Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:7416

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-08-2020
Datum publicatie
26-08-2020
Zaaknummer
C/10/600900 / FA RK 20-5462
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek tot rechterlijke machtiging tot opname en verblijf voor de duur van vijf jaren. Al jaren sprake van een onveranderd toestandsbeeld. De verwachting is dat het toestandsbeeld onveranderd zal blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM


Team familie

Zaak-/rekestnummer: C/10/600900 / FA RK 20-5462

Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 7 augustus 2020 betreffende een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf als bedoeld in artikel 24 van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (hierna: Wzd)

op verzoek van:

het CIZ,

met betrekking tot:

[naam cliënt] ,

geboren op [geboortedatum cliént] ,

hierna: cliënt,

thans verblijvende in Stichting Zuidwester, locatie Oosterschelde te Middelharnis,

advocaat mr. H.M. Schwab te Rotterdam.

1. Procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift van het CIZ, ingekomen ter griffie op 21 juli 2020.

Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:

  • -

    het indicatiebesluit op grond van artikel 3.2.3. van de Wet langdurige zorg van 6 februari 2012;

  • -

    de medische verklaring, opgesteld en ondertekend door [naam arts 1] , arts, van 27 mei 2020;

  • -

    de aanvraag voor een rechterlijke machtiging van 25 juni 2020;

  • -

    de verklaring van de zorgaanbieder Stichting Zuidwester van de accommodatie waarin cliënt is opgenomen van 1 mei 2020;

  • -

    een afschrift van het zorgplan van 8 november 2019;

  • -

    een uittreksel uit het curateleregister.

1.2.

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2020. Bij die gelegenheid zijn (overeenkomstig artikel 2 lid 1 van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid) via beeld- en geluidverbinding gehoord:

  • -

    cliënt met zijn hiervoor genoemde advocaat;

  • -

    [naam arts 2] , arts verstandelijk gehandicapten, verbonden aan Stichting Zuidwester te Middelharnis;

  • -

    [naam 1] , woonbegeleider van cliënt, en [naam 2] , zorgverantwoordelijke en gedragsdeskundige, beiden verbonden aan Stichting Zuidwester te Middelharnis;

  • -

    de ouders (tevens curatoren) van cliënt.

2. Beoordeling

2.1.

Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat cliënt lijdt aan niet-aangeboren hersenletsel. Bij besluit van 20 april 2020, houdende wijziging van het Besluit zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten in verband met het aanwijzen van ziekten en aandoeningen die gelijkgesteld worden met een psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap (Stb. 2020, 129.) volgt uit artikel 1a.1 lid 1 sub c dat niet-aangeboren hersenletsel, indien dit letsel bij de cliënt een neurocognitieve stoornis veroorzaakt met daaruit voortkomende significante beperkingen overeenkomstig die van een verstandelijke handicap, kan worden gelijkgesteld met een verstandelijke handicap.

2.2.

Het gedrag van cliënt leidt als gevolg van deze aandoening tot ernstig nadeel. Het ernstig nadeel is gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische, materiële, immateriële of financiële schade, ernstige verwaarlozing of maatschappelijke teloorgang en op de bedreiging van de veiligheid van cliënt al dan niet doordat hij onder invloed van een ander raakt.

Als gevolg van een verkeersongeval in 1999 is bij betrokkene sprake van niet-aangeboren hersenletsel, waardoor hij sindsdien onafgebroken is opgenomen geweest in diverse accommodaties - vanaf 2005 op grond van een rechterlijke machtiging. Het niet-aangeboren hersenletsel heeft bij cliënt onder meer gedragsproblemen, te weten fysieke agressie, seksueel ontremd gedrag en suïcidale gedachten, doen ontstaan. Deze gedragsproblemen zijn de afgelopen jaren in diverse accommodaties waargenomen. Het vergaren van gevaarlijke voorwerpen, onder andere messen en schroevendraaiers, en het feit dat cliënt zich bij tijd en wijle aan behandeling wil onttrekken en buiten de accommodatie wil verblijven, doen ernstig nadeel voor cliënt zelf, maar ook voor anderen ontstaan. Hoewel het op dit moment redelijk goed gaat met cliënt, en hij hierdoor meer vrijheden en minder beperkende maatregelen krijgt, blijft het toestandsbeeld bij cliënt hetzelfde. Er zijn periodes dat het goed gaat, maar het kan ook slechter gaan als bepaalde dingen niet lukken. Op zulke momenten ziet cliënt het leven niet meer zitten, laat hij alles vallen en let hij niet meer op zijn veiligheid, waardoor het ernstig nadeel zich dreigt te manifesteren. Dat wisselend beeld, waarin het soms goed en soms slecht gaat met cliënt, is de afgelopen periode regelmatig waargenomen.

Ter zitting is door de arts naar voren gebracht dat het toestandsbeeld van cliënt niet in hoofdlijnen zal verbeteren. Het toestandsbeeld is ondanks langdurige behandeling en passende zorg sinds het verkeersongeval in hoofdlijnen onveranderd gebleven. Cliënt zal voor de rest van zijn leven behandeling en zorg nodig hebben, aldus de arts ter zitting.

2.3.

De opname en het verblijf zijn noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Het gaat nu redelijk goed met cliënt. De arts verklaart ter zitting dat de rechterlijke machtiging rust en duidelijkheid geeft voor cliënt.

2.4.

Er zijn op dit moment geen minder ingrijpende mogelijkheden om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. De verwachting van de arts is dat het weliswaar noodzakelijk is dat cliënt voor de rest van zijn leven op grond van een rechterlijke machtiging behandeld moet worden, maar dat neemt niet weg dat hij in de toekomst wellicht meer vrijheden kan krijgen. Er wordt om die reden elke drie maanden bekeken of dit op dat moment valt te realiseren.

De woonbegeleider verklaart hierbij dat hoe stabieler het toestandsbeeld van cliënt is, hoe groter de kans aanwezig is dat dit valt te realiseren.

2.5.

Gebleken is dat cliënt zich verzet tegen opname en verblijf in de accommodatie. In het verleden is gebleken dat cliënt zich veelvuldig onttrok aan behandeling en zorg en dat hij bovendien heeft getracht meerdere keren weg te lopen uit de accommodatie. Hoewel er op dit moment geen duidelijk verzet is tegen opname en verblijf in de accommodatie, achten cliënt en zijn ouders een rechterlijke machtiging toch van belang aangezien er snel en goed ingegrepen kan worden in geval het toestandsbeeld wederom zal verslechteren waarbij het ernstig nadeel zal herleven. Cliënt zal zich in die fase hetzelfde onttrekkings- en wegloopgedrag als in het verleden vertonen. Het vorenstaande leidt ertoe dat cliënt zich aldus verzet tegen opname en verblijf in de accommodatie.

2.6.

Door verzoeker is een rechterlijke machtiging voor de duur van vijf jaren verzocht. Normaliter kan een eerste rechterlijke machtiging tot opname en verblijf op de voet van artikel 39 lid 4 Wzd maximaal voor de duur van zes maanden worden verleend. Een uitzondering hierop staat gegeven in artikel 76 lid 2 Wzd, welk artikel bepaalt dat een rechterlijke machtiging in het kader van de Wet bijzondere opneming in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz) wordt gelijkgesteld met een besluit tot opname en verblijf in het kader van de Wzd, met dien verstande dat de cliënt op dat moment een rechterlijke machtiging heeft op grond van de Wet Bopz. Dit betekent dat er een rechterlijke machtiging voor een langere duur kan worden verstrekt. In geval van een verstandelijke handicap kan er normaliter een eerstvolgende machtiging worden verleend met een geldigheidsduur van ten hoogste twee jaren. De achtergrond bij deze bepaling is dat er bij een verstandelijke handicap sprake kan zijn van een verbetering van het toestandsbeeld, waardoor er opnieuw een beoordeling van de machtiging plaats moet vinden. Aangezien de problematiek bij cliënt vergelijkbaar is met een verstandelijke handicap, zou dat betekenen dat er een machtiging voor de duur van twee jaren kan worden verleend. Bij cliënt is echter, zoals uit het voorgaande blijkt, sprake van een al sinds lange tijd onveranderd toestandsbeeld. Cliënt verblijft al sinds 2005 met een rechterlijke machtiging in diverse accommodaties en er is geen verandering waargenomen. Uit de stukken blijkt, en ter zitting is door de arts toegelicht, dat er geen verandering plaats zal gaan vinden. Daarbij is ter zitting besproken dat het de uitdrukkelijke wens van cliënt en zijn ouders is dat er een machtiging voor de duur van vijf jaren zal worden verleend. De zitting bij de rechtbank en de voorbereiding daarvan levert voor cliënt namelijk de nodige spanningen op. De advocaat heeft zich hieraan gerefereerd.

Gelet op al het voorgaande, zal de rechtbank - zoals verzocht - een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf als bedoeld in de Wzd verlenen voor de duur van vijf jaren.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1.

verleent een machtiging tot opname en verblijf ten aanzien van [naam cliënt] voornoemd;

3.2.

bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 7 augustus 2025.

Deze beschikking is op 7 augustus 2020 mondeling gegeven door mr. D.I. Hendriks-van Wel, rechter, in tegenwoordigheid van M. Mesiha, griffier, en op 17 augustus 2020 schriftelijk uitgewerkt en getekend.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.