Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:7531

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-08-2020
Datum publicatie
27-08-2020
Zaaknummer
10/700065-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

gevangenisstraf voor het bezit van vuurwapens en het bewerken van harddrugs

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/700065-20

Datum uitspraak: 18 augustus 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte]

[postcode verdachte] [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rijnmond, locatie Hoogvliet,

raadsman mr. B.J. de Pree, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 4 augustus 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. H.H. Balk heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 (alleen de onder het eerste en derde gedachtestreepje genoemde vuurwapens) en het onder 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 66 maanden met aftrek van voorarrest.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt officier van justitie

De verdachte dient van het onder 1 ten laste gelegde tweede gedachtestreepje

vrijgesproken te worden, omdat de verdachte geen beschikkingsmacht had over dit vuurwapen. De 2 ten laste gelegde feiten zijn voor het overige wel wettig en overtuigend te bewijzen.

4.1.2.

Standpunt verdediging

De verdachte dient integraal te worden vrijgesproken, omdat hij geen beschikkingsmacht of zeggenschap had over de drugs en de wapens die in de woning zijn aangetroffen. Ook het medeplegen kan niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

De verdachte heeft verklaard dat hij met een vriend, [naam vriend] , naar de woning is gegaan om daar te chillen, dat hij in de slaapkamer verbleef toen [naam vriend] vertrok om drank te halen en dat vervolgens de politie de woning binnenviel. De verdachte is niet in de woonkamer geweest, waar kennelijk het versnijdingswerk werd verricht. Dat de verdachte bij zijn aanhouding bruin poeder op zijn broek had, is omdat de woning stoffig was en hij tegen het aanrecht heeft gestaan toen hij in de keuken was om drinken te halen.

Op één van de vuurwapens is DNA van de verdachte aangetroffen. De verdachte heeft verklaard hoe dit er op terecht is gekomen. Toen hij de slaapkamer binnen kwam, lag het vuurwapen op het bed. De verdachte heeft dit wapen opgepakt en vervolgens aan [naam vriend] gegeven.

4.1.3.

Beoordeling

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben op de terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

De politie betrad op 3 februari 2020 een flatwoning aan de [adres delict] in Rotterdam, nadat een wasmachinemonteur die abusievelijk bij de verkeerde woning had aangebeld dat een man die de voordeur opendeed op dit adres een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn broeksband droeg. Hierop zijn drie personen in de woonkamer aangetroffen. Een vierde persoon, de verdachte, bevond zich volgens de politie in de badkamer.

In de woonkamer was een versnijdingsruimte van verdovende middelen. Er lagen door de woonkamer verspreid verschillende verdovende middelen en versnijdingsmiddelen, alsmede goederen die geschikt zijn voor het vervaardigen en bewerken van harddrugs, zoals teilen en zeven. Ook lag er in de woonkamer een vuurwapen op een stoel. In de eerste slaapkamer stonden in een kast twee plastic tassen met tien respectievelijk twintig blokken verdovende middelen en in de tweede slaapkamer lagen op de bodem van een kast vijf zakken met verdovende middelen. In de badkamer stond een teil met versnijdingsmiddelen. Voorts lag in de lade van een kast een doosje met munitie. Verder lagen er in de tweede slaapkamer goederen voor het vervaardigen van harddrugs, namelijk een pers, stempels en potten. In de hal lagen twee vuurwapens, een schietbalpen en zeven kogelpatronen verborgen in een stapel houten kistjes. Op basis van de aangetroffen voorwerpen, de door de politie beschreven chemische geur en de laag bruine stof in de woning, kan worden vastgesteld dat de woning nog zeer recent en ook intensief werd gebruikt als ‘versnijdingspand’ voor het bewerken en bewaken van verdovende middelen.

De vraag is of de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de verdovende middelen, de vuurwapens en de munitie. De rechtbank overweegt dat de verdovende middelen, versnijdingsmiddelen en verschillende attributen voor het bewerken van verdovende middelen, veelal voor het blote oog zichtbaar, verspreid lagen in de verschillende ruimtes van de woning. Een verbalisant beschrijft bij het binnentreden van de woning een zodanige chemische lucht, dat hij zich genoodzaakt voelde om onmiddellijk een stofmasker op te zetten. Ook de verdachte moet deze chemische lucht in de woning hebben geroken. De medeverdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] hebben verklaard dat alle personen in de woning (langere tijd) in de woonkamer aanwezig zijn geweest. De medeverdachte [naam medeverdachte 2] heeft daarnaast verklaard dat alle medeverdachten in de gehele woning hebben rondgelopen.

De rechtbank concludeert uit het voorgaande dat de verdachte zich ervan bewust moet zijn geweest dat zich in de woning een grote hoeveelheid verdovende middelen bevond. Op één van de vuurwapens die zijn aangetroffen in een kistje in de hal is het DNA van de verdachte aangetroffen. Het vuurwapen in de woonkamer lag voor anderen duidelijk zichtbaar op een stoel. De rechtbank leidt hieruit af dat de verdachte eveneens wetenschap had van de aanwezigheid van meerdere vuurwapens in de woning. Dat de verdachte mogelijk niet precies wist waar en hoeveel wapens, munitie en verdovende middelen in de woning verborgen lagen, doet - gelet op de omstandigheden waaronder hij werd aangehouden - er niet aan af dat hij zich in meer of minder mate bewust moet zijn geweest van de waarschijnlijke aanwezigheid van alle in de woning in beslag genomen en ten laste gelegde goederen.

De verklaring van de verdachte bij de politie dat hij slechts korte tijd in de woning op bezoek was bij een vriend, dat hij niet in de woonkamer is geweest en dat hij geen verdovende middelen, vuurwapens of munitie in de woning heeft gezien, acht de rechtbank onder de hiervoor geschetste omstandigheden en in het licht van de bewijsmiddelen niet aannemelijk. Opmerkelijk in dat verband is voorts dat de verdachte over die [naam vriend] verder niets weet te vertellen: geen achternaam, geen adres, geen andere gegevens. Daarbij komt dan ook nog dat de verdachte naar aanleiding van het aangetroffen DNA-spoor ter terechtzitting alsnog heeft erkend dat hij in de woning een vuurwapen heeft gezien, zodat hij op dit punt ook tegenstrijdig heeft verklaard.

Behalve wetenschap moet voor een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van verdovende middelen, vuurwapens en munitie worden beoordeeld of de verdachte over deze voorwerpen ook beschikkingsmacht had. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt in dat verband het volgende.

De verdachte werd door de politie bij binnenkomst in de woning aangetroffen in de badkamer en droeg een trainingsbroek met daarop restanten bruin poeder. In de badkamer werden naast een teil met vermoedelijk restanten van drugs, versnijdingsmiddelen en twee vernielde telefoons aangetroffen. De medeverdachte [naam medeverdachte 2] heeft verklaard dat personen in de woning bij binnenkomst van de politie hun telefoon vernielden. Zoals hiervoor overwogen, leidt de rechtbank uit de in de woning aangetroffen goederen en de beschreven chemische lucht af dat de woning intensief werd gebruikt voor het bewerken van verdovende middelen. In combinatie met het aangetroffen DNA-spoor op een van de in beslag genomen vuurwapens, concludeert de rechtbank uit deze feiten en omstandigheden dat de verdachte (in elk geval) enige functionele of organisatorische betrokkenheid bij dit versnijdingspand had. Hieruit volgt dat de verdachte ook beschikkingsmacht had over de aangetroffen verdovende middelen, de vuurwapens en munitie.

De rechtbank stelt op basis van de omstandigheden bij hun aanhouding vast dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachten, zodat ook het ten laste gelegde medeplegen kan worden bewezen. De verdachte en zijn medeverdachten bevonden zich in de woning die overduidelijk was ingericht voor het versnijden van verdovende middelen en waren ook met dat doel in de woning aanwezig.

De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, dus ook van oordeel dat de beschikkingsmacht van de verdachte geldt ten aanzien van alle in de woning in beslag genomen vuurwapens. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad hoeft het wapen of de munitie zich daarvoor niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. De verdachte heeft, onder de omstandigheden zoals hiervoor uiteengezet, bewust de aanmerkelijke kans op het voorhanden hebben van alle drie de vuurwapens en munitie aanvaard.

Gelet op het voorgaande en de inhoud van de bewijsmiddelen acht de rechtbank het medeplegen van het bereiden, bewerken of verwerken van de aangetroffen hoeveelheid

verdovende middelen en medeplegen van het voorhanden hebben van drie vuurwapens en

munitie, wettig en overtuigend bewezen. De verweren tot vrijspraak worden dan ook

verworpen.

4.1.4.

Conclusie

Bewezen zijn de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 03 februari 2020 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met anderen,

drie, wapens als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten telkens een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die wet in de vorm van

- een pistool van het merk Umarex Walther type Pk380 kaliber 9mm (.32 auto)

en

- een pistool van het merk Makarov, type Pm, kaliber 7.65mm en

- een pistool van het merk Bbm Mod, type 92, kaliber 9mm en

munitie in de zin van art. 1 onder 4° van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van Categorie III, te weten 7 kogelpatronen, kaliber .22lr en/of 4 kogelpatronen, kaliber 9 mm kort .32 auto, voorhanden heeft gehad;

2.

hij op 03 februari 2020 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen,

opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt ongeveer 19 kilogram van een materiaal bevattende heroïne en 99,6 gram van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde heroïne en cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1. (wapens) medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd

en

(munitie) medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

2. medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte is aangetroffen in een zogeheten versnijdingspand waar harddrugs werden bereid, bewerkt dan wel verwerkt. Hij had samen met zijn medeverdachten ongeveer 19 kilo heroïne, ongeveer 100 gram cocaïne en drie vuurwapens met munitie voorhanden.

Het is algemeen bekend dat verdovende middelen, mede vanwege de zeer verslavende werking ervan, criminaliteit bevorderen en schadelijk zijn voor de gezondheid. De verdachte heeft zich laten leiden door zijn streven naar geldelijk gewin, zonder zich te bekommeren om de maatschappelijke gevolgen van zijn handelen.

Het onbevoegd bezit van vuurwapens en munitie is een ernstig strafbaar feit. Het levert een risico voor de veiligheid van personen op en kan leiden tot het feitelijk gebruikmaken van die vuurwapens. Door de zorgwekkende combinatie van de aanwezigheid van de verdovende middelen met de vuurwapens met munitie, kan het niet anders zijn dan dat de vuurwapens in het versnijdingspand aanwezig waren ter bescherming van de verdovende middelen, die een grote waarde vertegenwoordigen.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 13 juli 2020, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportage

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 30 april 2020. Dit rapport houdt het volgende in.

De verdachte is een paar keer eerder voor soortgelijke drugsdelicten met justitie in aanraking gekomen en is één keer hiervoor veroordeeld. Hij kwam op jonge leeftijd in beeld bij justitie. Er waren problemen met zijn gedrag thuis en op school, hij luisterde niet en trok zijn eigen pad. Er is veel hulpverlening ingezet, maar de geboden hulpverlening heeft geen positief effect gehad. Hij had begeleiding door de jeugdreclassering. Dat ging een tijd goed, maar de verdachte verviel weer in zijn oude patroon. Vervolgens is ook het jeugdreclasseringstoezicht negatief beëindigd omdat hij niet meewerkte.

Als er geen adequate hulpverlening wordt ingezet zal het recidiverisico toenemen.

De verdachte heeft geen structurele dagbesteding, geen inkomen, blowt dagelijks en heeft een (deels) negatief sociaal netwerk. Het vermoeden is dat hij mede door zijn softdrugsgebruik en omgeving in de problemen met justitie is gekomen, maar ook omdat hij naïef is en niet (voldoende) weerbaar is tegen verkeerde vrienden/voorstellen.

Het is zeer aannemelijk dat hij de nodige vaardigheden ontbeert om zijn leven op orde te krijgen. Hulpverlening is noodzakelijk om het recidiverisico te beperken. Positief en beschermend is het feit dat de familie, in het bijzonder de broer, hem ondersteunt, dat hij geen schulden heeft en er geen sprake lijkt te zijn van (ernstige) psychische problemen.

Geadviseerd wordt een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht, gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, een contactverbod met medeverdachten, meewerken aan middelencontrole, een inspanningsverplichting om een legaal inkomen en een zinvolle dagbesteding te verkrijgen/behouden en het naleven van eventuele aanwijzingen omtrent middelengebruik.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte acht de rechtbank begeleiding en hulpverlening door de reclassering noodzakelijk om het recidiverisico te beperken en hem de kans te geven zijn leven een positieve wending te geven. De verdachte heeft op de zitting zijn goede voornemens ten aanzien van werk en scholing uitgesproken. Om begeleiding door de reclassering en de door hen voorgestelde bijzondere voorwaarden mogelijk te maken zal de rechtbank een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

De op te leggen straf is een stuk lager dan de eis van de officier van justitie. De rechtbank heeft hierbij de nog jonge leeftijd van de verdachte, hij is net 21 jaar oud, zwaar meegewogen, evenals de omstandigheid dat de rechtbank hem om die reden - ten opzichte van medeverdachten - een meer uitvoerende (en geen aansturende) rol toedicht.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

9. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig (30) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot zes (6) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op twee (2) jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

stelt als bijzondere voorwaarden:

1. de veroordeelde meldt zich na het ingaan van de proeftijd bij de reclassering. Hij blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

2. de veroordeelde neemt actief deel aan de gedragsinterventie Cognitieve Vaardigheden (CoVa) of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. De veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider;

3. de veroordeelde heeft of zoekt op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met de medeverdachten, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod. De medeverdachten betreffen:

- [naam medeverdachte 2] , geboren op [geboortdatum medeverdachte 2] in [geboorteplaats medeverdachte 2] in [geboorteland medeverdachte 2] ;

- [naam medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum medeverdachte 1] in [geboorteland medeverdachte 1] ;

- [naam medeverdachte 3] , geboren op [geboortedatum medeverdachte 3] in [geboorteplaats medeverdachte 3] ;

- [naam medeverdachte 4] , geboren op [geboortedatum medeverdachte 4] in [geboorteplaats medeverdachte 4] ;

4. de veroordeelde werkt mee aan controle van het gebruik van softdrugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd.

5. de veroordeelde wordt verplicht om de volgende bijkomende bijzondere voorwaarden na te leven en zich te houden aan de opdrachten van de reclasseringsorganisatie die in het kader van het toezicht op de naleving van deze voorwaarde noodzakelijk zijn:

- de veroordeelde heeft de inspanningsverplichting om een inkomen uit legale bronnen te verkrijgen;

- de veroordeelde heeft de inspanningsverplichting om een door de toezichthouder goedgekeurde zinvolle dagbesteding te hebben en te behouden;

- indien de veroordeelde de aanwijzing krijgt om zich voor zijn middelengebruik te laten behandelen, zal hij hieraan gehoor moeten geven.

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. V.M. de Winkel, voorzitter,

en mrs. W.H.S. Duinkerke en J.M.L. van Mulbregt, rechters,

in tegenwoordigheid van M.J. Grootendorst, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij

op of omstreeks 03 februari 2020

te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

drie, althans een of meer wapens als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III

onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten (telkens) een vuurwapen in de

zin van artikel 1, onder 3° van die wet in de vorm van

- een pistool van het merk Umarex Walther type Pk380 kaliber 9mm (.32 auto)

en/of

- een pistool van het merk Makarov, type Pm, kaliber 7.65mm en/of

- een pistool van het merk Bbm Mod, type 92, kaliber 9mm

en/of

munitie in de zin van art. 1 onder 4° van de Wet wapens en munitie, te weten

munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van Categorie III,

te weten 7 kogelpatronen, kaliber .22lr en/of 4 kogelpatronen, kaliber 9 mm

kort .32 auto,

voorhanden heeft gehad;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

2.

hij

op of omstreeks 03 februari 2020

te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt,

althans opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 19 kilogram, in elk geval

een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of 99,6 gram, in elk

geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde heroïne en cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet.

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet