Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:7536

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-06-2020
Datum publicatie
27-08-2020
Zaaknummer
8493010 VV EXPL 20-27
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Loonvordering. Loonbetaling ten onrechte stop gezet. Zie ook ECLI:NL:RBROT:2020:7526

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-1036
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8493010 VV EXPL 20-27

uitspraak: 24 juni 2020

vonnis in kort geding van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht,

in de zaak van:

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats eiseres] ,

eiseres,

gemachtigde: mr. L. van Luipen,

tegen:

[gedaagde]

,

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. G.M. van den Bergh.

Partijen worden hierna aangeduid als [eiseres] en [gedaagde] .

Verloop van de procedure

De kantonrechter wijst vonnis op de volgende processtukken:

1. de dagvaarding van 7 mei 2020 met producties;

2. de conclusie van antwoord met producties;

3. de aanvullende producties van de zijde van [eiseres] ;

4. de aantekening van de griffier dat de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden via een digitale verbinding met het programma Skype voor bedrijven op 10 juni 2020;

5. de pleitnotities van mr. Van Luipen.

Omschrijving van het geschil

De feiten

1. [eiseres] is op 1 juli 2016 bij [gedaagde] in dienst getreden in de functie van receptioniste. Sinds 1 juli 2018 is sprake van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Haar salaris bedraagt € 1.705,27 bruto per maand exclusief emolumenten op basis van een arbeidsduur van 38 uur per week.

2. [eiseres] heeft zich op 2 september 2019 ziek gemeld.

3. Bij aangetekende brief van 3 september 2019 heeft [gedaagde] het volgende aan [eiseres] bericht:

‘Ik heb telefonisch contact met u gezocht in verband met u ziekmelding (…) Wij hebben afgesproken dat u u rust neemt om het herstel te bevorderen en dat wij afwachten wat er uit komt bij de orthopeed, en u houd mij wekelijks op de hoogte van u herstel!

Daarna zullen wij kijken of een bezoek aan de bedrijfsarts noodzakelijk is en of u aangepast werk kan gaan doen.’

4. Bij aangetekende brief van 5 oktober 2019 heeft [gedaagde] het volgende aan [eiseres] bericht:

‘(…) Zoals afgesproken in mijn aangetekende brief van 6 september dient u mij persoonlijk wekelijks, via telefonisch contact, op de hoogte te houden van u herstel! (…) Hiermee bent u dan ook in gebreken en komt u de gemaakte afspraak niet na. (…) Woensdag 2 oktober omstreeks 11.45 uur ben ik bij uw woning (…) geweest voor een bezoek. Helaas was u niet aanwezig en weet ik tot op heden niet waar u zich verblijft. Verder komt u de afspraak nogmaals niet na dat u met mij telefonisch contact op moet nemen, omdat u zich op vrijdag

4 oktober voor een persoonlijk gesprek moest melden en u via whatsapp en de mail heeft afgezegd. (…) Ik (…) schort dan ook u salaris vanaf 2 oktober op en wacht tot u in de gelegenheid bent om een afspraak met mij persoonlijk te maken voor een gesprek.’

5. Bij aangetekende brief van 15 oktober 2019 heeft [gedaagde] het volgende aan [eiseres] bericht:

‘(…) Tot op heden heb ik van u nog geen enkele reactie mogen ontvangen! Nog steeds weet ik niet waar u zich verblijft of ophoud! (…) Nogmaals verzoek ik u om met mij persoonlijk contact op te nemen.’

6. [eiseres] heeft op 11 november 2019 de bedrijfsarts bezocht. In het verslag van dit bezoek is onder andere het volgende opgenomen:

‘Arbeidsgeschiktheid: medewerkster ondervindt klachten en beperkingen als gevolg van ziekte. Hiermee is zij ongeschikt voor het eigen werk in volle omvang. Vanaf 13-11-2019 zijn benutbare restcapaciteiten aanwezig voor halve dagen overwegend zittende werkzaamheden (…)’

7. [eiseres] heeft op 5 december 2019 de bedrijfsarts opnieuw bezocht. In het verslag van dit bezoek is onder andere het volgende opgenomen:

‘Arbeidsgeschiktheid: medewerkster is om medische redenen ongeschikt voor het eigen werk. Verder ondervindt zij toegenomen klachten en beperkingen als gevolg van een zeer gespannen arbeidsrelatie. Ik adviseer hiervoor eerst een oplossing te vinden middels een probleemoplossende interventie met een onafhankelijke derde, zoals de casemanager van de arbodienst, alvorens duurzame re-integratie activiteiten kunnen worden ondernomen.’

8. Op 17 december 2019 heeft het gesprek plaatsgevonden met de casemanager van de arbodienst. In het verslag is het volgende opgenomen:

‘(…) Omwille van deze gespannen arbeidsrelatie is er stagnatie in zowel herstel als re-integratie. (…)

Waar beide partijen het wel over eens zijn:

Voor het verzuim was de arbeidsrelatie goed.

Werknemer functioneerde naar tevredenheid.

Doel is om het werk weer duurzaam te kunnen hervatten zonder spanningen die nog langer in de weg staan.

Advies van de bedrijfsarts is 50% werkhervatting nadat er oplossingen zijn.

Casemanager heeft voorgesteld te starten met 2 x 2 uur in plaats van 5 x 4 uur. (…) Reden van het voorstel is om te kijken of partijen in een ongedwongen werksetting weer nader tot elkaar kunnen komen. (…)’

9. Op 7 januari 2020 heeft [eiseres] zich bij [gedaagde] gemeld voor de werkhervatting van 2 x 2 uur per week. Zij heeft na ongeveer drie kwartier bericht dat het niet ging, waarna zij is vertrokken.

10. Bij brief van 9 januari 2020 heeft de gemachtigde van [gedaagde] het volgende aan (de rechtsbijstandsverzekeraar van) [eiseres] bericht:

‘(…)

Gedurende de tijd dat uw cliënte zonder deugdelijke grond passende arbeid weigert te verrichten, heeft zij geen recht op loon. Dat recht op loon heeft uw cliënte evenmin zolang als zij weigert mee te werken aan de totstandkoming van een plan van aanpak. Ik verwijs naar artikel 7:629 lid 3 onder c en e BW. Met het oog daarop geeft cliënte uw cliënte de volgende waarschuwing.

Van uw cliënte wordt verwacht dat zij op maandag 13 januari 2020 om 9.00 uur haar werkzaamheden in het kader van de re-integratie hervat en dat zij op dat moment ook haar medewerking zal verlenen aan de totstandkoming van het vereiste plan van aanpak. Verschijnt uw cliënte op voormelde datum en tijd niet op het bedrijf van mijn cliënte, dan wordt de betaling van het loon gestaakt gedurende de periode dat zij de passende arbeid niet verricht en/of niet wordt meegewerkt.

(…)’

11. [gedaagde] heeft de loondoorbetaling per 13 januari 2020 stopgezet.

12. [eiseres] heeft op 21 januari 2020 de bedrijfsarts opnieuw bezocht. In het verslag van dit bezoek is onder andere het volgende opgenomen:

‘Medewerkster ondervindt werkgerelateerde klachten als gevolg van een verstoorde arbeidsverhouding. Hiervan ondervindt zij toegenomen klachten en beperkingen. De reeds ingezette probleem oplossend interventie heeft eerder tot een verdere escalatie dan tot een oplossing geleid. Ik adviseer derhalve conform de NVAB richtlijn arbeidsconflicten een mediation traject in te zetten alvorens re-integratie activiteiten bij de eigen werkgever mogelijk worden. (…)’

13. In het arbeidsdeskundig rapport van het UWV van 26 maart 2020 is onder andere het volgende opgenomen:

‘(…)

Werknemer doet niet genoeg om weer aan het werk te gaan.

Werknemer was echter niet in staat om op 13 januari 2020 2 x 2 uur te re-integreren vanwege toegenomen beperkingen.

(…)

Het opstellen van een Plan van Aanpak verloopt eveneens moeizaam. Het opgestelde Plan van Aanpak van 7 januari 2020 is niet ondertekend door werknemer (ook niet voor gezien) terwijl werknemer op dat moment op de werkplek verbleef en in de gelegenheid was om dit te doen. Werknemer stelt zelf een Plan van Aanpak op na 21 januari 2020 waarin verslag gedaan wordt van de gebeurtenissen tot dan toe. Hiervoor is een Plan van Aanpak echter niet bedoeld. Werknemer verwijt werkgever dat hij onvoldoende initiatief neemt om tot een Plan van Aanpak te komen (…). Werknemer had hierin mijns inziens echter ook pro-actiever kunnen zijn. (…)’

14. [eiseres] heeft op 31 maart 2020 de bedrijfsarts nog bezocht. In het verslag van dit bezoek is onder andere het volgende opgenomen:

‘Medewerkster is een combinatie van medische en niet medische factoren ongeschikt voor het eigen werk. (…)’

De vordering

15. [eiseres] vordert veroordeling van [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

- tot betaling binnen 14 dagen na de datum van het vonnis van:

A. een bedrag van € 6.480,02 bruto ter zake van salaris over de periode van 13 januari 2020 tot en met april 2020 (onder aftrek van het in januari 2020 ontvangen bedrag van € 636,49 netto);

B. de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, conform de wet gemaximeerd op 50%, over het hierboven onder A genoemde bedrag;

C. de wettelijke rente over de hierboven onder A en B weergegeven vorderingen, vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag van algehele voldoening;

D. de buitengerechtelijke incassokosten van € 699,--;

  • -

    om aan [eiseres] binnen 14 dagen na voldoening van de onder A weergegeven vordering een deugdelijke specificatie en bruto/netto berekening van het betreffende bedrag te verstrekken;

  • -

    om vanaf april 2020 conform de cao 90% van het reguliere salaris door te betalen tijdens ziekte, zijnde een bedrag van € 1.534,74 bruto per maand (althans, eveneens conform de cao, 100% over de periode dat [eiseres] aangepast werk of werk op arbeidstherapeutische basis verricht, zijnde een bedrag van € 1.705,27 bruto);

  • -

    tot betaling van de proceskosten.

16. [eiseres] stelt daartoe – samengevat – het volgende.

Zij heeft de heer [gedaagde] (hierna: [gedaagde] ) naar aanleiding van haar ziekmelding diverse keren telefonisch gesproken over haar medische situatie. Op 2 oktober 2019 heeft

[gedaagde] haar huisadres bezocht, terwijl hij wist dat [eiseres] bij haar moeder verbleef in verband met renovatiewerkzaamheden aan het complex waar [eiseres] woont.

[eiseres] heeft op 11 november 2019 de bedrijfsarts bezocht. Deze heeft geadviseerd te starten met werkhervatting voor 5 x 4 uur. Dat is niet gelukt. [gedaagde] heeft een loonsanctie opgelegd, die later is teruggedraaid. Het een en ander heeft tot spanningen geleid, ook omdat [eiseres] inmiddels drie aangetekende brieven van [gedaagde] had ontvangen. De bedrijfsarts heeft op 5 december 2019 een interventie geadviseerd onder leiding van de casemanager van de arbodienst. Die interventie heeft plaatsgevonden op 17 december 2019 en daarbij is afgesproken dat partijen zouden proberen voor 2 x 2 uur per week nader tot elkaar te komen. [eiseres] heeft zich op 7 januari 2020 gemeld op het werk, maar het viel zodanig tegen dat zij binnen een uur is gestopt en naar huis is gegaan. [gedaagde] heeft vervolgens een loonsanctie aangekondigd voor het geval [eiseres] op 13 januari 2020 niet op het werk zou verschijnen en zij niet zou meewerken aan het opstellen van een plan van aanpak. Zij heeft daarop gereageerd met te stellen dat zij wel wil meewerken aan het opstellen van een plan van aanpak, maar dat zij ziek is en daarom niet kan re-integreren. Zij heeft voorgesteld de afspraak bij de bedrijfsarts op

21 januari 2020 af te wachten, maar [gedaagde] heeft desondanks het loon stopgezet per

13 januari 2020. Op 21 januari 2020 heeft de bedrijfsarts geoordeeld dat de medische beperkingen waren toegenomen en dat re-integratie niet mogelijk was. Hieruit blijkt dat [eiseres] op 13 januari 2020 niet in staat was de passende arbeid te verrichten en dat de loonsanctie dus onterecht is opgelegd. Als dat al wel zo zou zijn, had die loonsanctie in ieder geval per 21 januari 2020 weer moeten worden beëindigd. Op 29 januari 2020 heeft [eiseres] het door haar aangevulde en ondertekende plan van aanpak geretourneerd. Bij brief van

3 februari 2020 heeft [gedaagde] bericht dat zij het oordeel van de bedrijfsarts van 21 januari 2020 naast zich neer legt, onder andere omdat [eiseres] zelf het initiatief voor die afspraak heeft genomen, en dat de loonsanctie wordt gehandhaafd. [eiseres] heeft op 27 februari 2020 een deskundigenoordeel aangevraagd bij het UWV. Op 26 maart 2020 is dat oordeel gegeven, waarbij ook de verzekeringsarts heeft geoordeeld dat [eiseres] op 13 januari 2020 niet in staat was het aangeboden werk te verrichten. De loonsanctie is dus ten onrechte opgelegd en voortgezet. Er is weliswaar ook geoordeeld dat [eiseres] in de periode van 2 september 2019 tot 27 februari 2020 onvoldoende heeft gedaan om haar werk te hervatten, maar dat oordeel is onjuist en bovendien niet relevant voor de beoordeling van de loonsanctie. Die loonsanctie is immers opgelegd omdat [eiseres] met ingang van 13 januari 2020 het aangeboden werk van 2 x 2 uur per week moest verrichten en duidelijk is dat zij daartoe niet in staat was. Op 31 maart 2020 heeft de bedrijfsarts nog geoordeeld dat de situatie onveranderd was en dat partijen er goed aan deden om met behulp van hun gemachtigden tot een oplossing te komen. Dat is niet gelukt. [eiseres] vordert thans betaling van haar loon vanaf 13 januari 2020.

Het verweer

17. [gedaagde] heeft – samengevat – als verweer het volgende aangevoerd.

[eiseres] heeft geweigerd passende arbeid te verrichten, terwijl zij daartoe wel in staat was. [gedaagde] was dan ook gerechtigd op 13 januari 2020 het loon te staken op grond van artikel 7:629 lid 3 sub c BW. Daarnaast heeft [eiseres] geweigerd mee te werken aan de totstandkoming van een plan van aanpak, zodat ook op grond van artikel 7:629 lid 3 sub e BW [gedaagde] gerechtigd was het loon te staken.

[gedaagde] heeft [eiseres] op 3 september 2019 gebeld en gesproken naar aanleiding van haar ziekmelding, maar in de weken daarna heeft [eiseres] niets meer van zich laten horen.

[gedaagde] heeft meermaals tevergeefs geprobeerd haar te bellen en is vier keer langs haar huis gegaan, maar daar was zij telkens niet. [gedaagde] was er niet van op de hoogte dat [eiseres] elders verbleef. Uiteindelijk hebben partijen elkaar pas op 25 oktober 2019 gesproken. De bedrijfsarts is ingeschakeld en deze heeft op 11 november 2019 geadviseerd dat vanaf

13 november 2019 kon worden gere-integreerd. [gedaagde] heeft gezorgd voor een aangepaste werkplek en vervoer voor [eiseres] , maar desondanks is zij niet komen re-integreren. Bij het geadviseerde gesprek met de casemanager is vervolgens afgesproken dat vertraagd zal worden gere-integreerd door te starten met 2 x 2 uur per week. Op 7 januari 2020 heeft [eiseres] zich daartoe bij [gedaagde] gemeld, maar na 45 minuten gaf zij aan dat het niet ging. [gedaagde] heeft gevraagd of zij nog wilde blijven om het plan van aanpak in te vullen, maar daarop reageerde [eiseres] afwijzend waarna zij is vertrokken. Op 13 januari 2020 is het ingevulde plan van aanpak naar [eiseres] gestuurd, met het verzoek dit in te vullen. Op 29 januari 2020 heeft zij dit retour gezonden, echter zonder constructieve afspraken, maar met slechts een eenzijdig relaas over de gebeurtenissen tot dat moment.

[eiseres] heeft op eigen initiatief de bedrijfsarts weer bezocht op 21 januari 2020. [gedaagde] meent dat [eiseres] erop uit was om haar verzuim te verlengen. [gedaagde] is het niet eens met het oordeel van de bedrijfsarts. Er is geen sprake van een verstoorde arbeidsverhouding die is verergerd. [gedaagde] is ook niet door de bedrijfsarts geraadpleegd. [gedaagde] begint te twijfelen aan de arbeidsongeschiktheid van [eiseres] . De lift in het complex waar [eiseres] verblijft, zou kapot zijn en [eiseres] is verschillende keren lopend gezien. Daarnaast heeft zij verschillende redenen gegeven voor haar vertrek op 7 januari 2020; enerzijds de knieklachten en anderzijds een verdere escalatie van een arbeidsconflict, terwijl er toen geheel geen sprake was van een escalatie.

[gedaagde] is het ook niet eens met het oordeel van de verzekeringsarts van 26 maart 2020. [eiseres] kan zich niet beroepen op een conflict dat zij zelf veroorzaakt heeft.

Beoordeling van het geschil

18. [eiseres] heeft een spoedeisend belang, gelet op de aard van de ingestelde

vordering.

19. De vraag die in het kader van dit kort geding beantwoord moet worden, is of het al dan niet aannemelijk is dat de bodemrechter in een eventuele bodemprocedure tot het oordeel zal komen dat [gedaagde] ten onrechte de loonbetaling heeft stopgezet en dat de loonvordering van [eiseres] derhalve moet worden toegewezen.

20. Daartoe moet worden beoordeeld of is voldaan aan één van de twee door [gedaagde] genoemde gronden voor de loonsanctie. [gedaagde] mocht slechts overgaan tot het stopzetten van de loonbetaling indien [eiseres] – kort gezegd – zonder deugdelijke grond heeft geweigerd passende arbeid te verrichten hoewel zij daartoe in staat was (artikel 7:629 lid 3 aanhef en sub c BW) of indien zij heeft geweigerd mee te werken aan het opstellen van een plan van aanpak (artikel 7:629 lid 3 aanhef en sub e BW).

Voor zover [eiseres] meent dat de e-grond niet is gehandhaafd, wordt zij niet gevolgd in dat standpunt. Naar aanleiding van de aankondiging van de loonsanctie bij brief van 9 januari 2020 is niet gebleken dat [gedaagde] die grondslag niet heeft gehandhaafd of heeft ingetrokken. Dat volgt naar het oordeel van de kantonrechter ook niet uit productie 6 bij dagvaarding, waarnaar door de gemachtigde van [eiseres] is verwezen. [gedaagde] heeft ter zitting ook bevestigd dat die grondslag van toepassing is gebleven. Beide grondslagen worden hierna dan ook besproken.

21. Naar het oordeel van de kantonrechter is niet aannemelijk dat de rechter in een eventuele bodemprocedure zal oordelen dat [eiseres] heeft geweigerd passende arbeid te verrichten terwijl zij daartoe wel in staat was (artikel 7:629 lid 3 aanhef en sub c BW). De verzekeringsarts van het UWV heeft op 26 maart 2020 immers uitdrukkelijk geoordeeld dat [eiseres] op 13 januari 2020 niet in staat was de werkzaamheden te verrichten. Ook de bedrijfsarts heeft op 21 januari 2020 geconstateerd dat re-integratie niet mogelijk was, althans dat dat pas mogelijk werd na een mediation-traject, gelet op de toegenomen klachten en beperkingen en de verdere escalatie. Op 31 maart 2020 heeft de bedrijfsarts geoordeeld dat [eiseres] niet geschikt was voor haar eigen werk.

Of een werknemer in staat is passende arbeid te verrichten is een (overwegend) medisch oordeel dat de kantonrechter – evenals de werkgever – niet kan geven en er moet dan ook afgegaan worden op de deskundigheid van de betrokken verzekerings- en bedrijfsartsen. [gedaagde] heeft uitgebreid gemotiveerd waarom zij het met de gegeven oordelen niet eens is. In het kader van dit kort geding wordt evenwel beslist op basis van de thans aanwezige stukken. Dat [eiseres] zelf het initiatief heeft genomen tot één of meerdere afspraken met de bedrijfs- of verzekeringsarts wordt niet van belang geacht. Voor zover [gedaagde] het met de oordelen van de artsen niet eens was, had het op haar weg gelegen om bijvoorbeeld een second opinion aan te vragen of bezwaar te maken. Dat heeft zij niet gedaan. Gelet op voornoemde rapportages wordt het er daarom voor gehouden dat [eiseres] op 13 januari 2020 niet in staat was de passende arbeid te verrichten, zodat [gedaagde] ten onrechte op die grond een loonsanctie heeft opgelegd.

22. Naar het oordeel van de kantonrechter is evenmin aannemelijk dat de rechter in een eventuele bodemprocedure zal oordelen dat [eiseres] heeft geweigerd mee te werken aan het opstellen van een plan van aanpak (artikel 7:629 lid 3 sub e BW).

Gelet op het arbeidsdeskundig rapport van het UWV van 26 maart 2020 geldt dat [eiseres] zich onvoldoende pro-actief heeft opgesteld met betrekking tot het opstellen c.q. invullen van het plan van aanpak. [eiseres] betwist dat zij op 7 januari 2020 heeft geweigerd het plan van aanpak te bespreken c.q. in te vullen, zodat dat in het kader van dit kort geding niet is komen vast te staan. Zij heeft het weliswaar ingevuld toen het haar op 13 januari 2020 is toegestuurd, maar niet op constructieve wijze. Dat is naar het oordeel van de kantonrechter evenwel onvoldoende om de e-grond te vervullen. Ook anderszins is niet gebleken dat zij heeft geweigerd mee te werken. In dit kader wordt nog het volgende van belang geacht. Partijen twisten al over de gang van zaken naar aanleiding van de ziekmelding op

2 september 2019. Naar de stelling van [eiseres] heeft zij op 3, 6, 13 en 16 september en op 1 oktober 2019 telefonisch contact met [gedaagde] gehad. [gedaagde] betwist dat en stelt dat zij niets van [eiseres] heeft vernomen en dat [eiseres] telefonisch niet bereikbaar was. Of hierin één of beide partijen een verwijt treft, wordt in het midden gelaten. Hetzelfde geldt voor het al dan niet bekende verblijfsadres van [eiseres] , waarvan zij stelt dat dat [gedaagde] al vanaf juni 2019 bekend was en waarvan [gedaagde] stelt dat zij hiervan pas op 18 oktober 2019 op de hoogte is geraakt. Duidelijk is dat de communicatie tussen partijen in de eerste weken na de ziekmelding moeizaam is verlopen. Dat blijkt ook uit de wijze waarop is getracht een afspraak op het bedrijf te laten plaatsvinden. Op de door [gedaagde] gewenste datum van 4 oktober 2019 meende [eiseres] niet in staat te zijn naar het bedrijf te komen, op de door [eiseres] voorgestelde datum van 22 oktober 2019 kwam zij op het bedrijf, maar was [gedaagde] niet aanwezig.

Wat naar het oordeel van de kantonrechter niet heeft bijgedragen aan de situatie, is dat

[gedaagde] vrijwel direct na de ziekmelding, op 3 september 2019 een aangetekende brief naar [eiseres] heeft gestuurd. Dat heeft zij vervolgens op 5 en 15 oktober 2019 nog eens gedaan, waarbij ook nog een (weliswaar later teruggedraaide) loonschorsing is aangezegd. Hoewel [gedaagde] ter zitting heeft verklaard dat dit zo is gedaan omdat hij het advies had gekregen een en ander goed vast te leggen, is aannemelijk dat hij met deze wijze van communiceren de verhoudingen onnodig op scherp heeft gezet. Voorstelbaar is dat dit heeft bijgedragen aan de moeizame wijze waarop over het plan van aanpak is gecommuniceerd.

23. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter voorshands van oordeel dat aannemelijk is dat de bodemrechter in een eventuele bodemprocedure tot het oordeel zal komen dat [gedaagde] ten onrechte de loonbetaling vanaf 13 januari 2020 heeft stopgezet, omdat thans niet kan worden geoordeeld dat [eiseres] niet aan haar verplichtingen heeft voldaan. De loonvordering van [eiseres] zal derhalve worden toegewezen. Daarbij geldt dat [gedaagde] de hoogte van de gevorderde bedragen niet heeft weersproken, zodat aan salaris over de periode van 13 januari tot en met 30 april 2020 zal worden toegewezen een bedrag van

€ 6.480,02 bruto, onder aftrek van het ontvangen bedrag van € 636,49 netto.

Voorts zal worden toegewezen het loon over de reeds opeisbare, maar onbetaald gebleven maanden mei en juni 2020, betreffende een bedrag van € 1.534,74 bruto per maand, zijnde 90% van het reguliere salaris.

24. De vordering tot het verstrekken van deugdelijke bruto/netto specificaties zal eveneens worden toegewezen.

25. De gevorderde wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW zal worden gematigd tot 10 %.

26. De kantonrechter ziet geen aanleiding [gedaagde] te veroordelen het loon vanaf juli 2020 te betalen, nu dat enerzijds nog niet opeisbaar is en [eiseres] anderzijds haar belang daarbij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Niet gebleken is immers dat [gedaagde] reeds nu het standpunt heeft ingenomen dat zij ook het toekomstige loon van [eiseres] niet zal voldoen.

27. De gevorderde wettelijke rente zal gelet op het betalingsverzuim van [gedaagde] worden toegewezen vanaf de dag van opeisbaarheid van het loon tot de dag van algehele voldoening. De gevorderde wettelijke rente over de wettelijke verhoging wordt afgewezen, nu daarvoor een ingebrekestelling vereist is en [gedaagde] onweersproken heeft gesteld dat een dergelijke ingebrekestelling niet heeft plaatsgevonden.

28. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten van € 699,-- zullen – als overigens onweersproken – worden toegewezen, nu uit de stukken voldoende blijkt dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht en nu de hoogte van het bedrag is gebaseerd op de bij dagvaarding opeisbare loonvordering.

29. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten zoals hierna bepaald.

Beslissing

De kantonrechter:

treft de navolgende voorziening:

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen het achterstallig loon over de periode van 13 januari tot en met 30 april 2020 van € 6.480,02 bruto, onder aftrek van het reeds betaalde bedrag van € 636,49 netto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 10 %, alsmede de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid tot de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen het achterstallig loon van € 1.534,74 bruto per maand over de maanden mei en juni 2020, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 10% alsmede de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid tot de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] tot het verstrekken van deugdelijke bruto/netto specificaties over de maanden januari tot en met juni 2020;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eiseres] bepaald op:

aan explootkosten

---

aan informatiekosten

---

aan griffierecht

236,00

aan salaris gemachtigde

480,00

totale kosten

572,19

,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.F.M. Wouters en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

773