Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:7714

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-08-2020
Datum publicatie
03-09-2020
Zaaknummer
8388415 CV EXPL 20-8516
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onbetaalde zorgpremies. Zilveren Kruis ogv 6:29 BW niet verplicht een betalingsregeling te treffen. Toewijzing vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8388415 CV EXPL 20-8516

uitspraak: 14 augustus 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de naamloze vennootschap

Zilveren Kruis Zorgverzekeringen N.V,

gevestigd te Utrecht,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 10 maart 2020,

gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V. te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als “Zilveren Kruis” respectievelijk “ [gedaagde] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken:

 de dagvaarding, met producties;

 het schriftelijke antwoord van [gedaagde] ;

 de conclusie van repliek, met producties;

 de schriftelijke reactie van [gedaagde] .

1.2

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1

Tussen [gedaagde] en Zilveren Kruis is sprake van een zorgverzekeringsovereenkomst.

2.2

Uit hoofde van deze zorgverzekeringsovereenkomst is [gedaagde] aan Zilveren Kruis periodiek premie en/of eigen risico en/of eigen bijdrage verschuldigd.

2.3

[gedaagde] is in gebreke gebleven met de tijdige betaling van zijn maandelijkse zorgpremies en jaarlijkse eigen risico.

3. Het geschil

3.1

Zilveren Kruis heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen € 2.618,85 (bestaande uit € 2.492,80 aan hoofdsom, € 5,11 aan verschenen rente en € 156,24 aan buitengerechtelijke kosten) te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over € 2.492,80 en met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

3.2

Aan haar vordering heeft Zilveren Kruis - samengevat en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag gelegd. Het van [gedaagde] te vorderen bedrag van € 2.492,80 is nader gespecificeerd in productie 1 bij de dagvaarding. Door de wanbetaling van [gedaagde] en het hierdoor uit handen geven van de vordering lijdt Zilveren Kruis vermogensschade. Daarom vordert zij ook de wettelijke rente - tot aan de dag van dagvaarding berekend op € 5,11 - en buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 156,24 (€ 129,12 plus € 27,12 omzetbelasting).

3.3

[gedaagde] heeft de vordering betwist en heeft daartoe - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd. [gedaagde] heeft in het verleden inderdaad zijn zorgverzekering niet betaald. In een ander geval heeft [gedaagde] met de gemachtigde van Zilveren Kruis een betalingsregeling getroffen en alles afbetaald, maar dat bedrag werd steeds verhoogd waardoor hij de keuze heeft moeten maken om dan zijn zorgverzekering niet te betalen. Zilveren Kruis heeft hem nooit gebeld om er samen uit te komen, maar heeft direct haar gemachtigde ingeschakeld. [gedaagde] wil ook nu graag een betalingsregeling, zodat hij zijn zorgverzekering kan blijven betalen.

4. De beoordeling

4.1

Zilveren Kruis heeft ter onderbouwing van haar vordering een specificatie overgelegd, waaruit de opbouw van de vordering blijkt. Het gaat om veertien maanden zorgpremie en twee maal het eigen risico, respectievelijk over 2018 en 2019. [gedaagde] heeft de vordering en die specificatie niet betwist, zodat in rechte van de juistheid daarvan wordt uitgegaan.

4.2

De door [gedaagde] aangevoerde financiële omstandigheden vallen, hoe moeilijk ook, in zijn risicosfeer en kunnen niet afdoen aan zijn betalingsverplichtingen jegens Zilveren Kruis. Ook het enkele verzoek tot het treffen van een betalingsregeling van de zijde van [gedaagde] staat niet aan toewijzing van de vordering in de weg, aangezien Zilveren Kruis op grond van artikel 6:29 BW niet verplicht kan worden om met [gedaagde] een betalingsregeling te treffen. Bovendien heeft Zilveren Kruis bij conclusie van repliek gesteld dat [gedaagde] herhaaldelijk niet heeft gereageerd op brieven met daarin opgenomen een betalingsregeling. Daargelaten of de stelling van [gedaagde] , dat hij nooit heeft geweten dat er een tweede zaak liep met de mogelijkheid om te betalen en dat hij hiervan geen brieven heeft ontvangen, kan worden aangemerkt als een afdoende betwisting, geldt dat die stelling niet kan afdoen aan het bepaalde in artikel 6:29 BW.

4.3

De gevorderde hoofdsom van € 2.492,80 zal daarom worden toegewezen.

4.4

De vordering tot betaling van de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW zal als onbetwist en op de wet gegrond worden toegewezen.

4.5

Zilveren Kruis maakt aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten tot een totaalbedrag van € 156,24. De vordering dient beoordeeld te worden aan de hand van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. In de beoordeling worden uitsluitend de overgelegde aanmaningen die voldoen aan de in artikel 6:96, zesde lid BW gestelde eisen, meegenomen.

4.5.1

Als productie 2 bij de dagvaarding zijn twee aanmaningen overgelegd.

In de aanmaning van 3 januari 2018 deelt de gemachtigde van Zilveren Kruis aan [gedaagde] met betrekking tot de onbetaalde factuur met nummer [nummer factuur] mee dat het niet binnen de termijn betalen van de hoofdsom van € 117,45 zal leiden tot een verhoging met een bedrag van € 48,40 aan buitengerechtelijke incassokosten.

In de aanmaning van 20 augustus 2018 wordt een onderscheid gemaakt tussen het eerste deel van de vordering (waaronder ook onbetaalde factuur met nummer [nummer factuur] valt) en het tweede deel van de vordering. In deze brief deelt de gemachtigde van Zilveren Kruis aan [gedaagde] mee dat het niet binnen de termijn betalen van de nieuwe hoofdsom zal leiden tot het verschuldigd worden van een bedrag van € 35,83 aan buitengerechtelijke incassokosten.

4.5.2

Voor de vaststelling van de aan Zilveren Kruis toekomende vergoeding voor incassokosten zal worden uitgegaan van het totaalbedrag waarvoor [gedaagde] kosteloos is aangemaand in de brief van 3 januari 2018, te weten € 117,45. Daarom is aan buitengerechtelijke incassokosten een bedrag van € 48,40 toewijsbaar.

De in de brief van 20 augustus 2018 aangezegde buitengerechtelijke kosten zijn niet toewijsbaar, aangezien die aanzegging niet voldoet aan de eisen ingevolge de hiervoor genoemde wettelijke bepaling. In die aanzegging is de verschuldigdheid van de aangezegde buitengerechtelijke kosten immers gekoppeld aan betaling van de totale openstaande schuld, terwijl die kosten alleen verschuldigd zijn in het geval de nieuwe schuld niet binnen een termijn van veertien dagen betaald wordt. Het had dan ook op de weg van de gemachtigde van Zilveren Kruis gelegen om in de brief van 30 augustus 2018 niet te spreken over “de nieuwe hoofdsom”, maar daarin op te nemen het bedrag van de nieuwe schuld.

4.5.3

In de aanmaning van 3 januari 2018 wordt een lager bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten genoemd dan thans wordt gevorderd. Voor de aan Zilveren Kruis toekomende vergoeding voor incassokosten zal daarom worden uitgegaan van het totale bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten dat in de aanmaning wordt vermeld, te weten € 48,40.

4.6

[gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld, die aan de zijde van Zilveren Kruis worden vastgesteld op € 604,09 aan verschotten (bestaande uit € 499,- aan griffierecht en € 105,09 aan dagvaardingskosten) en € 420,- aan salaris voor de gemachtigde van eiseres (bestaande uit 2 punten à € 210,- per punt).

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan Zilveren Kruis tegen kwijting te betalen € 2.546,31 (bestaande uit € 2.492,80 aan hoofdsom, € 5,11 aan verschenen rente en € 48,40 aan buitengerechtelijke kosten), vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over € 2.492,80 vanaf 10 maart 2020 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Zilveren Kruis vastgesteld op € 604,09 aan verschotten en € 420,- aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44478