggezinnen accepteren en ondersteunen.

De rechtbank is daarom van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, sub a BW is voldaan en zal het verzoek tot beëindiging van het gezag van de ouders toewijzen. Daarbij is het wel van belang dat er regelmatig contact blijft bestaan tussen de ouders en de kinderen.

Omdat de beëindiging van het gezag van de ouders ertoe zal leiden, dat een gezagsvoorziening over [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid BW een voogd over hen te benoemen. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt. Om de goede onderlinge samenwerking te waarborgen en de pleegouders hun rol als opvoeder te laten behouden kan de voogdij naar het oordeel van de rechtbank het beste worden belegd bij de GI. De GI heeft zich bereid verklaard de voogdij op zich te nemen.

Op grond van het bepaalde in artikel 1:276, eerste lid, BW worden de ouders veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording aan de opvolger in dit bewind, ervan uitgaande dat zij het bewind voerden over het vermogen van de kinderen.

De beslissing

De rechtbank:

beëindigt het ouderlijk gezag van [naam moeder] , geboren op [geboortedatum moeder] te [geboorteplaats moeder] ( [geboorteland moeder] ) en [naam vader] , geboren op [geboortedatum vader] te [geboorteplaats vader] ( [geboorteland vader] ), over [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] ;

benoemt tot voogdes over [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam;

veroordeelt de ouders aan de voogdes rekening en verantwoording van het gevoerde bewind over het vermogen van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] te doen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2020 door mr. G.M. Paling, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Ruijgrok als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 13 augustus 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.