Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:7711

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-08-2020
Datum publicatie
03-09-2020
Zaaknummer
8256858 CV EXPL 20-1213
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huur. Vordering ontbinding en ontruiming vanwege ernstige overlast zoon. Huurster weigert zoon uit huis te zetten. Vordering toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8256858 CV EXPL 20-1213

uitspraak: 28 augustus 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de stichting

Stichting Vestia,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 23 december 2019,

gemachtigde: mr. S.E. Boellaard-Roeters van Lennep te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. W. Suttorp te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als “Vestia” respectievelijk “ [gedaagde] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken:

 de dagvaarding, met producties;

 de conclusie van antwoord, met producties;

 de conclusie van repliek, met producties;

 de conclusie van dupliek, met producties;

 de akte uitlaten producties van Vestia.

1.2

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1

Tussen Vestia als verhuurder en [gedaagde] als huurster bestaat met ingang van 28 april 2010 een huurovereenkomst met betrekking tot de woning aan de [adres 1] [postcode] ) te Rotterdam (hierna: het gehuurde). Op de huurovereenkomst zijn de algemene huurvoorwaarden (productie 1 bij de dagvaarding) van toepassing.

2.2

Op 30 augustus 2019 heeft een medewerker van Vestia, mevrouw [naam medewerker Vestia] (hierna: [naam medewerker Vestia] ), het gehuurde bezocht. Op dezelfde datum heeft [naam medewerker Vestia] aangifte gedaan van bedreiging door de zoon van [gedaagde] , [naam zoon gedaagde] .

2.3

Eveneens op 30 augustus 2019 heeft mevrouw [naam buurvrouw gedaagde] , woonachtig aan de [adres 2] , aangifte gedaan van mishandeling en vernieling door de zoon van [gedaagde] .

2.4

Vestia heeft [gedaagde] bij brief van 10 september 2019 (productie 5 bij de dagvaarding) bij haar op kantoor uitgenodigd voor een gesprek op 17 september 2019. Op 17 september 2019 heeft de zoon van [gedaagde] deze afspraak telefonisch afgezegd (productie 6 bij de dagvaarding).

2.5

Bij brief van 4 oktober 2019 (productie 7 bij de dagvaarding) heeft Vestia [gedaagde] in de gelegenheid gesteld een “allonge gedragsaanwijzing” te ondertekenen en een procedure te voorkomen. De in de allonge opgenomen gedragsaanwijzingen zijn:

“- De (…) zoon van huurder zal niet meer in het gehuurde (de woning en/of de tuin en/of de berging) wonen, verblijven of op bezoek komen, ook niet voor een korte tijd.

- Huurder geeft toestemming voor het uitwisselen van gegevens over de aanwezigheid van de (…) zoon tussen verhuurder, de politie, de gemeente Rotterdam en/of maatschappelijke zorginstellingen die aanwezig zijn in het gezin van huurder.

- Huurder zal aan omwonenden geen enkele overlast meer veroorzaken.

- Huurder zal hulp accepteren die noodzakelijk is voor huurder op gebied van gezondheid, huishouden en dergelijke.

- Huurder zal meewerken aan het uitvoeren van controle(s) op de inschrijving in de BRP (Basisregistratie Personen) door de gemeente Rotterdam.”

[gedaagde] heeft de allonge niet ondertekend.

2.6

Op 4 november 2019 heeft [gedaagde] telefonisch aan Vestia medegedeeld dat zij de allonge niet zal tekenen (productie 9 bij de dagvaarding).

2.7

Bij brief van 10 december 2019 (productie 10) heeft Vestia [gedaagde] een laatste kans gegeven om ervoor te zorgen dat zij haar zoon niet langer toelaat in de woning. [gedaagde] heeft niet binnen de daartoe gestelde termijn, 13 december 2019, gereageerd.

3. Het geschil

3.1

Vestia heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot het gehuurde te ontbinden;

2. [gedaagde] te veroordelen om, binnen drie dagen na betekening van dit vonnis, het gehuurde te ontruimen en te verlaten met alle zich daarin en/of daarop bevindende personen en/of zaken, voor zover deze laatste niet eigendom zijn van Vestia, en onder afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking aan Vestia te stellen;

3. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van de procedure, waaronder begrepen het salaris en de verschotten van de gemachtigde van Vestia.

3.2

Aan haar vordering heeft Vestia - samengevat en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag gelegd. [gedaagde] schiet tekort in de nakoming van haar verplichting om zich als goed huurder te gedragen, door haar zoon niet in de hand te houden en hem niet de deur te wijzen. [gedaagde] heeft zich niets aangetrokken van de waarschuwing, dat Vestia een procedure zou starten als zij niet de toezegging zou doen dat haar zoon niet meer in de woning zou verblijven. Het belang van Vestia bij de vordering is een einde te maken aan de overlast die de medewerkers van Vestia en de buren ondervinden van de zoon van [gedaagde] . Vestia heeft als toegelaten instelling van sociale huurwoningen mede de zorg voor de leefbaarheid van de woonomgeving van haar (overige) huurders. Ook op grond van artikel 45 lid 2 onder f van de Woningwet is Vestia verplicht om op te treden tegen overlast, aangezien de leefbaarheid onder druk staat door het gedrag van [gedaagde] . Tot slot geldt ook nog het belang van Vestia om een schaarse sociale huurwoning te kunnen verhuren aan een huurder die zich wel goed gedraagt.

3.3

[gedaagde] heeft de vordering betwist en heeft daartoe - samengevat en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd. Het enkele feit dat haar zoon bij [gedaagde] inwoont, maakt niet dat zij verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn incidentele gedrag. [gedaagde] en haar zoon proberen met behulp van begeleiding een eigen woning voor de zoon te vinden. Van [gedaagde] kan niet gevergd worden dat zij haar hulpbehoevende zoon op straat zet zonder enige vorm van opvang, begeleiding en dak boven zijn hoofd. Uit niets blijkt dat sprake is van dermate overlast, dat dit ontbinding van de huurovereenkomst zou rechtvaardigen. Ontbinding van de huurovereenkomst is gezien de medische en psychische problematiek van [gedaagde] en de gesteldheid van haar zoon niet gerechtvaardigd.

3.4

Op hetgeen partijen verder nog hebben aangevoerd, wordt hierna, voor zover voor de uitkomst van de procedure van belang, teruggekomen.

4. De beoordeling

4.1

Dit geschil draait om de vraag of [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst en, zo ja, of deze tekortkoming een ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt (artikel 6:265 lid 1 BW).

4.1.1

Artikel 7:213 BW bepaalt dat de huurder verplicht is zich ten aanzien van het gebruik van de gehuurde zaak als een goed huurder te gedragen.

4.1.2

Artikel 7:219 BW bepaalt dat de huurder jegens de verhuurder op gelijke wijze als voor eigen gedragingen aansprakelijk is voor de gedragingen van hen die met zijn goedvinden het gehuurde gebruiken of zich met zijn goedvinden daarop bevinden.

4.1.3

In artikel 13 lid 4 van de algemene huurvoorwaarden is bepaald dat de huurder ervoor zal zorgdragen dat aan omwonenden geen overlast of hinder wordt veroorzaakt. Dit geldt tevens voor huisgenoten of derden, die zich met toestemming van huurder in het gehuurde bevinden.

4.2

De huurder kan onder omstandigheden ook overlast worden verweten indien niet hijzelf maar iemand van zijn gezin, of iemand anders die met zijn goedvinden het gehuurde gebruikt of zich daarin of daaromheen bevindt, overlast veroorzaakt. Tussen partijen is niet in geschil dat de zoon van [gedaagde] niet op het adres [adres 1] te Rotterdam staat ingeschreven in de BRP, maar dat hij daar met toestemming van [gedaagde] wel verblijft.

4.3

De kantonrechter stelt voorop dat Vestia bij een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en een veroordeling tot ontruiming van de woning wegens overlast de stelplicht en bewijslast van die overlast draagt. Daarvoor moet sprake zijn van bewezen ernstige en structurele overlast gedurende een langere periode.

4.4

Ter onderbouwing van de gestelde overlast heeft Vestia de volgende stukken in het geding gebracht:

- de aangifte door [naam medewerker Vestia] van 30 augustus 2019 (productie 3 bij de dagvaarding);

- het door [naam medewerker Vestia] opgestelde verslag van haar bezoek aan het gehuurde op 30 augustus 2019 (productie 4 bij de dagvaarding);

- de verklaring van de heer [naam getuige 1] , waarin hij verklaart getuige te zijn geweest van het incident op 30 augustus 2019 tussen de zoon van [gedaagde] en [naam medewerker Vestia] (productie 11 van de conclusie van repliek);

- de verklaring van mevrouw [naam getuige 2] en haar dochter [naam buurvrouw gedaagde] , beiden wonende aan de [adres 2] , waarin zij onder meer verslag doen van de relatie met [gedaagde] en haar gezin, verklaren over twee incidenten uit 2014, waarbij zowel [gedaagde] als haar zoon het gezin zou hebben bedreigd met een mes, en verklaren over het incident op 30 augustus 2019, waarbij de zoon van [gedaagde] zou hebben gescholden, gedreigd met brandstichting in het huis van [naam getuige 2] en [naam buurvrouw gedaagde] en [naam buurvrouw gedaagde] in het gezicht zou hebben geslagen (productie 12 bij de conclusie van repliek);

- de aangifte door [naam buurvrouw gedaagde] van 30 augustus 2019 van vernieling en bedreiging door de zoon van [gedaagde] (productie 13 bij de conclusie van repliek);

- de verklaring van de heer [naam getuige 3] , wonende aan de [adres 3] , waarin hij bevestigt dat de zoon van [gedaagde] de buren op nummer 27 heeft aangevallen met een mes, stelt dat wat er is gebeurd invloed heeft in de straat en bevestigt dat de zoon van [gedaagde] [naam medewerker Vestia] heeft bedreigd (productie 14 bij de conclusie van repliek).

4.5

[gedaagde] heeft hier nauwelijks iets tegenover gesteld. Zij heeft niet veel meer gedaan dan te stellen dat van de gestelde bedreiging van [naam medewerker Vestia] onvoldoende objectief bewijsmateriaal voorhanden is, dat de verklaringen van de buren een eenzijdige versie van de feiten geven en niet objectief zijn en dat Vestia haar melding van overlast door de pergola van de buren op nummer 27 niet serieus nam, waardoor wrijving is ontstaan tussen haar en Vestia.

4.6

[naam medewerker Vestia] , een medewerker van Vestia, heeft zowel bij haar aangifte van bedreiging door de zoon van [gedaagde] als in haar e-mail van 6 september 2019 gedetailleerd en consistent verklaard over de gang van zaken op 30 augustus 2019. De bedreiging door de zoon van [gedaagde] wordt bovendien bevestigd door de verklaringen van [naam getuige 1] en [naam getuige 3] . Naar het oordeel van de kantonrechter is er geen reden om de verklaring van [naam medewerker Vestia] onvoldoende onderbouwd te achten, zoals [gedaagde] stelt.

4.7

Het tweede incident uit 2014 waarover [naam getuige 2] en [naam buurvrouw gedaagde] hebben verklaard, heeft

- onweersproken - geleid tot de arrestatie van de zoon van [gedaagde] en een detentie van enkele dagen. Het incident van 30 augustus 2019 heeft - onweersproken - geleid tot een arrestatie van de zoon van [gedaagde] en een door de rechter aan hem opgelegd contactverbod met de buren. Daarnaast hebben [naam getuige 2] en [naam buurvrouw gedaagde] verklaard zich door de incidenten, met name de bedreiging met brandstichting in augustus 2019, niet meer veilig te voelen in hun eigen huis. Hun verklaring is gedetailleerd en consistent en wordt bovendien door de verklaring van [naam getuige 3] . Naar het oordeel van de kantonrechter is er geen reden om deze verklaring eenzijdig en daarom onbetrouwbaar te achten, zoals [gedaagde] stelt.

4.8

Gelet op het voorgaande is de overlast door de zoon van [gedaagde] naar het oordeel van de kantonrechter bewezen. Op grond van het bepaalde in artikel 7:219 BW is [gedaagde] jegens Vestia aansprakelijk voor de gedragingen van haar zoon. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn de incidenten waarbij de zoon van [gedaagde] betrokken was dermate ernstig, dat Vestia terecht stelt de leefbaarheid voor de directe buren van [gedaagde] onder druk is komen te staan. Het is immers zeer ernstig wanneer buren bang worden van het optreden van de zoon van [gedaagde] en zich daarom onveilig voelen in hun eigen woning.

4.9

Bovendien is van belang dat Vestia meerdere keren heeft geprobeerd om met [gedaagde] het gesprek aan te gaan over de overlast en haar zijde van het verhaal te horen, maar dat [gedaagde] hier niet op in is gegaan door zonder geldige reden niet te komen op een afspraak, heeft geweigerd de allonge te ondertekenen en niet heeft gereageerd op brieven van Vestia. Voor zover al sprake is van overlast door de pergola van de buren van nummer 27, doet die naar het oordeel van de kantonrechter bovendien niet af aan de overlast door bedreigingen, intimidaties en fysiek geweld van de zijde van de zoon van [gedaagde] . Dat geldt ook voor de stelling van [gedaagde] , dat Vestia haar klacht over die pergola niet serieus heeft genomen.

4.10

De kantonrechter acht gelet op het voorgaande bewezen dat er sprake is van zodanig herhaald intimiderend en bedreigend gedrag van de zoon van [gedaagde] richting de buren, dat geoordeeld moet worden dat [gedaagde] ernstig tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichting om zich te gedragen als een goed huurster.

De omwonenden hebben het recht om gevrijwaard te blijven van overlast. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat [gedaagde] voldoende gewaarschuwd is en kansen heeft gehad om de situatie te verbeteren, bijvoorbeeld door haar zoon niet langer toe te staan in de woning te verblijven. Dat er, naar door [gedaagde] gesteld, sinds het laatste incident in augustus 2019 geen meldingen van vermeende overlast meer zijn geweest, is niet van doorslaggevende betekenis nu dit op zichzelf, gelet op de aard en ernst van de incidenten, niet wegneemt dat de leefbaarheid in de straat ernstig onder druk is komen te staan en de zoon van [gedaagde] nog steeds regelmatig door de buren wordt gezien in de woning aan de [adres 1] te Rotterdam.

De kantonrechter zal vervolgens beoordelen of de tekortkoming ook de ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt.

4.11

Tegenover de belangen die Vestia heeft gesteld staat het belang van [gedaagde] om in haar woning te kunnen blijven. Zij heeft in dit verband - onder verwijzing naar productie 1 bij de conclusie van antwoord en productie 3 bij de conclusie van dupliek - gesteld dat ontbinding van de huurovereenkomst gezien haar medische en psychische problematiek niet gerechtvaardigd is, nu zij haar therapie bij de psycholoog heeft afgerond en onder verdere behandeling staat bij de WMO en het verlies van de woning de huidige stabiliteit ernstig zal doorkruisen en ervoor zal zorgen dat zij in een negatieve spiraal terechtkomt. Ook heeft [gedaagde] - onder verwijzing naar productie 2 bij de conclusie van antwoord en productie 4 bij de conclusie van dupliek - gewezen op de gesteldheid van haar zoon.

Met Vestia is de kantonrechter echter van oordeel dat zowel [gedaagde] als haar zoon weinig hebben ondernomen om de situatie te verbeteren.

Uit de e-mail van 30 juni 2020 van [naam senior WMO adviseur] , Senior WMO Adviseur van de gemeente Rotterdam, blijkt slechts dat ten behoeve van [gedaagde] een aanvraag voor een WMO-indicatie is gedaan voor, onder andere, ondersteunende begeleiding. Wat die begeleiding inhoudt, blijkt niet uit de e-mail. Het onderzoek daaromtrent is bovendien nog niet afgerond, omdat de adviseur nog in afwachting is van een toestemmingsverklaring om medische informatie op te vragen.

Ook stelt Vestia terecht dat de zoon van [gedaagde] al in december 2019 op de hoogte gesteld van de gerechtelijke procedure tegen zijn moeder en dat er pas in maart 2020 actie is ondernomen naar begeleid wonen, de zoon van [gedaagde] ondanks aandringen van de Reclassering nog steeds niet staat ingeschreven als woningzoekende, waardoor hij ook geen urgentie zal kunnen krijgen, en dat hij volgens de buren voornamelijk verblijft en slaapt op de [adres 1] .

De kantonrechter kan Vestia op grond van het voorgaande dan ook volgen in haar standpunt dat zij er geen vertrouwen in heeft dat de zoon van [gedaagde] op korte termijn vervangende woonruimte zal hebben.

4.12

Uit het voorgaande volgt dat er geen indicaties zijn dat aan de tekortkoming door [gedaagde] op korte termijn een einde zal komen. Daarom is ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde gerechtvaardigd. De kantonrechter zal de ontruimingstermijn bepalen op veertien dagen na het wijzen van dit vonnis.

4.13

[gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, die tot aan deze uitspraak aan de zijde van Vestia worden vastgesteld op € 225,06 aan verschotten (€ 101,06 aan dagvaardingskosten en € 124,00 aan griffierecht) en € 450,00 aan salaris voor de gemachtigde van Vestia (2,5 punten à € 180,00 per punt).

5. De beslissing

De kantonrechter:

ontbindt de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot het gehuurde gelegen aan de [adres 1] te Rotterdam;

veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na het wijzen van dit vonnis de woning gelegen aan de [adres 1] te Rotterdam te ontruimen en te verlaten met alle zich daarin en/of daarop bevindende personen en/of zaken, voor zover deze laatste niet het eigendom van Vestia zijn, en onder afgifte van alle sleutels ter vrije en algehele beschikking van Vestia te stellen;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Vestia vastgesteld op € 225,06 aan verschotten en € 450,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.I. Mentink en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44478