Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:7500

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-08-2020
Datum publicatie
27-08-2020
Zaaknummer
10/156181-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een gevangenisstraf van 3 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren voor een woninginbraak waarbij meerdere goederen zijn weggenomen. DNA-match van de verdachte met een bloedspoor in de woning. Beslissing ten aanzien van de vordering tot vergoeding van materiële schade en immateriële schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/156181-19

Datum uitspraak: 12 augustus 2020

Tegenspraak ex art. 279 Sv

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. N. Claassen, advocaat te Schiedam

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 12 augustus 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. E. Blanken heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt van de verdediging

De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij niets weet van een inbraak. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft de raadsman zich namens de verdachte ter zake de bewijsvraag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.1.2.

Beoordeling

Op 28 augustus 2018 heeft er een inbraak plaatsgevonden in de woning gelegen aan [adres delict] . Tijdens deze inbraak zijn diverse goederen weggenomen. Er is vastgesteld dat een ruit van de woning is verbroken. De slaapkamer in de woning is overhoop gehaald, spullen uit de kast lagen verspreid over de grond. Getuige [naam getuige] heeft iemand door het raam naar binnen zien klimmen.

In de woning zijn bloedsporen aangetroffen op het dekbed in de slaapkamer en op de deur van de kledingkast in de slaapkamer. Deze bloedsporen zijn veiliggesteld. Het NFI heeft gerapporteerd dat het DNA-profiel uit het veiliggestelde bloedspoor op het dekbed matcht met het DNA-profiel van de verdachte en dat het DNA-profiel uit het spoor maximaal zeldzaam is. De rechtbank concludeert dat de verdachte de donor van het bloedspoor is. Er zijn geen aanwijzingen die erop duiden dat iemand anders vóór de verdachte (onrechtmatig) de woning heeft betreden. Dit alles bij elkaar rechtvaardigt de conclusie dat de verdachte in de woning heeft ingebroken en daar spullen heeft weggenomen. De verklaring van de verdachte, te weten dat iemand bloed van hem zou hebben gepakt uit een plas bloed, nadat de verdachte op de Beijerlandselaan in Rotterdam een scooterongeluk heeft gehad, acht de rechtbank, gelet op voornoemde omstandigheden en omdat dit verder geenszins door de verdachte is onderbouwd, niet aannemelijk.

4.1.3.

Conclusie

Gelet op het voorgaande en de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen acht de rechtbank

wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de hem ten laste gelegde woninginbraak.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 28 augustus 2018 te Rotterdam

sieraden, een horloge, een sieradenkistje, jassen, een

tas en een telefoonhoesje, die toebehoorden aan [naam aangeefster] ,

heeft weggenomen, uit een woning (gelegen aan [adres delict] )

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het

misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een woninginbraak. De verdachte heeft eerst een ruit verbroken om de woning via de slaapkamer te kunnen betreden, daarna de woning doorzocht en vervolgens diverse goederen weggenomen uit de woning van aangeefster. De aangeefster is hierdoor geconfronteerd met een grote schadepost. Door aldus te handelen heeft de verdachte noch respect getoond voor haar eigendom, noch voor de persoonlijke leefomgeving van de aangeefster. Daarbij brengen woninginbraken vaak gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers en omwonenden teweeg. Dat was ook hier het geval. De verdachte heeft geen rekening gehouden met deze gevolgen, maar enkel gedacht aan zijn eigen financiële gewin. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 12 mei 2020, waaruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan deze inbraak niet is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Wel is de verdachte in 2018 veroordeeld tot een maand gevangenisstraf voor overtreding van de Opiumwet.

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De rechtbank houdt bij de op te leggen straf rekening met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, nu het bewezenverklaarde feit is gepleegd voorafgaand aan een veroordeling van de verdachte op 10 mei 2019. Die veroordeling betrof een taakstraf van 120 uur voor een soortgelijk feit (medeplegen van poging tot inbraak), begaan meer dan twee jaar voor de datum waarop dat vonnis is gewezen. De rechtbank is van oordeel dat indien tegelijkertijd een voltooide woninginbraak was berecht, niet met een taakstraf zou zijn volstaan.

De rechtbank zal een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen. In vervolg op het bovenstaande wordt hiermee de eerdere veroordeling verdisconteerd op grond van artikel 63 Sr. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8. Vordering benadeelde partij/schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [naam benadeelde] ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 54,60 aan materiële schade (€ 50,85 via het schadevergoedingsformulier, voorafgaand aan het requisitoir tijdens het onderzoek ter terechtzitting vermeerderd met € 3,75 parkeerkosten om de zitting bij te wonen) en een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de

benadeelde partij [naam benadeelde] tot een bedrag van € 19,60 aan materiële schade (de parkeerkosten en reiskosten) vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Voor het overige deel heeft de officier van justitie geconcludeerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, omdat de urgentieaanvraag geen rechtstreeks gevolg van het strafbare feit is geweest en de immateriële schade onvoldoende is onderbouwd met concrete stukken.

8.2.

Standpunt verdediging

De raadsman refereert zich ten aanzien van de parkeerkosten en de reiskosten aan het oordeel van de rechtbank, ook ter zake de vermeerdering tijdens het onderzoek ter terechtzitting. De raadsman heeft aangevoerd dat een inbraak geen reden is om een urgentie aan te vragen en dat de psychische klachten van de benadeelde partij niet zijn onderbouwd.

8.3.

Beoordeling

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [naam benadeelde] door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de vordering op dat punt naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam is onderbouwd, zal deze gedeeltelijk worden toegewezen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de reis- en parkeerkosten door of namens de verdachte niet, althans onvoldoende zijn betwist.

De kosten voor de urgentieverklaring ziet de rechtbank niet als een rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde strafbare feit, mede omdat voor de aanvraag van de urgentieverklaring een extra wilsbesluit van de benadeelde partij nodig is geweest. De benadeelde partij zal in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

De rechtbank is verder van oordeel dat aan de benadeelde partij [naam benadeelde] door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht en dat de vordering ook op dat punt genoegzaam is onderbouwd, zodat deze zal worden toegewezen. Zij overweegt hiertoe dat de slaapkamer van de benadeelde partij overhoop is gehaald en er bloed van de inbreker, verdachte, op het beddengoed en de kast van de benadeelde partij is aangetroffen. De benadeelde partij was niet alleen verdrietig en overstuur op het moment dat zij van de inbraak vernam en haar overhoop gehaalde huis aantrof. Ook voelt zij zich blijkens haar toelichting sinds de inbraak – ten tijde van haar verklaring ter zake bijna anderhalf jaar tevoren – niet meer veilig in haar eigen woning, zodra zij thuis is. Zij is alert op geluiden en daarom doucht zij met de badkamerdeur open en draait zij nauwelijks nog muziek. Indien zij thuis is, zoekt zij afleiding en is zij alert op mensen die voor haar deur staan. De constante alertheid kost de benadeelde partij veel energie.

De benadeelde partij heeft ten gevolge van de inbraak ruim een jaar slecht geslapen. Zij voelde zich vaak ’s nachts niet veilig en de gebeurtenis begon dan door haar hoofd te spoken wat haar uit haar slaap hield. Ook op haar werk heeft de impact van de inbraak zijn werking gehad. De benadeelde partij heeft zich een aantal maanden slecht kunnen concentreren waardoor zij fouten ging maken.

Met deze op zichzelf niet, althans onvoldoende betwiste gevolgen als uitgangspunt is de rechtbank van oordeel dat de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij de conclusie rechtvaardigen dat zij op andere wijze is aangetast in haar persoon, als bedoeld in artikel 6:106, onder b, van het Burgerlijk Wetboek. De gevolgen die deze inbraak voor de benadeelde partij heeft gehad, zijn naar het oordeel van de rechtbank meer dan enig (psychisch) onbehagen.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 28 augustus 2018.

Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij [naam benadeelde] een schadevergoeding betalen van € 419,60, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op 14a, 14b, 14c, 36f, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

10 . Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 . Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 1 (één) maand, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaren;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] , te betalen een bedrag van €419,60 (zegge: vierhonderdnegentien euro en zestig eurocent), bestaande uit € 19,60 aan materiële schade en € 400,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 28 augustus 2018tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde] te betalen € 419,60 (hoofdsom, zegge: vierhonderdnegentien euro en zestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 augustus 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening;

bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 419,60 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 8 dagen;

de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. N. Doorduijn, voorzitter,

en mrs. M. Timmerman en F. van Laanen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Sengezken, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 augustus 2020.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 28 augustus 2018 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

één of meer sieraden, een horloge, een sieraden kistje, één of meer jas(sen), een

tas en/of een telefoonhoesje, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een

ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [naam aangeefster]

,

heeft weggenomen, in/uit een woning gelegen aan [adres delict]

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het

misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen voornoemde

goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak,

verbreking en/of inklimming;