Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:7506

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-08-2020
Datum publicatie
27-08-2020
Zaaknummer
10/681041-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren voor het op de openbare weg voorhanden hebben van een geladen vuurwapen met munitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/681041-20

Datum uitspraak: 26 augustus 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te Curaçao (Nederlandse Antillen) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in het Detentiecentrum Rotterdam,

raadsvrouw mr. E.M. van den Oudenaller, advocaat te Dordrecht.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 12 augustus 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Het betreft het voorhanden hebben van een geladen vuurwapen.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. H.H. Balk heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek van voorarrest.

4. Waardering van het bewijs

De verdachte heeft het feit bekend en de raadsvrouw heeft geen vrijspraak bepleit. In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van de wettige bewijsmiddelen waarop de hierna te vermelden veroordeling is gebaseerd. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 8 mei 2020 te Hendrik-Ido-Ambacht

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet

wapens en munitie, te weten

een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van

een pistool, te weten een pistool van het merk Bbm (Bruni), model 85, kaliber

7.65

mm en

munitie in de zin van artikel 1 onder 4º, gelet op artikel 2 lid 2 categorie

III van de Wet wapens en munitie, te weten vier, bij het vuurwapen behorende,

kogelpatronen van het kaliber 7.65 mm,

voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft in zijn auto, op de openbare weg, een geladen vuurwapen voorhanden gehad. De ervaring leert dat vuurwapenbezit snel leidt tot het gebruik ervan, met alle ernstige gevolgen voor anderen van dien. Daartegen dient te worden opgetreden. Uitgangspunt in vuurwapenzaken is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De zaak van de verdachte staat niet op zichzelf. In het Rotterdamse arrondissement zijn veel schietincidenten en er worden zeer frequent vuurwapens in beslag genomen. De LOVS-oriëntatiepunten voor vuurwapenbezit zijn om die reden in Rotterdam niet langer passend. De straffen in Rotterdam voor vuurwapenbezit zijn ook gestegen ten opzichte van een paar jaar geleden.

Wat de zaak van de verdachte wel anders maakt dan de ‘gemiddelde’ vuurwapenzaak, is dat een neef van de verdachte is doodgeschoten. Dat gebeurde enkele weken voordat de politie het geladen vuurwapen van de verdachte vond. Ook op twee andere familieleden van hem is geschoten. De verdachte verklaart dat hij het wapen had ter bescherming van zichzelf en zijn gezin, omdat hij had gehoord dat er op de plek waar zijn neef is doodgeschoten, een briefje zou hebben gelegen waarop stond dat “ze” nog niet klaar waren met zijn familie. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat de verdachte het wapen inderdaad had met het oog op een mogelijke verdediging in de toekomst.

Hoewel begrip valt op te brengen voor de zorgen die de verdachte heeft voor zichzelf en zijn familie, schuilt daarin tegelijkertijd ook een verhoogd risico voor het gebruik van het wapen. Het is niet ondenkbaar dat de verdachte het wapen zou hebben gepakt en gebruikt indien hij zich bedreigd had gevoeld, ook als daar op dat moment geen concrete aanleiding voor was. Bijvoorbeeld als de verdachte door een ander in het verkeer was afgesneden en hij dacht ‘daar heb je ze’. Ook in de situatie van de verdachte kan niet geaccepteerd worden dat hij zich bewapent.

In het voordeel van de verdachte pleit dat hij geen relevant strafblad heeft en dat hij zijn leven verder redelijk in orde lijkt te hebben.

Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, passend en geboden is. De straf valt bruto wat hoger uit dan door de officier van justitie is geëist, maar is netto wat lager. Dat is gedaan omdat bewapening om geweld te kunnen plegen niet door de beugel kan en om een flink stuk van de straf voorwaardelijk op te leggen als stok achter de deur om nieuwe strafbare feiten tegen te gaan. Zoals de officier van justitie – subsidiair, in geval van een voorwaardelijk strafdeel – heeft gevorderd, bedraagt de proeftijd drie jaar. De keten van geweld dient te worden doorbroken.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

9. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 jaren;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. N. Doorduijn, voorzitter,

en mrs. M. Timmerman en F. van Laanen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Sengezken, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 augustus 2020.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 8 mei 2020 te Hendrik-Ido-Ambacht

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet

wapens en munitie, te weten

een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van

een pistool, te weten een pistool van het merk Bbm (Bruni), model 85, kaliber

7.65

mm en/of

munitie in de zin van artikel 1 onder 4º, gelet op artikel 2 lid 2 categorie

III van de Wet wapens en munitie, te weten vier, bij het vuurwapen behorende,

kogelpatronen van het kaliber 7.65 mm,

voorhanden heeft gehad;