Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:7702

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-08-2020
Datum publicatie
02-09-2020
Zaaknummer
8437609 CV EXPL 20-10912
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Premies zorgverzekering. Grondslag voor vordering maandpremie tandartsverzekering ontbreekt, niet aangetoond dat gedaagde die heeft afgesloten. Maandpremie basispakket is inmiddels betaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8437609 CV EXPL 20-10912

uitspraak: 14 augustus 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de naamloze vennootschap

AnderZorg N.V.,

gevestigd te Wageningen,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 12 maart 2020,

gemachtigde: Landelijke Associatie van Gerechtsdeurwaarders B.V. te Groningen,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als “AnderZorg” respectievelijk “ [gedaagde] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken:

 de dagvaarding, met productie;

 de aantekeningen van de griffier van het telefonische antwoord van [gedaagde] ;

 de conclusie van repliek tevens akte vermindering van eis, met producties;

 de aantekeningen van de griffier van de telefonische reactie namens [gedaagde] .

1.2

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1

[gedaagde] heeft met AnderZorg een zorgverzekeringsovereenkomst gesloten, uit hoofde waarvan zij voor het jaar 2017, blijkens het polisblad van 6 november 2016, en voor het jaar 2018, blijkens het polisblad van 28 oktober 2017, voor de Basisverzekering een premie van € 102,00 per maand was verschuldigd.

2.2

Bij e-mail van 29 maart 2018 (productie 2 bij de conclusie van repliek) heeft de gemachtigde van AnderZorg aan [gedaagde] medegedeeld dat op dat moment een bedrag van € 111,00 openstond, bestaande uit € 9,00 Basispakket Premie voor de maand december 2017 en € 102,00 Basispakket Premie voor de maand februari 2018. In die e-mail heeft de gemachtigde van AnderZorg [gedaagde] ook gemaand om dit bedrag binnen vijftien dagen na ontvangst te voldoen.

2.3

[gedaagde] heeft bij e-mail van 6 april 2018 (productie 2 bij de conclusie van repliek) geantwoord op de e-mail van 29 maart 2018 en verzocht om deze vordering toe te voegen aan de al bestaande betalingsregeling.

2.4

Bij e-mail van 12 april 2018 (productie 2 bij de conclusie van repliek) heeft de gemachtigde van AnderZorg hiermee ingestemd en aan [gedaagde] medegedeeld dat zij met ingang van 30 april 2018 € 20,00 per maand in het kader van de regeling voor alle zaken dient te betalen.

2.5

Bij brief van 18 januari 2020 (productie 3 bij de conclusie van repliek) heeft de gemachtigde van AnderZorg [gedaagde] bericht dat de betalingsregeling is vervallen omdat deze niet goed werd nagekomen.

2.6

Bij brief van 7 februari 2020 (productie 4 bij de conclusie van repliek) heeft de gemachtigde van AnderZorg [gedaagde] bericht dat het openstaande saldo op dat moment € 119,77 bedroeg, bestaande uit € 9,00 Basispakket Premie voor de maand december 2017 en € 102,00 Basispakket Premie voor de maand februari 2018.

3. Het geschil

3.1

AnderZorg heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen € 119,83, te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over € 67,63 vanaf 4 maart 2020 tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2

Aan haar vordering heeft AnderZorg, naast de vaststaande feiten - samengevat en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag gelegd. Uit de polisbladen blijkt dat [gedaagde] een betalingsverplichting had van € 102,00 per maand voor de basisverzekering en
€ 9,00 per maand voor de aanvullende (tandarts)verzekering. [gedaagde] heeft de aanvullende premie voor december 2017 en de basispremie februari 2018 niet betaald. De vervaldatum is een fatale termijn, zodat [gedaagde] van rechtswege in verzuim is. Vanaf de datum van verzuim is zij wettelijke rente verschuldigd, die berekend tot 4 maart 2020 € 3,80 bedraagt. Toen betaling uitbleef heeft AnderZorg haar vordering ter incasso uit handen moeten geven en buitengerechtelijke incassokosten moeten maken die tot een bedrag van € 48,40 voor rekening van [gedaagde] komen. Na het verstrijken van de termijn zoals genoemd in de e-mail van 29 maart 2018 (hiervoor onder 2.2) heeft [gedaagde] (slechts) een bedrag van € 43,37 betaald. AnderZorg heeft dus opeisbaar van [gedaagde] te vorderen een bedrag van in totaal 163,20 (€ 111,00 + € 3,80 + € 48,40) - € 43,37 = € 119,83. Bij repliek heeft AnderZorg haar eis verminderd met een bedrag van € 60,00 ter zake van drie betalingen van elk € 20,00 op 13 maart 2020, 1 mei 2020 en 25 mei 2020, zodat een bedrag van € 59,83 resteert.

3.3

[gedaagde] heeft de vordering betwist en heeft daartoe - samengevat en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd. [gedaagde] heeft contact gehad met AnderZorg en met de gemachtigde van AnderZorg. Er zou een schriftelijke bevestiging worden gestuurd dat er geen schuld meer openstaat en de zaak zou worden teruggedraaid. [gedaagde] heeft echter nog niets ontvangen. Wat in de conclusie van repliek staat klopt niet. Er is geen aanvullende tandartsverzekering afgesloten. De premie voor de basisverzekering wordt elke maand betaald. Daar bovenop betaalt [gedaagde] al drie jaar lang elke maand € 20,00 voor een aflossing van een schuld. [gedaagde] heeft teruggekeken in de bankafschriften of er in 2018 een betaling is gemist, maar heeft niets kunnen ontdekken. Van AnderZorg of haar gemachtigde krijgt zij geen duidelijke specificatie waar de vordering op ziet. Op deze manier kan zij niet terugzoeken of er wel of niet betaald is. [gedaagde] heeft meerdere malen om een financieel overzicht gevraagd, zowel aan AnderZorg als aan de gemachtigde, maar heeft niets ontvangen.

3.4

Op hetgeen partijen verder nog hebben aangevoerd, wordt hierna, voor zover voor de uitkomst van de procedure van belang, teruggekomen.

4. De beoordeling

4.1

Tussen partijen is in geschil of [gedaagde] een aanvullende (tandarts)verzekering heeft afgesloten en of [gedaagde] aan haar betalingsverplichtingen jegens AnderZorg heeft voldaan.

4.2

AnderZorg heeft onder verwijzing naar de onder 2.1 bedoelde polisbladen gesteld dat zij met [gedaagde] ook een aanvullende (tandarts)verzekering heeft afgesloten. Op beide polisbladen staat echter alleen vermeld dat [gedaagde] voor de Basisverzekering een premie van € 102,00 per maand was verschuldigd. Een aanvullende (tandarts)verzekering staat op geen van beide polisbladen vermeld.

Ook uit de correspondentie waarnaar AnderZorg heeft verwezen, de e-mail van 29 maart 2018 (2.2) en de brief van 7 februari 2020 (2.6), blijkt niet dat [gedaagde] uit hoofde van een aanvullende (tandarts)verzekering een bedrag aan AnderZorg zou zijn verschuldigd. Zowel onderaan de e-mail als onderaan de brief staat namelijk:

datum bedrag omschrijving

01-12-2017 € 9,00 Basispakket Premie 01-12-2017 - 31-12-2017

01-02-2018 € 102,00 Basispakket Premie 01-02-2018 - 28-02-2018”

Eerst in de conclusie van repliek is gesteld dat het bedrag van € 9,00 ziet op premie voor een aanvullende (tandarts)verzekering. De onderbouwing daarvan door AnderZorg ontbreekt echter. Het had op de weg van AnderZorg gelegen om dit deel van de vordering deugdelijk (nader) te onderbouwen. Door dit na te laten heeft zij niet aan haar stelplicht voldaan, waarmee aan bewijslevering niet wordt toegekomen. Dit betekent dat in rechte niet is komen vast te staan dat met [gedaagde] een aanvullende (tandarts)verzekering is afgesloten. De grondslag voor de vordering van het bedrag van € 9,00 ontbreekt derhalve. Dit deel van de vordering wordt afgewezen.

4.3

Vervolgens dient beoordeeld te worden of [gedaagde] het gestelde bedrag van € 102,00 ter zake van de basispremie februari 2018 onbetaald heeft gelaten.

De enkele stelling van [gedaagde] - dat zij heeft teruggekeken in de bankafschriften of er in 2018 een betaling is gemist, maar niets heeft kunnen ontdekken - is een onvoldoende betwisting dat zij dat bedrag nog verschuldigd is. [gedaagde] had haar stelling moeten onderbouwen aan de hand van een overzicht van de door haar verrichte betalingen van de basispremie, bijvoorbeeld door het overleggen van kopieën van bankafschriften of uitdraaien van internetbankieren. Door dit na te laten heeft zij niet aan haar stelplicht voldaan, wordt aan bewijslevering niet toegekomen en moet er in rechte van uit worden gegaan dat zij het bedrag van € 102,00 nog verschuldigd is.

4.4

De gevorderde verschenen wettelijke rente ad € 3,80 is niet toewijsbaar, nu AnderZorg de rente heeft berekend over een hoger bedrag aan hoofdsom dan verschuldigd door [gedaagde] . De wettelijke rente zal verder als onbetwist en op de wet gegrond worden toegewezen, zoals in het dictum vermeld.

4.5

AnderZorg maakt aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De vordering dient beoordeeld te worden aan de hand van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. AnderZorg is in haar aanmaning uitgegaan van een hoger bedrag aan hoofdsom dan op dat moment was verschuldigd. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen daarom worden afgewezen.

4.6

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat AnderZorg van [gedaagde] te vorderen heeft een bedrag van € 102,00 aan onbetaalde basispremie voor de maand februari 2018. Daarop strekken in mindering de bedragen van € 43,37 en € 60,00 (drie betalingen van elk € 20,00), tezamen € 103,37, zodat een voorstand van € 1,37 resteert.

4.7

Daarnaast hebben partijen op 27 mei 2020 toch weer een nieuwe betalingsregeling afgesproken, te weten voor een bedrag van € 25,00 per maand (productie 5 bij de conclusie van repliek). Volgens deze nieuwe betalingsregeling diende [gedaagde] uiterlijk op 30 juni 2020 de eerste en op uiterlijk op 31 juli 2020 de tweede termijn te hebben voldaan. Voor zover door [gedaagde] betalingen zijn verricht, dienen die vanzelfsprekend in mindering te worden gebracht op het ingevolge dit vonnis nog aan AnderZorg verschuldigde.

4.8

[gedaagde] wordt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, die tot aan deze uitspraak aan de zijde van AnderZorg worden vastgesteld op € 227,72 aan verschotten (€ 105,09 aan dagvaardingskosten en € 124,00 aan griffierecht, minus het bedrag van € 1,37 genoemd in r.o. 4.6) en € 72,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten à € 36,00 per punt).

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan AnderZorg tegen kwijting te betalen de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over het saldo vanaf de dag van dagvaarding dat aan hoofdsom, exclusief kosten, telkens, na elke credit- en debetmutatie, heeft uitgestaan, tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van AnderZorg vastgesteld op € 227,72 aan verschotten en € 72,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44478