Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:7550

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-08-2020
Datum publicatie
31-08-2020
Zaaknummer
8139715
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

art 6:265, 6:271, 3:35 BW. Geen ongedaanmakingsverplichting zonder ontbinding overeenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8139715 CV EXPL 19-47287

uitspraak: 28 augustus 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser bij exploot van dagvaarding van 21 oktober 2019,

gemachtigde: [gemachtigde] (DAS Rechtsbijstand te Rijswijk),

tegen

[gedaagde]

handelend onder de naam [handelsnaam],

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. M. Ҫakar te Amsterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [eiser] ” respectievelijk “ [bedrijf 1] ”.

1. Het verdere verloop van de procedure

Het verdere verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het (tussen)vonnis van 27 maart 2020 in het incident en in de hoofdzaak en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

  • -

    de conclusie van repliek;

  • -

    de conclusie van dupliek.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis nader bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten.

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weerspoken, alsmede op grond van de in zoverre niet weersproken inhoud van de producties, staat tussen partijen, voor zover thans van belang, het volgende vast:

2.1

Bij e-mails van 13 april en 14 april 2018 verzonden via het e-mailadres “ [e-mailadres 1] ”, zijn aan [eiser] offertes toegestuurd voor een dakkapel. Onder aan deze e-mails is steeds vermeld:

“(…)

[naam] ,

vertegenwoordiger,

mobiel: [telefoonnummer]

[bedrijf 1]

[adres bedrijf 1]

tel: [telefoonnummer bedrijf]

[website]

[bedrijf 1]

[website] .

Welkom op de website van [bedrijf 1] ! HOGE KWALITEIT MAAR TOCH BETAALBAAR [bedrijf 1] is specialist op het gebied van kunststof kozijnen. Wij leveren en monteren kunststof kozijnen, ramen, voordeuren, kunststof dakkapellen, schuifpuien en kunststof gevelbekleding aan bedrijven en particulieren.”

2.2

Een ongedateerd en niet ondertekend stuk vermeldt –voor zover thans van belang- het volgende:

als logo: “ [bedrijf 1] ”.

in de kop:

“OPDRACHTBEVESTIGING”

“ [bedrijf 1]

[postbusnummer]

K.vKnr: [kvknummer 1]

Telefoonnr. [telefoonnummer] Btwnr: [btwnummer]

Faxnr: [faxnummer] Betalingen via [bedrijf 2] betaalprovider

Bankrek: [bankrekeningnummer]

[e-mailadres 2] [website]

en in het lichaam

“(…)

Betreft: offerte voor levering en monteren van een dakkapel

(…)

Hartelijk dank voor de interesse in ons bedrijf. [bedrijf 1] is en gerenommeerd bedrijf. Wij onderscheiden ons door niet alleen dakkapellen te leveren maar ook zelf te produceren, hierdoor kunnen wij U door heel Nederland een zeer aantrekkelijke offerte aanbieden met een gezonde Prijs/Kwaliteit verhouding.

(…)

Wij hebben naar aanleiding van uw aanvraag de volgende geheel vrijblijvende offerte voor u kunnen maken.

(…)

[bedrijf 1] ”.

Van de volgende twee pagina’s, die in de kop hetzelfde logo hebben, vermeldt pagina 2 in de kop “OFFERTE” en verder, voor zover thans van belang:

“verkoper offertenummer aanvrager verzonden via

[naam] [offertenummer] Email

(…)

Totaalprijs (…) incl. 21% BTW materialen en 21% arbeidsloon € 6.430,00

(…)

en pagina 3, voor zover thans van belang:

Geldigheidsduur:

Deze offerte is tot 2 maanden na offerte datum geldig,

(…)

Wij vertrouwen erop u een passende aanbieding te hebben gedaan en zien uw berichten met belangstelling tegemoet.

Met vriendelijke groet, (…)

[naam]

[bedrijf 1]

(…)”

2.3

Bij e-mail van 13 mei 2018 schrijft [eiser] aan het e-mail adres [e-mailadres 1]

“(…) Goede morgen [naam] ,

Graag wil ik door jullie de dakkapel laten plaatsen.

(…)”

2.4

Een e-mailbericht aan [eiser] op 18 mei 2018 11:52 verzonden van het adres [e-mailadres 3] [bedrijf 2] < [e-mailadres 4] > met als onderwerp: “Factuur [factuurnummer] van [bedrijf 2] ” vermeldt voor zover relevant het volgende:

“(…)

Voor [bedrijf 1] verzorgen wij de facturatie.

In de bijlage kunt u factuur [factuurnummer] vinden. Wij verzoeken u vriendelijk de aanbetaling voor uw dakkapel voor 21 mei 2018 te voldoen.

(…)

[bedrijf 2]

Administratie

Factuur [factuurnummer]

Afzender: [bedrijf 2] ([e-mailadres 4])

(…)”

Als bijlage bij de e-mail is gevoegd factuur [factuurnummer] die, voor zover van belang vermeldt

- in de kop:

[bedrijf 2]

[adres bedrijf 2]

[e-mailadres 4]

[telefoonnummer]

KvK: [kvknummer 2]

(…)

Bank: [bankrekeningnummer] (…)

- in de omschrijving:

“ 1x Opdracht [bedrijf 1] € 7.500,00 (…)

Dakkapel volgens opdracht bevestiging [offertenummer] (…)

1x Aanbetaling 40% € 3.000,- (…)“.

2.5

Bij brief van 18 februari 2019 heeft de gemachtigde van [eiser] aan [bedrijf 1] voor zover thans van belang het volgende geschreven:

“(…)

Voorval

Mijn cliënt heeft medio mei 2018 een overeenkomst met u gesloten voor de levering en installatie van een dakkapel. Overeengekomen is een bedrag van € 6.430,-. Medio mei 2018 heeft u mijn cliënt een offerte gestuurd. Op 14 mei 2018 heeft mijn cliënt zijn akkoord gegeven op de offerte waarna hij op 30 mei 2018 een bedrag van € 3.000,- aan u overgemaakt.

(…)

Vordering

Ik verzoek u vriendelijk om binnen 15 dagen na ontvangst van deze brief te bevestigen dat u gevolg zult geven aan de tussen partijen overeengekomen afspraken. Indien u hieraan geen gehoor geeft verkeert u in verzuim en zal cliënt de overeenkomst ontbinden en zijn aanbetaling ad € 3.000,- terugvorderen. (…)”

3. De vordering in de hoofdzaak

3.1

[eiser] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [bedrijf 1] te veroordelen aan hem te betalen € 3.000,00 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 maart 2018, alsmede € 425,00 aan buitengerechtelijke kosten, met de wettelijke rente over de proceskosten zoals in de dagvaarding omschreven.

3.2

Aan zijn vordering heeft [eiser] , naast de vaststaande feiten - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag gelegd:

3.2.1

Medio juli 2018 hebben partijen een overeenkomst gesloten voor de levering en installatie van een dakkapel voor een totaalbedrag van € 6.430,00 conform de specificaties vermeld in de hiervoor onder 2.2. bedoelde opdrachtbevestiging. [eiser] heeft op dit totaalbedrag op 30 mei 2018 een aanbetaling van € 3.000,00 voldaan op het bankrekeningnummer [bankrekeningnummer] .

3.2.2

[bedrijf 1] is de overeenkomst tussen partijen niet nagekomen en heeft evenmin het reeds betaalde bedrag terug betaald aan [eiser] .

4. Het verweer in de hoofdzaak

4.1

[bedrijf 1] heeft geconcludeerd [eiser] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, dan wel deze af te wijzen met zijn veroordeling in de proceskosten, inclusief de nakosten, met rente over de proceskosten.

4.2

Daartoe heeft [bedrijf 1] – verkort en zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd:

4.2.1.

[bedrijf 1] betwist met [eiser] een overeenkomst tot het leveren en plaatsen van een dakkapel te hebben gesloten en een bedrag van € 3.000,00 van hem te hebben ontvangen.

4.2.2

De opdrachtbevestiging (hiervoor onder 2.2) waarop [eiser] zich beroept is geen opdrachtbevestiging, maar een vervalste en niet ondertekende offerte, waarop [naam] ten onrechte en buiten medeweten van [bedrijf 1] het oude logo van [bedrijf 1] heeft gebruikt en bovendien gegevens heeft toegevoegd die niet op [bedrijf 1] betrekking hebben. Zo bankiert [bedrijf 1] niet bij de ING bank maar bij ABN AMRO bank en is [bedrijf 2] haar onbekend. [bedrijf 1] heeft op 11 maart 2019 bij de politie jegens [naam] aangifte van identiteitsfraude gedaan.

5. De beoordeling in de hoofdzaak

5.1

[eiser] vordert in deze procedure van [bedrijf 1] betaling van een bedrag van
€ 3.000,00. Uit de dagvaarding onder punt 10 in samenhang gelezen met de opsomming van wetsartikelen, waaronder artikel 6:265 en 6:271 BW onder punt 13 met het kopje “grondslag” begrijpt de kantonrechter dat hij zijn vordering baseert op een tekortkoming van [bedrijf 1] in de nakoming van de overeenkomst die [eiser] stelt met [bedrijf 1] te hebben gesloten, op grond waarvan de overeenkomst vatbaar is voor ontbinding en een ongedaanmakingsverplichting ontstaat.

5.2

Indien er al van uit gegaan zou moeten worden dat er tussen [bedrijf 1] en [eiser] een overeenkomst tot stand komen is, zoals door [eiser] is gesteld, maar door [bedrijf 1] is betwist, is de vordering toch niet toewijsbaar. De kantonrechter overweegt daartoe het volgende.

5.3

In de onderhavige procedure heeft [eiser] geen rechterlijke uitspraak gevorderd waarbij de ontbinding van de gestelde overeenkomst met [bedrijf 1] wordt uitgesproken. Evenmin heeft hij gesteld en is anderszins gebleken dat hij de overeenkomst met een tot [bedrijf 1] gerichte schriftelijke verklaring buitengerechtelijk heeft ontbonden. De brief van 18 februari 2019 (hiervoor onder 2.5) van zijn gemachtigde kan niet als zodanig worden aangemerkt. Deze brief houdt niet meer in dan een aankondiging dat ontbinding zal volgen wanneer [bedrijf 1] geen gevolg geeft aan de aanmaning de afspraken na te komen. Een en ander betekent dat de ongedaanmakingsverplichting als rechtsgevolg van de ontbinding in de vorm van terugbetaling van het door [eiser] betaalde bedrag van
€ 3.000,00 -indien al zou komen vast te staan dat dit bedrag is betaald aan [bedrijf 1] - (nog) niet aan de orde is. Bij gebreke van een deugdelijke grondslag dient de vordering tot betaling van € 3.000,00 al om deze reden afgewezen te worden. De nevenvorderingen volgen het lot van de hoofdvordering en zullen eveneens worden afgewezen.

5.4

Ook in het geval hetgeen hiervoor is overwogen geen beletsel zou zijn, zou de vordering jegens [bedrijf 1] evenmin toewijsbaar zijn. [eiser] heeft er immers niet gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat hij met [bedrijf 1] contracteerde. [eiser] heeft weliswaar aangevoerd dat hij via de site van [bedrijf 1] een offerte heeft opgevraagd, waarna hij via de e-mail is benaderd door [naam] op een e-mailadres van [bedrijf 1] , maar heeft dit (a) niet met bewijsstukken onderbouwd, laat staan dat hij (b) onderbouwd heeft gesteld dat hij zich heeft vergewist dat dit alles daadwerkelijk [bedrijf 1] betrof/ afkomstig was van [bedrijf 1] .

5.5

Hetgeen partijen voor het overige nog hebben aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel en behoeft daarom geen bespreking en beslissing.

5.6

[eiser] is de partij die ongelijk krijg en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [bedrijf 1] begroot € 420,00 aan salaris voor de gemachtigde.

6. De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering van [eiser] af;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten tot aan deze uitspraak aan de zijde van [bedrijf 1] vastgesteld op € 420,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis voor zover het de proceskostenveroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

898/362