Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:7530

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-08-2020
Datum publicatie
27-08-2020
Zaaknummer
10/700068-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

gevangenisstraf voor het bezit van harddrugs

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/700068-20

Datum uitspraak: 18 augustus 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

niet ingeschreven in de basisregistratie personen,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Krimpen aan den IJssel,

raadsman mr. H. Raza, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 4 augustus 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. H.H. Balk heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 (alleen ten aanzien van het eerste gedachtestreepje, het wapen van het merk Umarex Walther) ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 maanden met aftrek van voorarrest.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

De verdachte dient van beide feiten te worden vrijgesproken. Niet kan worden bewezen dat de verdachte de drugs en wapens die in de woning gevonden zijn, aanwezig heeft gehad of dat hij harddrugs heeft verwerkt. De verdachte was door een drugsrunner naar de woning gebracht om cannabis te kopen en was daar maar voor korte duur. De verdachte heeft van meet af aan gedetailleerd verklaard waarom hij daar was en wat en wie hij in die woning heeft gezien. De verdachte had geen wetenschap van en beschikkingsmacht over de in die woning aangetroffen harddrugs en wapens. Bovendien is van medeplegen geen sprake.

4.1.2.

Beoordeling

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben op de terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

De politie betrad op 3 februari 2020 een flatwoning aan de [adres delict] in Rotterdam, nadat een wasmachinemonteur, die overigens op het verkeerde adres was, na het aanbellen had gezien dat de man die de voordeur opendeed een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn broeksband droeg. Hierop is de verdachte, samen met twee andere personen, in de woonkamer aangetroffen. Een vierde persoon bevond zich in de badkamer. In de woonkamer was een versnijdingsruimte van verdovende middelen. Er lagen door de woonkamer verspreid verschillende verdovende middelen en versnijdingsmiddelen, alsmede goederen die geschikt zijn voor het vervaardigen en bewerken van harddrugs, zoals teilen en zeven. Volgens de politie hing er ook een sterke chemische lucht in de flat. Ook lag er in de woonkamer een vuurwapen op een stoel. In de eerste slaapkamer stonden in een kast twee plastic tassen met tien respectievelijk twintig blokken verdovende middelen en in de tweede slaapkamer lagen op de bodem van een kast vijf zakken met verdovende middelen. Voorts lag in de lade van een kast een doosje met munitie. Verder lagen in de tweede slaapkamer goederen voor het vervaardigen van harddrugs, namelijk een pers, stempels en potten. In de hal lagen twee vuurwapens, een schietbalpen en een zakje met zeven kogelpatronen verborgen in een stapel houten kistjes. Op basis van de aangetroffen voorwerpen, de door de politie beschreven chemische geur en de laag bruine stof in de woning, kan worden vastgesteld dat de woning nog zeer recent en ook intensief werd gebruikt voor het bewerken en bewaken van de ruim 19 kilo verdovende middelen.

De verdachte, die de Franse nationaliteit heeft, heeft verklaard dat hij sinds twee weken bij zijn vriendin in Den Haag verbleef en dat hij die dag bij een coffeeshop in Rotterdam was om softdrugs te kopen. Hij werd in de buurt van de coffeeshop aangesproken door een drugsrunner en is, in zijn eigen auto, met hem meegegaan naar een woning. Daar heeft hij de man 300 euro gegeven en in ruil daarvoor zou hij 40 gram softdrugs krijgen. De man heeft vervolgens de woning verlaten en de verdachte wachtte zeker anderhalf uur in woonkamer op zijn bestelling. Ondertussen heeft hij wat zitten blowen en wat gedronken. De verdachte heeft verklaard dat hij direct zag dat het een drugspand was, hij zag onder meer heroïne in een teiltje. Ook heeft hij gedetailleerd verklaard over de personen die in die woning aanwezig waren, wat zij deden en dat één persoon met een vuurwapen zat te spelen.

De verdachte heeft direct na zijn aanhouding gedetailleerd en later ook consistent verklaard over de gebeurtenissen die dag. De rechtbank acht zijn verklaring geloofwaardig, dat hij als klant van een drugsrunner in het pand aanwezig was. Zijn verklaring wordt niet weersproken door enige andere verklaring of door andere bevindingen in het dossier.

De rechtbank stelt vast dat uit de verklaring van de verdachte blijkt dat hij wetenschap had van de aanwezigheid van verdovende middelen in de woonkamer van de woning. Uit de omstandigheden waaronder de in beslag genomen harddrugs zijn aangetroffen, deels voor het blote oog zichtbaar, en het feit dat de verdachte gedurende langere tijd in de woonkamer verbleef, leidt de rechtbank af dat hij behalve wetenschap gedurende deze tijd in zekere mate ook beschikkingsmacht had over deze verdovende middelen. Uit de verklaring van de verdachte volgt immers dat hij zelf in de woning wilde blijven en dat hij ook niet bang was voor de overige aanwezigen. Hieruit leidt de rechtbank af dat hij zo wat drugs had kunnen meepakken, de woning uit kon lopen en in zijn auto terug naar Den haag of Frankrijk kon rijden. Daarmee kan worden bewezen dat de verdachte een hoeveelheid heroïne en cocaïne voorhanden heeft gehad. Uit de omstandigheden waaronder de verdachte in de woonkamer is aangehouden, in aanwezigheid van andere verdachten, leidt de rechtbank af dat daarbij ook sprake is van medeplegen.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte niet een van de personen was die verantwoordelijk was voor het bewerken van de verdovende middelen in die woning. Ook daarvan zal dus worden vrijgesproken.

De rechtbank acht, anders dan de officier van justitie, niet bewezen dat de verdachte wetenschap - al dan niet in voorwaardelijke zin - en beschikkingsmacht had over de verdovende middelen die elders in de woning verborgen waren, zodat hij daarvan (impliciet) zal worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het in de woonkamer aangetroffen vuurwapen overweegt de rechtbank als volgt. De verdachte heeft verklaard dat in de woonkamer een man zat die in het bezit was van een vuurwapen en daarmee speelde. Hoewel hij daarmee wetenschap had van de aanwezigheid van het betreffende vuurwapen, kan onder deze omstandigheden niet gezegd worden dat de verdachte daarover (samen met een of meer medeverdachten) ook beschikkingsmacht had. Ten aanzien van de overige vuurwapens die in de woning verborgen waren, kan noch de wetenschap, noch de beschikkingsmacht daarover van de verdachte worden bewezen. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde voorhanden hebben van een of meer vuurwapens.

4.1.3.

Conclusie

Bewezen is het onder 1 ten laste gelegde feit. Het onder 2 ten laste gelegde feit is niet bewezen; de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 03 februari 2020 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

1. medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte is zo’n anderhalf uur in een versnijdingspand geweest en heeft zodoende samen met een ander of anderen een hoeveelheid harddrugs aanwezig gehad. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen, mede vanwege de zeer verslavende werking ervan, criminaliteit bevorderen en schadelijk zijn voor de gezondheid.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 13 juli 2020, waaruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Daarbij wordt in strafverminderende zin rekening gehouden met het feit dat de verdachte de verdovende middelen niet heeft bewerkt en dat het een geringere hoeveelheid betreft die hem wordt toegerekend.

De straf is aanzienlijk lager dan de eis van de officier van justitie, omdat de rechtbank de verdachte een beperkte rol toedicht en tot een andere bewezenverklaring komt.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

9. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vier (4) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. V.M. de Winkel, voorzitter,

en mrs. W.H.S. Duinkerke en J.M.L. van Mulbregt, rechters,

in tegenwoordigheid van M.J. Grootendorst, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij

op of omstreeks 03 februari 2020

te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of

verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 19 kilogram, in elk

geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of ongeveer

99,6 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde heroïne en cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

2.

hij

op of omstreeks 03 februari 2020

te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

drie, althans een of meer wapens als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III

onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten (telkens) een vuurwapen in de

zin van artikel 1, onder 3° van die wet in de vorm van

- een pistool van het merk Umarex Walther type Pk380 kaliber 9mm (.32 auto)

en/of

- een pistool van het merk Makarov, type Pm, kaliber 7.65mm en/of

- een pistool van het merk Bbm Mod, type 92, kaliber 9mm

en/of

munitie in de zin van art. 1 onder 4° van de Wet wapens en munitie, te weten

munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van Categorie III,

te weten 7 kogelpatronen, kaliber .22lr en/of 4 kogelpatronen, kaliber 9 mm

kort .32 auto,

voorhanden heeft gehad.

(art 26 lid 1 Wet wapens en munitie)