Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:7419

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-06-2020
Datum publicatie
20-11-2020
Zaaknummer
C/10/589077 / HA ZA 20-10
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident. Interregionale bevoegdheid, want een van de gedaagden woont op Curaçao. Internationale bevoegdheid, want een andere gedaagde woont in Luxemburg. Nederlandse rechter bevoegd. Overeenkomstige respectievelijk rechtstreekse toepassing van de Brussel Ibis-Verordening. Geen misbruik van procesrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/589077 / HA ZA 20-10

Vonnis in incident van 17 juni 2020

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SCB HOLDING B.V.,

gevestigd te Zwijndrecht,

2. [naam eiseres],

wonende te [woonplaats eiseres] ,

eiseressen in de hoofdzaak,

verweersters in het incident,

advocaat mr. M.W. Huijzer te Papendrecht,

tegen

1. de naamloze vennootschap naar buitenlands recht

SOCIO INVESTMENTS N.V.,

gevestigd te Willemstad, Curaçao,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INTEGRA ACTIVA B.V.,

gevestigd te Zwijndrecht,

gedaagde in de hoofdzaak,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GRAPHE B.V.,

gevestigd te Zwijndrecht,

gedaagde in de hoofdzaak,

4. [naam gedaagde],

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat mr. H. Loonstein te Amsterdam.

Partijen zullen hierna als volgt worden aangeduid:

  • -

    eiseressen in de hoofdzaak/verweersters in het incident gezamenlijk als [eiseressen] en afzonderlijk als SCB en [naam eiseres] ;

  • -

    eisers in het incident als Socio en [naam eiser] ;

  • -

    gedaagden in de hoofdzaak gezamenlijk als Socio c.s. en afzonderlijk als Socio, Integra Activa, Graphe en [naam gedaagde] .

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 28 november 2019, met producties,

  • -

    het herstelexploot van 4 december 2019,

  • -

    de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident, met producties,

  • -

    de akte uitlating producties, met één productie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De feiten, voor zover relevant in het incident

2.1.

[naam verweerster] is aandeelhouder en bestuurder van SCB. SCB houdt (sinds 30 december 2016) 20% van de aandelen in Integra Activa. De overige aandelen in Integra Activa worden gehouden door Socio (40%) en Graphe (40%).

2.2.

Integra Activa houdt 80% van de aandelen in De Jong Veiligheidsdiensten B.V. De overige aandelen in De Jong Veiligheidsdiensten B.V. worden gehouden door SCB (16%) en De Jong Groep B.V. (4%).

2.3.

De (middellijk) bestuurder van Socio is [naam 1] . De aandelen van Socio worden (indirect) volledig gehouden door [naam eiser] .

2.4.

De enig aandeelhouder en bestuurder van Graphe is [naam 2] .

2.5.

Tussen [naam verweerster] en [naam eiser] heeft in het verleden een affectieve relatie bestaan.

2.6.

Op 26 april 2001 hebben Socio als hypotheeknemer en [naam verweerster] als schuldenaar een hypotheekakte ondertekend (hierna: de hypotheekakte). In deze hypotheekakte is – onder meer – opgenomen dat [naam verweerster] een bedrag van ƒ 450.000,00 te leen heeft ontvangen van Socio en dat tot zekerheid voor de terugbetaling hiervan, en het verdere uit hoofde van de akte verschuldigde, ten behoeve van Socio een recht van eerste hypotheek wordt gevestigd op het woonhuis van [naam verweerster] te Zwijndrecht.

2.7.

Op 27 februari 2007 is door Socio, de heer [naam 3] (de zoon van [naam eiser] ) en [naam verweerster] een document genaamd ‘overeenkomst van geldlening’ ondertekend (hierna: de overeenkomst van 27 februari 2007), in verband met de aankoop door [naam 3] en [naam verweerster] van een woning te Brasschaat (België). In de overeenkomst van 27 februari 2007 is onder meer – kort gezegd – vermeld dat [naam 3] en [naam verweerster] aan Socio een bedrag van € 369.000,00 verschuldigd zijn en dat zij daarover rente zijn verschuldigd aan Socio.

2.8.

Op 30 december 2016 is een notariële akte verleden waarin [naam verweerster] en SCB als schuldenaar, en Socio als schuldeiser worden aangemerkt, onder de naam ‘leningsakte’ (hierna: de leningsakte) waarin onder meer het volgende is vermeld:

“De schuldenaar en de schuldeiser sluiten hierbij een leningsovereenkomst voor een bedrag van drie honderd duizend euro (€ 300.000,00). Dit bedrag is de schuldenaar al schuldig aan de schuldeiser. De schuld van de schuldenaar aan de schuldeiser is ontstaan door de levering van aandelen in het kapitaal van de statutair te Zwijndrecht (…) gevestigde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid: Integra Activa B.V. (…).”

2.9.

Op 5 januari 2017 hebben [naam eiser] en [naam verweerster] een document ondertekend genaamd ‘verklaring inzake overname aandelen’. Hierin is het volgende opgenomen:

“Met betrekking tot de overname van 20% van de aandelen van Integra Activa BV verklaren [naam eiser] en [naam verweerster] het navolgende.

De om niet ooit toegezegde aandelen moeten formeel worden overgedragen. Daartoe moet er een prijs worden betaald van € 400.000,00.

In deze is een overeenkomst gesloten tussen de eigenaar van deze 20% te weten Socio Investments NV te (Curaçao) en [naam verweerster] .

Deze komt op het navolgende neer [naam verweerster] heeft er de voorkeur aan gegeven de aandelen te laten kopen door SCB Holding BV, [adres 1] .

Daartoe heeft zij vanuit privé een bedrag gestort van € 100.000,00 aan SCB Holding BV. SCB Holding BV heeft via de notaris zo een aanbetaling op de € 400.000,00 kunnen doen. Het resterende bedrag van € 300.000,00 blijft SCB Holding BV in de vorm van een lening schuldig aan Socio Investments NV tegen een rentepercentage van 3% per jaar.

Echter het totale te betalen bedrag moet weer terugvloeien naar SCB Holding, dan wel SCB Holding krijgt dit bedrag van € 318.000,00 op andere wijze tot haar beschikking teneinde de betaling te kunnen doen aan Socio Investments NV.

Met andere woorden [naam eiser] draagt er zorg voor dat deze aandelentransactie SCB Holding BV cq [naam verweerster] geen geld kost en dat het aan het einde van de rit, 1e kwartaal 2019, een budget neutrale transactie is geworden.

In het eerste kwartaal 2017 is reeds overeengekomen dat er in 2017 een schenking wordt gedaan van € 100.000,00 aan de dochter van [naam verweerster] voor de aankoop van een appartement/woning.

Hiermee is de eerste € 100.000,00 die [naam verweerster] vanuit privé heeft gefourneerd gecompenseerd.

Deze verklaring staat los van een andere verklaring omtrent financiële aspecten met betrekking tot de relatie [naam eiser] , [naam verweerster] en Socio Investments NV.”

2.10.

Tevens hebben [naam eiser] en [naam verweerster] op 5 januari 2017 een document genaamd ‘verklaring’ ondertekend, welke luidt als volgt:

“Ondergetekende, [naam eiser] , geboren [geboortedatum eiser] te [geboorteplaats eiser], verklaart hierbij als U.B.O. van Socio Investments NV, gevestigd te (Curaçao), dat [naam verweerster] , geboren [geboortedatum verweerster] te [geboorteplaats verweerster], vanuit deze onderneming een bedrag tegoed heeft wat is opgebouwd uit rente en achterstallig dividend.

Dit bedrag zal in het 1e kwartaal van 2019 door ondergetekende op een fiscaal verantwoorde wijze aan [naam verweerster] ter beschikking worden gesteld.

[naam eiser] en [naam verweerster] zijn overeengekomen dat alleen wanneer het

bedoelde bedrag, door omstandigheden buiten de wil van [naam eiser] niet vrijkomt uit de onderneming voornoemd, [naam verweerster] dit bedrag pas later van [naam eiser] zal ontvangen, indien hij dit heeft verkregen.

Met andere woorden, [naam eiser] staat garant voor onderstaand bedrag:

Rente Bras t/m 2015 € 32.747,00

2016 € 1.107,00

Subtotaal: € 33.854,00

Eventueel nog bij te tellen bij niet verkopen: + € 1.107,00 voor 2017 en/of € 1.107,00 voor 2018.

Rente Zwijn t/m 2015 € 172.424,00

2016 € 11.741,57

2017 € 11.741,57

2018 € 11.741,57

Subtotaal: € 207.648,71

Dividend t/m 2006 € 236.315,00

Totaal: € 477.817,71

[naam verweerster] draagt er zorg voor dat de hypotheek op haar woning aan de [adres 1]

en lopend bij Socio Investments NV, groot € 204.201,00 in het 1e kwartaal van

2019 wordt afgelost als het bedrag aan [naam verweerster] ter beschikking is gesteld. Als het

door omstandigheden later ter beschikking wordt gesteld, zal binnen een maand na ter

beschikkingstelling het bedrag worden afgelost.

Ingevolge een leenovereenkomst heeft Socio Investments NV van [naam verweerster] tegoed

een bedrag van € 184.500,00, betreffende de aankoop van een woning aan de [adres 2]

(België). Het betreft hier de helft van de aankoopsom. [naam verweerster] draagt

er zorg voor dat dit bedrag wordt afgelost, indien de woning wordt verkocht. De winst die bij

verkoop op de woning wordt gemaakt zal op basis van evenredigheid (50%/50%) onder

verkopers worden verdeeld.

Opgemerkt wordt dat indien betalingen eerder kunnen geschieden deze verklaring zal

worden aangepast.”

3. De vorderingen in de hoofdzaak

3.1.

[eiseressen] vorderen bij vonnis, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

“1. Socio en Graphe gezamenlijk of ieder voor zich te veroordelen om de door SCB gehouden aandelen in het kapitaal van Integra Activa (of ieder een deel daarvan, zulks te bepalen door de rechtbank) ex artikel 2:343 BW over te nemen tegen een prijs te bepalen door één of meer door de rechtbank te benoemen deskundige(n), ex artikel 2:343 lid 4 BW een billijke verhoging toe te passen op grond van de gedragingen van Socio, Graphe en Integra Activa en te bepalen dat de kosten van de deskundige ten laste komen van Socio en/of Graphe en/of Integra Activa; en

2. Integra Activa te veroordelen om de door SCB gehouden aandelen in het kapitaal van De Jong Veiligheidsdiensten B.V. artikel 2:343 BW over te nemen tegen een prijs te bepalen door één of meer door de rechtbank te benoemen deskundige(n), ex artikel 2:343 lid 4 BW een billijke verhoging toe te passen op grond van de gedragingen van Integra Activa (en haar aandeelhouders) en te bepalen dat de kosten van de deskundige(n) ten laste komen van Integra Activa; en

3. Socio en [naam gedaagde] hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen tot betaling aan [naam eiseres] van € 236.315,-- aan achterstallig dividend per 31 december 2006, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 1 januari 2007 (welke rente tot en met 1 november 2019 door [naam eiseres] is becijferd op € 122.817,95); en

4. Socio en [naam gedaagde] hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen tot betaling aan [naam eiseres] van € 37.271,-- (zijnde de "Rente Bras" tot en met 31 december 2018); en

5. Socio en [naam gedaagde] hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen tot betaling aan [naam eiseres] van € 207.648,71 (zijnde de “Rente Zwijn" tot en met 31 december 2018); en

6. Socio en [naam gedaagde] hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen tot betaling aan [naam eiseres] van een door U E.A. in goede justitie te bepalen bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten over de sub 3, 4 en 5 geformuleerde vorderingen; en

7. Gedaagden hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen in de kosten van het geding, advocaatkosten en het griffierecht daaronder begrepen, alsmede de nakosten voor het geval zij niet op eerste vordering betalen overeenkomstig het dictum van het te dezen te wijzen vonnis.”

4. Het geschil in het incident

4.1.

Socio en [naam eiser] betwisten de rechtsmacht van de Nederlandse rechter ten aanzien van de hiervoor onder 3.1 weergegeven vorderingen 3, 4, 5 en 6. Zij vorderen dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om van de vordering(en) van [verweersters] jegens hen kennis te nemen, althans dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart met betrekking tot de vorderingen 3, 4, 5 en 6, met veroordeling van [verweersters] in de kosten van de procedure.

4.2.

Het verweer van [verweersters] strekt tot afwijzing van de vorderingen in het incident, met (hoofdelijke) veroordeling van Socio en [naam eiser] in de kosten van de procedure in het incident.

4.3.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.

5. De beoordeling

Partijen bij het incident

5.1.5.1.1. De incidentele conclusie vermeldt in onderdeel 2 dat Integra en Graphe zich aansluiten bij het rechtsmachtverweer. Onderdeel I van de vordering vermeldt slechts “gedaagde(n)” zonder een onderscheid te maken tussen Integra en Graphe enerzijds en Socio en [naam eiser] anderzijds.

5.1.2.

De vordering in het incident is echter slechts onderbouwd ten aanzien van Socio en [naam eiser] . Ook onderdeel 41 van de conclusie noemt slechts deze twee partijen bij naam. De rechtbank begrijpt daarom de ingenomen stellingen en onderdeel I van de vordering dan ook zo, dat slechts Socio en [naam eiser] de exceptie opwerpen.

Inleiding

5.2.

In dit incident dient beoordeeld te worden of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft ten aanzien van de vorderingen 3 tot en met 6 als hiervoor onder 3.1 weergegeven. Artikel 11 Rv bepaalt dat het verweer dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft, in zaken die bij dagvaarding moeten worden ingeleid, op straffe van verval van het recht daartoe, wordt gevoerd vóór alle weren ten gronde. De incidentele vordering van Socio en [naam eiser] is tijdig en vóór alle weren ingesteld.

5.3.

De rechtbank stelt het volgende voorop. De stelling van Socio en [naam eiser] dat [naam eiser] niet bevoegd was Socio te vertegenwoordigen, betreft een inhoudelijk geschilpunt en leent zich niet voor een aan de hoofdzaak voorafgaande behandeling. De rechter moet zich gemakkelijk over zijn eigen bevoegdheid kunnen uitspreken, zonder dat daarvoor onderzoek ten gronde hoeft te worden gedaan.

Rechtskader voor de beoordeling inzake Socio

5.4.

Voor zover de vorderingen zijn ingesteld tegen Socio heeft het geschil een interregionaal karakter, omdat Socio is gevestigd te Curaçao.

5.4.1.

Op grond van artikel 38, derde lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden kunnen bij rijkswet regels worden gesteld omtrent interregionaal privaatrechtelijke onderwerpen, waaronder de interregionale rechterlijke bevoegdheid, maar dat is tot op heden niet gebeurd. Daarom moet de interregionale bevoegdheid worden vastgesteld door zoveel mogelijk aansluiting te zoeken bij de bevoegdheidsbepalingen die gelden op het terrein van het internationaal privaatrecht.

5.4.2.

In dit verband is van belang dat de rechter in het Rijk in Europa (Nederland), mede gelet op de voorrang van verdragen en EU-verordeningen ten opzichte van het nationale recht, is gehouden om eerst te onderzoeken of in een geval van interregionale aard overeenkomstige toepassing kan worden gegeven aan de in verdragen en EU-verordeningen neergelegde bevoegdheidsbepalingen. Alleen indien blijkt dat dergelijke verdragsrechtelijke of Unierechtelijke bevoegdheidsbepalingen ontbreken of zich niet voor overeenkomstige toepassing lenen, dient de rechter in het Rijk in Europa zijn rechtsmacht in een geval van interregionale aard te bepalen met overeenkomstige toepassing van de artikelen 1 tot en met 14 Rv (vgl. Hoge Raad 2 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1063).

5.4.3.

Omdat sprake is van een handelszaak, is de rechtbank van oordeel dat de bevoegdheid dient te worden getoetst aan de hand van overeenkomstige toepassing van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (verder: Brussel I bis-Vo). Er zijn geen redenen om aan te nemen – en partijen hebben deze ook niet gesteld – dat de Brussel I bis-Vo zich in het onderhavige geval niet voor overeenkomstige toepassing leent.

Rechtskader voor de beoordeling inzake [naam eiser]

5.5.

Ten aanzien van [naam eiser] geldt dat, nu de zaak een handelszaak betreft, de Brussel I bis-Vo materieel van toepassing is. Zij is tevens formeel van toepassing, omdat [naam eiser] woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat. Partijen twisten weliswaar over de vraag of de woonplaats van [naam eiser] in Luxemburg of in Nederland ligt, maar beide landen zijn EU-lidstaten. Dat [naam eiser] woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, staat dus niet ter discussie, zodat hoe dan ook de verordening van toepassing is.

Rechtsmacht van de Nederlandse rechter

5.6.

Over de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt, moet dus de Brussel I bis-Vo uitsluitsel geven.

Rechtsmacht op grond van de uitvoering van een verbintenis

5.6.1.

Ingevolge artikel 7, aanhef en onderdeel 1, Brussel I bis-Vo kan ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst worden gedagvaard voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd.

5.6.2.

Aan de vordering in de hoofdzaak is een verbintenis uit overeenkomst ten grondslag gelegd, namelijk de verbintenis tot betaling van Socio en [naam eiser] aan [naam verweerster] . De rechtbank gaat daarbij in het kader van dit incident uit van de verklaring van 5 januari 2017, zoals hiervoor onder 2.10 bedoeld, als grondslag van de vermeende betalingsverplichtingen, welke verklaring een overeenkomst lijkt te belichamen. Voor beantwoording van de vraag of de rechtbank bevoegd is op grond van artikel 7, aanhef en onderdeel 1, Brussel I bis-Vo, dient te worden vastgesteld in welke plaats de verbintenis tot terugbetaling moet worden uitgevoerd. Voor beantwoording van die vraag is van belang welk recht op de gestelde overeenkomst van toepassing is (HvJ EG 6 oktober 1976, ECLI:EU:C:1976:133 (Tessili/Dunlop)).

Het recht dat op de verbintenis van toepassing is

5.6.2.1. Het toepasselijk recht moet worden vastgesteld op grond van de verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst in burgerlijke en handelszaken
(Rome I-Vo), nu deze verordening (direct) op [naam eiser] en (analoog) op Socio van toepassing is. Omdat niet is gesteld of gebleken dat partijen een rechtskeuze hebben gemaakt als bedoeld in artikel 3 Rome I-Vo, dient het toepasselijk recht te worden bepaald aan de hand van de objectieve verwijzingsregels van artikel 4 Rome I-Vo.

5.6.2.2. Er is geen sprake van een in het eerste lid van artikel 4 Rome I-Vo genoemde overeenkomst.

5.6.2.3. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waar de partij die de kenmerkende prestatie moet verrichten haar gewone verblijfplaats heeft. Naar het oordeel van de rechtbank is de kenmerkende prestatie in dit geval de betaling van Socio aan [naam verweerster] , nu de formulering van de verklaring in de richting wijst van een hoofdschuldenaar (Socio) en een waarborg ( [naam eiser] ). Derhalve zou de vestigingsplaats van Socio bepalend zijn voor het toepasselijk recht, te weten Curaçao.

5.6.2.4. Echter, de rechtbank is van oordeel dat in dit geval het derde lid van artikel 4 Rome I-Vo toepassing vindt, nu uit alle omstandigheden blijkt dat de overeenkomst een kennelijk nauwere band heeft met Nederland dan met Curaçao. Die omstandigheden bestaan eruit dat [naam eiser] en [naam verweerster] kennelijk allebei de Nederlandse nationaliteit hebben, het bedrijf dat zij gezamenlijk voeren in Nederland is gevestigd, [naam verweerster] in Nederland woont, er voldoende aanwijzingen zijn dat [naam eiser] in Nederland verblijft, vordering 5 verband houdt met een in Nederland gelegen onroerende zaak en vordering 3 verband houdt met een in Nederland gevestigde vennootschap naar Nederlands recht.

5.6.2.5. De conclusie is dat op grond van het derde lid van artikel 4 Rome I‑Vo de overeenkomst wordt beheerst door het recht van Nederland.

5.6.3.

De artikelen 6:115 tot en met 6:118 BW bevatten bepalingen over de plaats van betaling van schulden. Op grond van artikel 6:116 lid 1 BW moet worden betaald aan de woonplaats van de schuldeiser. Deze regel is van toepassing, omdat er geen andere wettelijke regeling van toepassing is en er geen gewoonte of rechtshandeling is gesteld waaruit een andere regeling blijkt. Dit betekent dat het geldbedrag moet worden betaald aan de woonplaats van de schuldeiser, [naam verweerster] , in Nederland.

Conclusie met betrekking tot rechtsmacht

5.7.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat deze rechtbank op grond van artikel 7, aanhef en onderdeel 1, Brussel I bis-Vo bevoegd is van de vorderingen 3 tot en met 5 van [verweersters] in de hoofdzaak kennis te nemen. Vordering 6 is ook een verbintenis uit overeenkomst, namelijk een schadevergoeding vanwege het niet nakomen ervan, waarop artikel 7, aanhef en onderdeel 1, Brussel I bis-Vo eveneens van toepassing is.

Misbruik van procesrecht?

5.8.

Het betoog in onderdeel 30 van de conclusie in het incident van Socio en [naam eiser] is gebaseerd op het aannemen van rechtsmacht op grond van samenhang tussen vorderingen. De rechtbank is echter van oordeel dat er, los van de samenhang tussen de vorderingen 1 en 2 enerzijds, en 3 tot en met 6 anderzijds, rechtsmacht is voor de vorderingen 3 tot en met 6. Dat betekent dat er ook rechtsmacht is indien de vorderingen 1 en 2 niet zouden zijn ingediend. Van enig misbruik van procesrecht is geen sprake.

Afronding

5.9.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering van Socio en [naam eiser] in het incident wordt afgewezen.

5.10.

Socio en [naam eiser] zullen als de in het ongelijk gestelde partijen, hoofdelijk, worden veroordeeld in de kosten van het incident, neerkomend op € 543,00 (1 punt × tarief II) aan salaris voor de advocaat van [verweersters]

5.11.

Socio en [naam eiser] hebben verzocht om tussentijds hoger beroep in te mogen stellen tegen het tussenvonnis indien de rechtbank daarin oordeelt dat zij bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen.

5.11.1.

De rechtbank zal geen tussentijds hoger beroep toestaan. Mede gelet op de omstandigheid dat dit verzoek op geen enkele wijze is onderbouwd, ziet de rechtbank geen aanleiding om in dit geval af te wijken van het wettelijk uitgangspunt dat hoger beroep tegen een dergelijke beslissing niet open staat. De efficiënte procesvoering zou door tussentijds appel voorts onredelijk worden vertraagd en belemmerd.

5.11.2.

Het verzoek met betrekking tot het gunnen van een andere termijn dan gebruikelijk voor het dienen van antwoord in de hoofdzaak, beschouwt de rechtbank als een voorwaardelijk verzoek. Het is immers alleen gedaan voor het geval tussentijds hoger beroep toestaat. Nu dat niet het geval is, komt de rechtbank aan de beoordeling van het verzoek niet toe, zodat de gebruikelijke termijn voor het nemen van een conclusie van antwoord zal worden gehanteerd.

5.12.

Ten slotte merkt de rechtbank op dat voor zover is geoordeeld over eventuele inhoudelijke aspecten van deze zaak, de beoordeling in een incident een voorlopig karakter draagt. De rechter in de hoofdzaak is aan dat oordeel niet gebonden.

6. De beslissing

De rechtbank

in het incident

6.1.

wijst de vordering af;

6.2.

veroordeelt Socio en [naam eiser] hoofdelijk in de kosten van het incident, aan de zijde van [verweersters] tot op heden begroot op € 543,00;

in de hoofdzaak

6.3.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 29 juli 2020 voor het nemen van een conclusie van antwoord door Socio c.s.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. J. van den Bos en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2020.

3242/1977/1407