Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:7701

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-08-2020
Datum publicatie
02-09-2020
Zaaknummer
8256995 CV EXPL 20-1222
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huur. Huurachterstand deels ingelopen. Thans minder dan drie maanden. Vordering tot ontbinding en ontruiming wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8256995 CV EXPL 20-1222

uitspraak: 14 augustus 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de stichting

Stichting Havensteder,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 3 januari 2020,

gemachtigde: Syncasso Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. G.J.C.R. Romet te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als “Havensteder” respectievelijk “ [gedaagde] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken:

 de dagvaarding, met producties;

 de conclusie van antwoord, met producties;

 de conclusie van repliek, met producties;

 de akte overlegging nadere producties bij de conclusie van repliek;

 de conclusie van dupliek, met producties;

 de akte uitlaten producties van Havensteder.

1.2

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1

Tussen Havensteder als verhuurster en [gedaagde] als huurder bestaat een huurovereenkomst met betrekking tot de woning gelegen in de [adres] ( [postcode] ) te Rotterdam (hierna: het gehuurde).

2.2

Uit hoofde van deze huurovereenkomst (productie 1 bij de dagvaarding) is [gedaagde] maandelijks bij vooruitbetaling huurpenningen verschuldigd van thans € 590,27.

2.3

[gedaagde] heeft een betalingsachterstand laten ontstaan.

3. Het geschil

3.1

Havensteder heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

A. de huurovereenkomst tussen partijen te ontbinden met veroordeling van [gedaagde] om het gehuurde met al de zich daarin bevindende personen en roerende zaken, voor zover deze laatste het eigendom van Havensteder niet zijn, te verlaten en te ontruimen en met afgifte van de sleutels en alles wat verder tot het gehuurde behoort, in behoorlijke staat op te leveren en ter algehele beschikking van Havensteder te stellen;

B. [gedaagde] te veroordelen om aan Havensteder tegen behoorlijke kwijting te betalen een bedrag van € 2.408,67 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover een bedrag van vanaf 3 januari 2020 tot de dag van algehele voldoening en een bedrag van € 590,27 per maand of gedeelte daarvan dat [gedaagde] het gehuurde na 31 december 2019 in gebruik zal houden;

C. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, daaronder begrepen een bedrag aan salaris voor de gemachtigde van Havensteder.

3.2

Aan haar vordering heeft Havensteder, naast de vaststaande feiten, - samengevat en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag gelegd. [gedaagde] heeft, berekend tot en met 31 december 2019, een bedrag van € 2.798,91 aan huurpenningen onbetaald gelaten. Ondanks aanmaningen heeft [gedaagde] die huurachterstand niet voldaan. Havensteder vordert daarom ook vergoeding van de door haar gemaakte buitengerechtelijke incassokosten van € 409,95 (€ 338,80 vermeerderd met € 71,15 aan BTW) en € 8,45 aan verschenen rente. In totaal heeft Havensteder dus van [gedaagde] te vorderen een bedrag van € 3.217,31 (= € 2.798,91 + € 409,95 + € 8,45). Een betaling van € 808,64 wordt daarop in mindering gebracht, zodat een bedrag van € 2.408,67 resteert.

3.3

[gedaagde] heeft de vordering betwist en geconcludeerd primair tot niet-ontvankelijk verklaring van Havensteder in haar vordering dan wel tot afwijzing daarvan, subsidiair tot het verlenen van een laatste-kans-overeenkomst en een terme de grâce, alles met proceskostenveroordeling van Havensteder. Hij heeft daartoe - samengevat en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd. [gedaagde] erkent dat er een huurachterstand is ontstaan. De huidige huurachterstand is € 1.790,27 en deze is van onvoldoende gewicht om [gedaagde] zonder pardon dakloos te laten worden. Zonder vaste woon- of verblijfplaats komt zijn recht op een uitkering (gedeeltelijk) te vervallen. Daardoor verdwijnt hij ook uit het vizier van de hulpverlenende instanties en zal zijn situatie verergeren en uitzichtloos worden. Vanwege het ontbreken van een sociaal vangnet of alternatieve verblijfplaats zal hij voor de komende vijf jaar dakloos zijn. Alle kleine beetjes die [gedaagde] heeft worden gebruikt om de huurachterstand in te lopen. Op basis van de huidige financiële situatie is aannemelijk dat die achterstand in ieder geval binnen tien maanden is ingelopen. [gedaagde] heeft inmiddels werk gevonden via een uitzendbureau, maar door de coronacrisis kon hij nog niet beginnen met zijn nieuwe baan. Havensteder had haar specifieke incassobeleid moeten toepassen en [gedaagde] moeten helpen in plaats van over te gaan tot het dagvaarden van [gedaagde] .

3.4

Op hetgeen partijen verder nog hebben aangevoerd wordt, voor zover voor de uitkomst van de procedure van belang, hierna teruggekomen.

4. De beoordeling

4.1

Tussen partijen staat vast dat nog altijd sprake is van een huurachterstand. Zij zijn het echter niet eens over de hoogte daarvan.

4.1.1

In de conclusie van repliek heeft Havensteder gesteld dat de huurachterstand tot en met de maand april 2020 € 1.690,27 bedroeg (productie 1 bij de conclusie van repliek). In de conclusie van dupliek van 17 juni 2020 heeft [gedaagde] gesteld dat de huurachterstand op dat moment nog € 606,30 bedroeg. Bij akte uitlaten producties bedroeg de huurachterstand tot en met de maand juli 2020 volgens Havensteder € 1.240,27.

4.1.2

De kantonrechter stelt vast dat de specificatie van de huurachterstand die Havensteder bij de dagvaarding heeft overgelegd niet helemaal overeenkomt met de nadere specificatie die Havensteder bij de conclusie van repliek heeft overgelegd. Op de eerdere specificatie ontbreken namelijk betalingen die wel staan vermeld op de nadere specificatie, te weten de betalingen van € 658,64 op 21 oktober 2019 en van € 50,- op 25 november 2019.

Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat uit de nadere specificatie volgt dat, anders dan in de dagvaarding staat vermeld, de huurachterstand tot en met 31 december 2019 niet € 2.798,91 (ruim vierenhalve maand huur) maar € 2.090,27 (drieënhalve maand huur) bedroeg.

4.1.3

De kantonrechter is van oordeel dat het handgeschreven overzicht van bedragen dat [gedaagde] als productie 1 bij de conclusie van antwoord heeft overgelegd, niet als bewijs van betaling van die bedragen door [gedaagde] aan Havensteder of haar gemachtigde kan worden aangemerkt.

Dat is anders voor de bedragen waarvan [gedaagde] stelt dat hij deze aan de gemachtigde Syncasso heeft betaald ten behoeve van het inlopen van de huurachterstand, waarvan hij een uitdraai van zijn bankrekening heeft overgelegd (productie 5 bij de conclusie van dupliek). Deze bedragen zijn alle opgenomen in de nadere specificatie van Havensteder, waarbij de kantonrechter opmerkt dat de drie betalingen die [gedaagde] op 21 oktober 2019 heeft gedaan - te weten van € 100,00, € 158,64 en € 400,00 - op de nadere specificatie van Havensteder staan vermeld als één betaling van € 658,64 op die datum.

Ook de betalingen van de lopende huur, die [gedaagde] iedere maand blijkens de door hem overgelegde uitdraai van zijn bankrekening (eveneens productie 5 bij de conclusie van dupliek) direct aan Havensteder voldoet, staan op de nadere specificatie vermeld.

4.1.4

De kantonrechter is van oordeel dat Havensteder voldoende heeft onderbouwd dat de huurachterstand op 1 juli 2020 nog € 1.240,27 bedroeg. Zij zal daarom dat bedrag aan achterstallige huur toewijzen.

4.2

Het uitgangspunt is dat ingevolge artikel 6:265 lid 1 BW iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van zijn verbintenissen, aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Bij de beoordeling of ontbinding naar de aard en betekenis van de tekortkoming gerechtvaardigd is, dient rekening gehouden te worden met alle omstandigheden van het geval, waaronder de omstandigheden die na de gestelde tekortkoming hebben plaatsgevonden (HR 22 augustus 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0673 en meer recent Hof Den Haag 29 november 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:3477).

4.3

Uit de vorige rechtsoverwegingen volgt dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de betalingsverplichtingen jegens Havensteder. De huurachterstand van drieënhalve maand ten tijde van de dagvaarding rechtvaardigt in beginsel de ontbinding van de huurovereenkomst. Nu [gedaagde] na dagvaarding structureel een bedrag is gaan betalen om de huurachterstand in te lopen en deze achterstand nu (ruim) minder dan drie maanden bedraagt, is sprake van een omstandigheid die leidt tot de conclusie dat ontbinding van de huurovereenkomst niet (langer) gerechtvaardigd is. De kantonrechter zal de ontbinding en de met die ontbinding verband houdende nevenvorderingen daarom afwijzen.

4.4

Aan het voorgaande kan niet afdoen dat Havensteder zich op het standpunt stelt dat [gedaagde] overlast veroorzaakt en dat deze overlast, in combinatie met de huurachterstand, ernstig genoeg is om de ontbinding van de huurovereenkomst te rechtvaardigen. [gedaagde] heeft de gestelde overlast immers betwist en Havensteder heeft haar stelling dat sprake is van overlast, nog daargelaten dat ze eerst na dagvaarding spreekt over overlast, niet uitgewerkt in haar repliek of akte, maar volstaan met meerdere producties in het geding te brengen zonder aan te geven wat ze met deze producties in concreto wil adstrueren. Het gaat niet aan dat een partij producties in het geding brengt zonder (specifiek) te omschrijven waarop die producties zien en tot welke conclusie dat volgens die partij moet leiden.

Dit betekent dat Havensteder op het punt van de door haar gestelde overlast niet aan haar stelplicht heeft voldaan, daarom niet aan bewijslevering wordt toegekomen, in rechte de gestelde overlast niet is komen vast te staan en niet mede als grondslag kan dienen voor de door Havensteder gevorderde ontbinding en ontruiming.

4.5

Havensteder maakt aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld aan de hand van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Havensteder, althans haar gemachtigde, heeft aan [gedaagde] op 17 september 2019 een aanmaning verzonden, die voldoet aan de in artikel 6:96 lid 6 BW gestelde eisen. Nu [gedaagde] hieromtrent geen verweer heeft gevoerd, zal van de ontvangst van deze aanmaning door [gedaagde] worden uitgegaan. Daarnaast staat vast dat [gedaagde] niet binnen de in de aanmaning gestelde termijn tot volledige betaling van de gevorderde hoofdsom is overgegaan. Het gevorderde bedrag van € 409,95 (inclusief BTW) aan vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten zal daarom worden toegewezen.

4.6

De gevorderde wettelijke rente zal als onweersproken en op de wet gegrond worden toegewezen over de hoofdsom zoals in het dictum staat vermeld.

4.7

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van Havensteder, tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 606,06 aan verschotten (€ 499,- aan griffierecht en € 101,06 aan dagvaardingskosten) en € 450,- aan salaris voor de gemachtigde van Woonstad (2,5 punten à € 180,00).

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan Havensteder te betalen € 1.240,27 aan achterstallige huur berekend tot en met de maand juli 2020 en vergoeding van buitengerechtelijke kosten van € 409,95, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over het saldo dat vanaf de dagvaarding aan hoofdsom, exclusief kosten, telkens, na elke debet- en credit mutatie heeft uitgestaan, tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Havensteder vastgesteld op € 606,06 aan verschotten en € 450,- aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44478