Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:7613

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-08-2020
Datum publicatie
31-08-2020
Zaaknummer
10/732021-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij een confrontatie tussen verdachte en een andere hondenbezitter, heeft zij die ander met een stuk glas in het gezicht gesneden, met flinke ontsierende en blijvende littekens tot gevolg. Bewezenverklaard is dat zij zich daardoor schuldig heeft gemaakt aan het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Zij is echter ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege een geslaagd beroep op noodweerexces.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/732021-19

Datum uitspraak: 27 augustus 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] te [woonplaats verdachte] ,

raadsvrouw mr. H. Yilmaz, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 14 januari 2020 en 13 augustus 2020.

De rechtbank heeft het onderzoek op 14 januari 2020 gesloten. Bij tussenvonnis van 28 januari 2020 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst. Op 13 augustus 2020 is het onderzoek hervat en (opnieuw) gesloten.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. E.M. Loppé heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit (zware mishandeling);

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met een proeftijd van 2 jaar.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de (poging tot) (zware) mishandeling.

Beoordeling

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat op 19 oktober 2018 een confrontatie heeft plaatsgevonden tussen de verdachte en de aangever, waarbij de verdachte op enig moment een stuk glas van de grond heeft gepakt. Verder staat vast dat die confrontatie heeft geleid tot een worsteling en dat de verdachte in die worsteling de aangever met dat stuk glas in zijn gezicht heeft geraakt. De aangever heeft daardoor twee forse scheurwonden van ongeveer 15-20 centimeter en 7 centimeter opgelopen, met als gevolg ontsierende en blijvende littekens in het gezicht. De rechtbank is van oordeel dat dit als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt.

De vraag is of de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van dat letsel. Door tijdens de worsteling op korte afstand, met opgeheven arm en op ongecontroleerde wijze met een stuk glas in de richting van de aangever te bewegen, heeft de verdachte de aanwezige aanmerkelijke kans dat zij hem op een dusdanige plek en wijze zou raken dat hij daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen, bewust aanvaard. Dit betekent dat sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel in het gezicht. Voor letsel aan het gebit van de aangever is geen bewijs. Daarvan wordt de verdachte vrijgesproken.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan op die wijze dat:

zij op 19 oktober 2018 te Rotterdam aan [naam aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten forse snijwonden in het gezicht en blijvende littekens in het gezicht, heeft toegebracht door die [naam aangever] met een stuk glas, in het gezicht te slaan ;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit en strafbaarheid van de verdachte

Het bewezen feit levert op:

zware mishandeling.

Door de verdediging is echter een beroep gedaan op noodweer dan wel noodweerexces. In dat verband wordt het volgende overwogen.

De rechtbank stelt voorop dat zij niet kan vaststellen hoe het incident nu precies is verlopen. De verklaringen van de aangever en de verdachte verschillen op belangrijke punten en er zijn geen getuigenverklaringen of andere bewijsmiddelen die in het bijzonder de lezing van één van beiden ondersteunt. Wel wordt vastgesteld dat de door de verdachte gegeven lezing, waarop zij haar verweer baseert, niet door objectieve feiten of omstandigheden wordt uitgesloten. Zo kan het bij haar geconstateerde letsel (een bloeduitstorting boven het linkeroog en blauwe plekken op het voorhoofd) passen bij haar verklaring dat zij meerdere keren is geslagen. Een en ander brengt de rechtbank ertoe om bij de beoordeling van het verweer uit te gaan van de de door de verdachte gegeven lezing van de gebeurtenissen op 19 oktober 2018.

noodweer

Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat sprake is geweest van een noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding gericht tegen eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed. In dit geval dient aannemelijk te worden dat het door de verdachte snijden met een stuk glas in het gezicht van de aangever noodzakelijk en geboden was om zichzelf te verdedigen. Bij die afweging moeten de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit worden meegewogen.

De eerste vraag is of sprake is geweest van een noodweersituatie. De gedragingen van de aangever, zoals deze volgen uit de verklaring van de verdachte, namelijk het al scheldend en vloekend opzoeken van de verdere confrontatie met de verdachte terwijl zij al wegliep en het meerdere keren slaan in haar gezicht, kunnen zonder twijfel worden gekwalificeerd als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Het is in deze context dat de verdachte een stuk glas van de grond heeft gepakt en het vervolgens heeft gebruikt om zich te verdedigen.

De volgende vraag is of die wijze van verdedigen, voldoet aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. De ontstane dreigende situatie en de agressie die zich tegen haar richtte, maakte dat de verdediging noodzakelijk was en dat van haar geen ander, minder ingrijpend verdedigingsmiddel had kunnen of mogen worden verwacht. Aan de eis van subsidiariteit is daarmee voldaan. De rechtbank acht echter de wijze waarop de verdachte het gekozen verdedigingsmiddel – het stuk glas – daarna heeft gehanteerd, niet in redelijke verhouding staan tot het voor de verdachte te vrezen gevaar. Zij is met haar verdediging verder gegaan dan geboden. Daarmee heeft de verdachte de grenzen van een noodzakelijke verdediging overschreden. Aan de eis van proportionaliteit is dan ook niet voldaan, zodat het beroep op noodweer wordt verworpen.

noodweerexces

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank toe aan de vraag of die overschrijding van de noodzakelijke verdediging het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt. Het is voorstelbaar dat het voor de verdachte onverwachte, agressieve en gewelddadige gedrag van de aangever bij haar een dergelijke gemoedsbeweging heeft veroorzaakt, zeker haar psychische toestand in aanmerking genomen. Gebleken is namelijk dat zij al geruime tijd last heeft van angstklachten en spanningsgevoeligheid. De rechtbank acht het daarom aannemelijk dat de aanranding door de aangever een zodanig hevige gemoedsbeweging bij de verdachte heeft teweeggebracht dat zij daardoor de grenzen van de noodzakelijke verdediging in dit specifieke geval heeft overschreden. Dit betekent dat het beroep op noodweerexces slaagt. De verdachte is dus niet strafbaar en zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

6. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

[naam benadeelde] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd ter zake van de ten gelegde feiten. De benadeelde partij vordert een vergoeding voor materiële en immateriële schade.

De rechtbank zal de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaren, omdat aan de verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht ook niet zal worden toegepast.

Omdat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering, zal de hij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten worden begroot op nihil.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op artikel 302 van het Wetboek van Strafrecht.

8. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

9. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte ten aanzien daarvan van alle rechtsvervolging;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde] niet-ontvankelijk in zijn vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. V.F. Milders, voorzitter,

en mrs. M.J.M. van Beckhoven en M.R.J. Schönfeld, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.M.M. van den Hoek, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 19 oktober 2018 te Rotterdam aan [naam aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een tand en/of kies (af)gebroken en/of (geheel) eruit en/of (een) forse steekwond(en) en/of snijwond(en) in het gezicht en/of blijvende littekens in het gezicht, heeft toegebracht door die [naam aangever] met een stuk glas, althans een scherp voorwerp, in het gezicht, althans tegen het hoofd, te slaan en/of steken en/of snijden;

subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 19 oktober 2018 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [naam aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet genoemde [naam aangever] (met) een - al dan niet stukgeslagen - glas, althans een scherp voorwerp meermalen, althans eenmaal, met in het gezicht en/of tegen het hoofd heeft gesneden en/of gestoken en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 19 oktober 2018 te Rotterdam [naam aangever] heeft mishandeld door die [naam aangever] , meermalen, althans eenmaal, met een - al dan niet stukgeslagen - glas, althans scherp voorwerp, in het gezicht en/of tegen het hoofd heeft geslagen en/of gestoken en/of gesneden, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een tand en/of kies (af)gebroken en/of (geheel) eruit en/of (een) forse steekwond(en) en/of (een) snijwond(en) in het gezicht en/of blijvende littekens in het gezicht, ten gevolge heeft gehad.