Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:7716

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-08-2020
Datum publicatie
03-09-2020
Zaaknummer
8306839 CV EXPL 20-4396
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot ontbinding en ontruiming ingetrokken. Achterstallige huur toegewezen. Van misbruik avn procesrecht is geen sprake, zodat gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8306839 CV EXPL 20-4396

uitspraak: 14 augustus 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de stichting

Stichting Vestia,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

gemachtigde: mr. E.L.B. Hundscheidt, te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. N. Roos, advocaat te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘Vestia’ respectievelijk ‘ [gedaagde] ’.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennisgenomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 4 februari 2020, met producties;

  • -

    de aantekeningen van de griffier van het mondelinge antwoord van [gedaagde] en de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    de conclusie van repliek, met één productie;

  • -

    de conclusie van dupliek.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1.

Tussen Vestia als verhuurster en [gedaagde] als huurder bestaat een huurovereenkomst met betrekking tot de woning gelegen aan de [adres] , te Rotterdam (hierna: het gehuurde).

2.2.

Uit hoofde van deze huurovereenkomst is [gedaagde] verplicht aan Vestia bij vooruitbetaling huurpenningen te betalen, laatstelijk bedragend € 644,07 per maand.

2.3.

[gedaagde] is in gebreke gebleven met betaling van de verschuldigde huur en ter aflossing van de ontstane achterstand heeft hij in april 2019 een betalingsregeling met Vestia afgesproken, in die zin dat hij naast de lopende huur tevens een bedrag van € 100,- per maand zou betalen. [gedaagde] heeft gedeeltelijk uitvoering gegeven aan die betalingsregeling.

3. De vordering

3.1.

Vestia heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de huurovereenkomst tussen partijen te ontbinden en [gedaagde] te veroordelen tot ontruiming van het gehuurde binnen drie dagen na betekening van dit vonnis en tot betaling aan Vestia van de in de dagvaarding genoemde bedragen, waaronder € 2.028,51 aan achterstallige huur berekend tot en met de maand februari 2020, € 315,88 aan vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en € 35,46 aan vervallen rente, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.028,51 vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

Bij repliek heeft Vestia haar vordering verminderd, in die zin dat zij de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde heeft ingetrokken en thans een bedrag van € 1.505,58 aan achterstallige huur berekend tot en met de maand juni 2020 vordert.

3.2.

Aan haar vordering heeft Vestia – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende ten grondslag gelegd.

3.2.1.

[gedaagde] is ondanks aanmaning en sommatie in gebreke gebleven met tijdige betaling van de verschuldigde huurpenningen en heeft ten tijde van de dagvaarding een huurachterstand van € 2.028,51 berekend tot en met de maand februari 2020 laten ontstaan, hetgeen ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt. Doordat [gedaagde] gedurende de onderhavige procedure de huurachterstand heeft ingelopen en thans berekend tot en met de maand juni 2020 een huurachterstand bestaat van € 1.505,58, zijnde een huurachterstand van minder dan drie maanden, heeft Vestia de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde ingetrokken.

3.2.2.

Door de wanbetaling van [gedaagde] zag Vestia zich genoodzaakt haar vordering ter incasso uit handen te geven en buitengerechtelijke kosten te maken. Deze kosten van

€ 315,88 (incl. btw) komen voor rekening van [gedaagde] .

3.2.3.

Voorts maakt Vestia aanspraak op de wettelijke rente, waaronder € 35,46 aan vervallen rente berekend tot de dag van dagvaarding.

4. Het verweer

4.1.

Het verweer strekt tot (gedeeltelijke) afwijzing van de vordering, met compensatie van de proceskosten.

4.2.

Daartoe heeft Dallio – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende aangevoerd.

[gedaagde] erkent dat hij een huurachterstand heeft laten ontstaan. De door Vestia bij conclusie van repliek gestelde huurachterstand van € 1.505,58 berekend tot en met de maand juni 2020 is inmiddels ook weer ingelopen doordat Dallio de verschuldigde huur over de maand juni 2020 ter hoogte van € 644,07 aan Vestia heeft betaald.

[gedaagde] betwist dat de btw over de buitengerechtelijke kosten schade is voor Vestia. Vestia is immers btw-plichtig en kan derhalve de btw terugvragen bij de Belastingdienst. Voor wat betreft de wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten refereert [gedaagde] zich verder aan het oordeel van de kantonrechter met dien verstande dat de vermindering van de eis ook leidt tot een vermindering van deze kosten.

Voorts heeft [gedaagde] zich op het standpunt gesteld dat de proceskosten tussen partijen gecompenseerd dienen te worden, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt. Ten tijde van de dagvaarding was er geen sprake van een noodzaak tot dagvaarden, nu tussen partijen een betalingsregeling gold waar [gedaagde] zich – behoudens twee uitzonderingen – aan heeft gehouden. Vestia maakt daarom misbruik van procesrecht. Gelet hierop en gelet op de vermindering van eis, is het in strijd met de redelijkheid en billijkheid om [gedaagde] in de proceskosten te veroordelen.

5. De beoordeling

5.1.

Nu Vestia de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en de veroordeling tot ontruiming van het gehuurde heeft ingetrokken, behoeven de stellingen van partijen over en weer ter zake daarvan geen bespreking meer.

5.2.

Vestia heeft gevorderd [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de toekomstige huurtermijnen, te vermeerderen met de wettelijke rente, vanaf de dagvaarding tot de dag van algehele voldoening. Nu de huurovereenkomst niet wordt ontbonden en Vestia op grond van de huurovereenkomst aanspraak kan maken op de betaling van de huurtermijnen, heeft Vestia geen rechtens te respecteren belang bij toewijzing van de vordering tot betaling van de toekomstige huurpenningen, zeker niet nu niet vaststaat dat [gedaagde] met betaling van de toekomstige huurtermijnen in gebreke zal blijven. De vordering ter zake zal dan ook worden afgewezen.

5.3.

Bij conclusie van repliek heeft Vestia een recente specificatie van de huurachterstand in het geding gebracht. Volgens deze specificatie bestond er berekend tot en met de maand juni 2020 een huurachterstand van € 1.505,58. [gedaagde] heeft bij conclusie van dupliek de hoogte van deze huurachterstand erkend, maar heeft aangevoerd dat die huurachterstand inmiddels weer is ingelopen doordat hij de huur voor de maand juni 2020 ter hoogte van € 644,07 aan Vestia heeft betaald. Omdat Vestia niet meer heeft kunnen reageren op de conclusie van dupliek en daarom niet met zekerheid valt te zeggen dat de betaling van de maand juni 2020 door Vestia is ontvangen, gaat de kantonrechter uit van de achterstand berekend tot en met de maand mei 2020 ten bedrage van € 861,51. Dat bedrag zal hierna in het dictum van deze beslissing worden toegewezen. Op die wijze wordt voorkomen dat de procedure eindeloos blijft doorlopen, omdat na iedere akte weer een termijn vervallen is en (mogelijk) ook weer betalingen zijn verricht.
Zo mocht blijken dat [gedaagde] na het nemen van de conclusie van dupliek nog verdere deelbetalingen heeft gedaan, afgezien van de lopende huurtermijnen, strekken die betalingen uiteraard in mindering op bedoelde huurachterstand.

5.4.

Vestia maakt aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De vordering dient beoordeeld te worden aan de hand van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Vestia is in haar aanmaning d.d. 10 april 2019 uitgegaan van een hoger bedrag aan hoofdsom dan op dat moment was verschuldigd. Volgens de door Vestia in het geding gebrachte recente specificatie van de huurachterstand bestond er namelijk op dat moment een huurachterstand van € 1.108,92, terwijl in bedoelde aanmaning aanspraak is gemaakt op een bedrag van € 1.740,37 berekend tot en met de maand april 2019. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen daarom worden afgewezen.

5.5.

De gevorderde vervallen rente van € 35,46 berekend tot aan de dag van dagvaarding wordt als onweersproken en op de wet gegrond toegewezen. De vermindering van eis heeft geen invloed op de hoogte van de reeds vervallen rente, nu de vermindering van eis betrekking heeft op betalingen die door [gedaagde] zijn gedaan na dagvaarding. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] betalingen voorafgaand aan de dagvaarding heeft verricht die Vestia ten tijde van de dagvaarding nog niet had verwerkt. De gevorderde wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding wordt toegewezen zoals onder de beslissing vermeld.

5.6.

[gedaagde] heeft verweer gevoerd tegen de proceskosten en verzocht de proceskosten te compenseren. Gelet op hetgeen hiervoor onder 5.2 is overwogen en vaststaat dat ten tijde van de dagvaarding een achterstand van € 2.028,51 berekend tot en met de maand februari 2020 bestond, kan niet worden gezegd dat Vestia nodeloos tot dagvaarden is overgegaan, zodat [gedaagde] als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld dient te worden in de proceskosten. Van misbruik van procesrecht is geen sprake, te meer nu niet kan worden gezegd dat Vestia nodeloos tot dagvaarden is overgegaan. [gedaagde] is de in april 2019 getroffen betalingsregeling immers niet correct nagekomen, nu hij over de maand december 2019 de lopende huur onbetaald heeft gelaten.
De proceskosten worden vastgesteld op € 601,96 aan verschotten (€ 499,00 griffierecht en € 102,96 explootkosten) en € 240,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten à € 120,00).

6. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan Vestia tegen kwijting te betalen € 896,97 aan achterstallige huur berekend tot en met de maand mei 2020 en vervallen rente, vermeerderd met de wettelijke rente van artikel 6:119 BW over het saldo dat vanaf de dag der dagvaarding aan hoofdsom, exclusief kosten, telkens, na elke debetmutatie heeft uitgestaan, tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Vestia vastgesteld op € 601,96 aan verschotten en € 240,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

37555