Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:7402

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-08-2020
Datum publicatie
25-08-2020
Zaaknummer
10/651001-20 (feiten 1, 2 en 6) / vordering TUL VV: 10/661035-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdstrafrecht. Veroordeling voor diefstal met geweld in vereniging, het voorhanden hebben van een kapmes en verduistering. Oplegging van een jeugddetentie voor de duur van 80 dagen, waarvan 28 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van het voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd

Parketnummer: 10/651001-20 (feiten 1, 2 en 6)

Parketnummer vordering TUL VV: 10/661035-19

Datum uitspraak: 6 augustus 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] 2001 te [geboorteplaats verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] ( [postcode verdachte] ) te [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in:

P.I. Rotterdam, locatie Hoogvliet,

raadsvrouw mr. H. Yilmaz, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 23 juli 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Afsplitsing feiten

De rechtbank heeft ter terechtzitting van 23 juli 2020 bevolen dat de onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten worden afgesplitst van de feiten 1, 2 en 6. De behandeling van die feiten is aangehouden voor onbepaalde tijd en de zaak is verwezen naar de rechter-commissaris in verband met het horen van getuigen. Hiervan is een afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.

4. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. H.J. du Croix heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 6 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 52 dagen met aftrek
    van het voorarrest.

5. Waardering van het bewijs

5.1.

Feit 1 - bewijswaardering

5.1.1.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte voor het onder 1 ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is. De verdachte wordt alleen door de aangever aangewezen als een van de twee personen die hem heeft overvallen. De screenshots van de camerabeelden zijn onvoldoende duidelijk en van slechte kwaliteit en een herkenning van de verdachte aan de hand hiervan is niet mogelijk. Daarnaast komt het signalement dat is opgegeven door de aangever niet overeen met het signalement van de persoon op de camerabeelden en zijn de op de telefoon van de verdachte aangetroffen gesprekken onvoldoende bewijs om te kunnen concluderen dat de verdachte betrokken is geweest bij hetgeen ten laste is gelegd. Er zijn immers geen berichten op de telefoon aangetroffen waaruit blijkt dat de verdachte in contact was met de aangever. Ook de aangever zelf heeft geen bewijsmateriaal kunnen aanleveren waaruit blijkt dat hij contact heeft gehad met de verdachte.

5.1.2.

Beoordeling

Uit de verklaring van de aangever [naam slachtoffer 1] volgt dat hij op 5 december 2019 via Instagram een afspraak heeft gemaakt om vuurwerk te kopen. Hierbij is een bedrag van
€ 250,-- afgesproken tussen de aangever en de verkoper. De aangever heeft de verkoper ontmoet en is met hem de Imkerstraat ingelopen. In een doorgang naar de Griendwerkerstraat verscheen een tweede jongen. De aangever verklaart van achter te zijn vastgepakt door de verkoper. De tweede jongen zou de aangever van voor hebben vastgepakt en vervolgens het geld, te weten een bedrag van € 250,--, uit de binnenzak van de aangever hebben gepakt.

De aangever heeft de dader herkend op een foto op een Instagramaccount. Verbalisant [naam verbalisant 1] herkent op deze foto duidelijk de verdachte. Wanneer de telefoon van de verdachte wordt onderzocht door de politie wordt dezelfde foto als op het Instagramaccount op de telefoon van de verdachte gevonden. Verdere herkenning van de verdachte volgt wanneer verbalisant [naam verbalisant 2] de camerabeelden bekijkt. [naam verbalisant 2] herkent de verdachte aan zijn postuur, houding, gedrag en loopje. Uit onderzoek naar de telefoon van de verdachte is gebleken dat de verdachte het telefoonnummer van de aangever heeft opgeslagen in zijn contactenlijst. Dat de verdachte de aangever niet zou kennen acht de rechtbank dan ook ongeloofwaardig. Het signalement van de verdachte past in het signalement van de persoon op de camerabeelden.

5.1.3.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

5.2.

Feit 2 – bewijswaardering

5.2.1.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte voor het onder 2 ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken. De verdachte heeft verklaard dat hij op geen enkele wijze de bedoeling had om het mes bij zich te dragen. Hij heeft het mes enkel getoond aan een vriend. Hij stond op dat moment op zijn eigen erf. Gelet op die omstandigheden dient de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

5.2.2.

Beoordeling

Uit onderzoek is gebleken dat het in beslag genomen mes een wapen is in de zin van artikel 2, eerste lid, Categorie IV, onder 7°, van de Wet wapens en munitie. Het betreft een kapmes met een lemmet van ongeveer 61,5 centimeter lang. Op de fotobijlagen bij het proces-verbaal van bevindingen van 28 december 2019 is te zien dat het kapmes uit de hoes is gehaald. De meldster verklaart dat de verdachte met het kapmes stond te zwaaien. De fotobijlagen ondersteunen de verklaring van de meldster, in die zin dat op de foto’s is te zien dat de verdachte het kapmes met zijn linkerarm over zijn rechterschouder naar achteren zwaait. De rechtbank is van oordeel dat een dergelijk voorwerp kan worden aangemerkt als voorwerp waarvan - gelet op de aard en de omstandigheden waaronder het is aangetroffen - redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het voor geen ander doel is bestemd dan om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen.

Het verweer van de raadsvrouw dat de verdachte zich niet op de openbare weg bevond, wordt door de rechtbank verworpen. De gedraging van de verdachte zoals hiervoor omschreven was zichtbaar vanaf de openbare weg en is door de meldster waargenomen.

De verdachte liep naar een auto die zich op de straat bevond tegenover de woning van de verdachte. Daarbij komt dat op de fotobijlage op pagina 3 duidelijk te zien is dat de verdachte zich met het mes op de stoep, en daarmee dus op de openbare weg bevond.

5.2.3.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

5.3.

Feit 6 – bewijswaardering

5.3.1.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte voor het onder 6 ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken. De verdachte ontkent en betwist het geld van aangever [naam slachtoffer 2] te hebben verduisterd. Het ontbreekt aan direct bewijs waaruit zou blijken dat de verdachte het geld van de aangever heeft gekregen dan wel het geld heeft verduisterd. Voorts is de verdediging van oordeel dat de door de aangever afgelegde verklaringen ongeloofwaardig zijn. De door de aangever verstrekte bankafschriften komen niet overeen met de verklaringen die door hem zijn afgelegd. Ook verklaren deze afschrijvingen niet dat er geld zou zijn verduisterd. De verklaringen van de aangever zijn onsamenhangend en tegenstrijdig. Bepaalde onderdelen van zijn verklaring zijn in strijd met het onderzoek door de politie. Niet staat vast dat de inhoud van de op de telefoon aangetroffen chatgesprekken slaan op de aangever. Nu het ontbreekt aan voldoende wettig en overtuigend bewijs, dient de verdachte te worden vrijgesproken van het onder 6 ten laste gelegde.

5.3.2.

Beoordeling

Door aangever [naam slachtoffer 2] is aangifte gedaan van verduistering van geldbedragen door de verdachte. De aangever en de verdachte kennen elkaar van school. De aangever heeft verklaard dat hij, op verzoek van de verdachte, meerdere geldbedragen heeft gepind, om deze geldbedragen vervolgens af te geven aan de verdachte. Ook heeft de aangever verklaard dat de verdachte zelf met de pinpas van de aangever een geldbedrag heeft gepind, waarna hij zich dit geldbedrag heeft toegeëigend. De aangever heeft verklaard dat de verdachte het geld van hem wilde lenen en hij zou dan later meer geld van de verdachte terugkrijgen. Het overgrote deel van de geldbedragen zou zijn gepind bij een pinautomaat bij het casino. Vervolgens zouden de aangever en de verdachte naar het casino zijn gegaan. De aangever heeft verklaard dat hij het geld tot op heden niet heeft teruggekregen van de verdachte.

Hoewel de aangever niet geheel consistent is in zijn afgelegde verklaringen bij de politie, heeft de rechtbank, anders dan de raadsvrouw, geen reden om te twijfelen aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen. De verklaringen van de aangever worden ondersteund door de door hem overgelegde bankafschriften, behorende bij het rekeningnummer van de verdachte. Hieruit blijkt dat op 12 oktober 2019 in een zeer kort tijdsbestek, slechts enkele minuten na elkaar, 5 keer een (groot) geldbedrag van de bankrekening van de aangever werd gepind. Ook op 14 oktober 2019 en op 23 oktober 2019 werd een geldbedrag van de bankrekening van de aangever gepind. Het gaat hierbij om een totaalbedrag van € 800,--. Voorts vinden de verklaringen van de aangever steun in de diverse chatgesprekken die zijn aangetroffen op de telefoon, die bij de aanhouding van de verdachte in beslag is genomen. De rechtbank stelt vast dat in de aangetroffen chatgesprekken door de verdachte wordt gesproken over de aangever en het casino.

Gelet op de verklaringen van de aangever, gezien in onderling verband en in samenhang met de overige bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte een totaalbedrag van € 800,-- van de aangever heeft verduisterd.

5.3.3.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte het onder 6 ten laste gelegde heeft begaan.

5.4.

Bewezenverklaring feiten 1, 2 en 6

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 6 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 5 december 2019 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

een geldbedrag van 250 euro, toebehorende aan [naam slachtoffer 1] , welke diefstal werd voorafgegaan van geweld tegen die [naam slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, welk geweld bestond uit het van achteren en van voren vastpakken van die [naam slachtoffer 1] ;

2.

hij op 28 december 2019 te Rotterdam

op de openbare weg, te weten de [plaats delict] ,

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie IV onder 7° van de Wet

wapens en munitie, te weten een kapmes,

zijnde een voorwerp waarvan, gelet op de aard en/of de omstandigheden

waaronder dit voorwerp werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen

dat het voor geen ander doel bestemd was dan om letsel aan personen toe te

brengen of te dreigen, heeft gedragen;

6.

hij op tijdstip(pen) in de periode van

12 oktober 2019 t/m 3 november 2019 te Rotterdam

Opzettelijk een hoeveelheid (contant) geld,

toebehorende aan [naam slachtoffer 2] , welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten door die [naam slachtoffer 2] te vragen geld voor hem, verdachte te pinnen,

waarna die [naam slachtoffer 2] hem verdachte telkens de gepinde geldbedragen heeft

overhandigd, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

6. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1. diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

2. handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

3. verduistering

7. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

8. Motivering straf

8.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

8.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich binnen een korte periode schuldig gemaakt aan een drietal strafbare feiten.

De verdachte heeft zich allereerst samen met een ander schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld. Het slachtoffer [naam slachtoffer 1] is door hen vastgepakt, waarna een geldbedrag uit zijn binnenzak is weggenomen. Hiermee heeft de verdachte zich niet alleen het eigendom van een ander toegeëigend, maar is tevens inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke delicten zich nog lang onveilig kunnen voelen als zij zich op straat begeven. Daarnaast veroorzaakt een dergelijk feit gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een kapmes op de openbare weg. Door het voorhanden hebben van een dergelijk mes had de verdachte een wapen ter beschikking waarmee kan worden gedreigd en potentieel aanzienlijk of dodelijk letsel aan derden kan worden toegebracht. Dergelijke wapens kunnen gevoelens van angst en onveiligheid teweegbrengen bij de mensen die hiermee worden geconfronteerd, maar ook in de samenleving als geheel. Het ongecontroleerde bezit van wapens leidt veelal tot het plegen van ernstige geweldsdelicten. Daarom dient streng te worden opgetreden tegen het onbevoegd dragen daarvan.

Ten slotte heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan verduistering, door de aangever
[naam slachtoffer 2] meerdere keren een geldbedrag te laten pinnen, waarna de aangever deze geldbedragen aan de verdachte heeft afgegeven in het vertrouwen dat hij zijn geld zou terugkrijgen. De verdachte heeft dit geld niet teruggegeven, maar zelf gebruikt. Door aldus te handelen heeft de verdachte geen blijk gegeven van respect voor de eigendomsrechten van een ander. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij misbruik heeft gemaakt van de kwetsbaarheid van de verdachte. De verdachte heeft zelfzuchtig gehandeld en geen enkele rekening gehouden met de gevolgen die zijn gedrag voor het slachtoffer had. Het slachtoffer heeft niet alleen financiële schade opgelopen, ook heeft het feit gevoelens van onveiligheid en wantrouwen bij het slachtoffer teweeggebracht.

8.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

8.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van
30 juni 2020, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten.

8.3.2.

Rapportages en verklaringen van deskundigen op de terechtzitting

De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 29 april 2020. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

Uit het onderzoek door de Raad komt naar voren dat de kans op herhaling, ondanks alle eerder in civielrechtelijk en strafrechtelijk kader ingezette interventies, onverminderd hoog is. Op vrijwel alle levensgebieden komen risico’s naar voren. Er zijn ernstige zorgen op de leefgebieden gezin, relaties, vrije tijd, vaardigheden en attitude. De verdachte maakt een onverstoorbare, eigengereide en zelfbepalende indruk waarbij hij onvoldoende geraakt wordt door de negatieve consequenties die aan zijn gedrag verbonden worden. Er lijkt geen leereffect op te treden, waardoor de risico’s en de zorgen omtrent zijn persoonlijkheidsontwikkeling in stand blijven.

In augustus 2019 is er een psychologisch onderzoek verricht via het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP). Hieruit volgt dat er bij de verdachte sprake is van een autismespectrumstoornis, een ernstige norm overschrijdende gedragsstoornis en ouder-kind relatieproblemen.

De verdachte is sinds 2014 in beeld bij de hulpverlening en hij wordt sinds 2016 begeleid vanuit Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (JBRR), eerst vanuit een civielrechtelijk kader en nu vanuit een strafrechtelijk kader. Binnen beide kaders zijn de meest intensieve trajecten die beschikbaar zijn ingezet om de verdachte meer inzicht te laten krijgen in de oorzaken en gevolgen van zijn gedrag. Het is voor de verdachte moeilijk om sociale situaties goed in te schatten en hij is voornamelijk gericht op directe behoeftebevrediging. Er is sprake geweest van een plaatsing binnen de gesloten jeugdhulp, de inzet van de Harde Kern Aanpak (HKA) en elektronische controle (EC) en intensieve behandeling en begeleiding vanuit de forensische geestelijke gezondheidszorg (GGZ). De inzet van deze interventies heeft niet gemaakt dat er geen recidive meer heeft plaatsgevonden.

De verdachte is opnieuw met politie in aanraking gekomen en hij laat onverminderd grensoverschrijdend gedrag zien. Hij heeft de neiging om zijn eigen mogelijkheden en vaardigheden sterk te overschatten en maakt de indruk moeilijk om te kunnen gaan met tegenslag en frustratie. Daarbij is zijn vriendenkeuze een zeer grote risicofactor.

De verdachte is op 20 februari 2020 geschorst, met als bijzondere voorwaarde EC. Door JBRR is een tijdschema opgesteld. Ook moet de verdachte zich houden aan zijn afspraken in het kader van zijn begeleiding en behandeling vanuit De Waag en dient hij zijn schoolopleiding voort te zetten. JBRR heeft geconstateerd dat de verdachte zich niet aan alle afspraken houdt, nu er meerdere meldingen zijn dat hij zijn tijd- en gebiedsafspraken heeft overtreden. De verdachte werkt wel mee aan de behandeling vanuit De Waag, maar de inzet hiervan heeft tot op heden niet tot een gedragsverandering geleid.

Enerzijds acht de Raad het positief dat de verdachte (tot op zekere hoogte) meewerkt aan de

behandeling vanuit De Waag. Anderzijds wordt hij opnieuw verdacht van meerdere ernstige strafbare feiten en zijn de zorgen omtrent zijn ontwikkeling onverminderd hoog.

Er is voor de verdachte al veel ingezet in het jeugdstrafrecht. De jarenlange pedagogische insteek lijkt onvoldoende toereikend. Gelet op de ernst en de meerdere delicten waarvan de verdachte wordt verdacht, acht de Raad een deels voorwaardelijke jeugddetentie en begeleiding vanuit de volwassenreclassering passend. Hierbij stelt de Raad reclasseringsbegeleiding door Reclassering Nederland of Stichting Leger des Heils voor. Gedurende de reclasseringscontacten dient er voortdurend aandacht te blijven voor de dagbesteding en de vriendenkeuze van de verdachte om recidive voorkomen. De bijzondere voorwaarden die de Raad adviseert bij een voorwaardelijke jeugddetentie zien op een dagbesteding en de behandeling bij De Waag of een soortgelijke GGZ-instelling. Tevens dient EC te worden opgelegd.

De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

Door mw. [naam persoon] , werkzaam bij de gecertificeerde instelling JBRR, is ter zitting naar voren gebracht dat JBRR sinds 2016 betrokken is bij de verdachte, eerst in het kader van een ondertoezichtstelling. De diagnose autismespectrumstoornis, die is gesteld na psychologisch onderzoek door het NIFP, wordt door de verdachte en zijn moeder ontkend. De verdachte is zijn afspraken bij De Waag nagekomen. Het is van belang dat hij zijn behandeling bij De Waag voortzet en dat er ook aandacht is voor de gestelde diagnose. Bekeken moet worden wat de onderliggende oorzaak is van het gedrag en handelen van de verdachte. Er is sprake geweest van schoolverzuim. Het is van belang dat de verdachte zijn schoolgang hervat. Onduidelijk is of hij opnieuw een kans krijgt en kan starten op zijn oude school. JBRR heeft alles binnen het kader van de ondertoezichtstelling en de jeugdreclasseringsmaatregel ingezet om het recidiverisico te verminderen. Geconcludeerd kan worden dat dit niet is gelukt. Er is reeds meerdere keren EC ingezet. De meerwaarde hiervan is dat gecontroleerd kan worden of hij ’s avonds op het afgesproken tijdstip thuis komt.

8.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Toepassing van het jeugdstrafrecht

Krachtens artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht, kan de rechtbank - ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren doch niet die van 23 jaren heeft bereikt - recht doen overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg, indien de rechtbank daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of in de omstandigheden waaronder het feit is begaan.

De rechtbank stelt vast dat de verdachte het onder 2 bewezenverklaarde feit heeft gepleegd toen hij (net) de leeftijd van 18 jaren had bereikt. Gelet op de genoemde rapportages en de geschetste persoonlijkheid van de verdachte, zal de rechtbank ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht het jeugdstrafrecht toepassen.

Straf

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd en heeft zij ten nadele van de verdachte rekening gehouden met zijn strafblad.

De rechtbank zal echter afzien van het opleggen van een onvoorwaardelijke jeugddetentie die de voorlopige hechtenis overschrijdt.

Nu de Raad en de jeugdreclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk achten, zal de rechtbank een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. De rechtbank ziet te weinig meerwaarde in het opleggen van EC als bijzondere voorwaarde, te meer nu dit het risico met zich brengt dat bij overtreding hiervan en het mogelijke gevolg van die overtreding de behandeling bij De Waag zal stagneren. Dit acht de rechtbank onwenselijk. Het voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Algemene afsluiting

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

9. Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

Benadeelde partij [naam slachtoffer 1] :

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 250,-- aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Benadeelde partij [naam slachtoffer 2] :

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam slachtoffer 2] , ter zake van het onder 6 tenlastegelegde feit.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 1.000,-- aan materiële schade en een bedrag van € 160,-- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.1.

Standpunt officier van justitie

Benadeelde partij [naam slachtoffer 1] :

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] geheel toegewezen dient te worden, hoofdelijk, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Benadeelde partij [naam slachtoffer 2] :

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] voor wat de materiële schade betreft tot een bedrag van € 800,-- toegewezen dient te worden. Uit de bankafschriften die deel uitmaken van het politiedossier volgt dat een bedrag van € 800,-- is gepind in de periode die ten laste is gelegd. Voor wat de immateriële schade betreft dient de vordering van de benadeelde partij geheel toegewezen te worden. Het te betalen bedrag vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.2.

Standpunt verdediging

Benadeelde partijen [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] :

Door de raadsvrouw van de verdachte is verzocht om de vordering van beide benadeelde partijen af te wijzen, nu de verdachte niet schuldig is aan de ten laste gelegde feiten en hiervoor dient te worden vrijgesproken.

9.3.

Beoordeling

Benadeelde partij [naam slachtoffer 1] :

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht, de gevorderde schadevergoeding de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt en door de verdachte niet voldoende gemotiveerd is weersproken, zal de vordering worden toegewezen.

Nu de verdachte het strafbare feit, ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend, samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 5 december 2019.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Benadeelde partij [naam slachtoffer 2] :

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 6 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de vordering genoegzaam is onderbouwd, zal deze gedeeltelijk worden toegewezen. De rechtbank is met de officier van justitie eens dat een bedrag van € 800,-- toewijsbaar is. Het overige deel van de vordering dat betrekking heeft op de materiële schade is onvoldoende onderbouwd. Nader onderzoek hiernaar levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 6 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal op dit moment op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 160,--.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 12 oktober 2019.

Nu de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

9.4.

Conclusie


Benadeelde partij [naam slachtoffer 1] :

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 250,--, vermeerderd met de wettelijke rente.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

Benadeelde partij [naam slachtoffer 2] :

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 960,--, vermeerderd met de wettelijke rente.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

10. Vordering tenuitvoerlegging

10.1.

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 29 augustus 2019 van de meervoudige kamer van deze rechtbank is de verdachte veroordeeld voor zover van belang tot een jeugddetentie voor de duur van 170 dagen met aftrek, waarvan een gedeelte groot 60 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 13 september 2019.

10.2.

Beoordeling

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. De rechtbank zal hiervan afzien en in plaats daarvan de proeftijd verlengen met een jaar, zoals is gevorderd door de officier van justitie.

11. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 77a, 77c, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 312 en 321 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 27 en 54 van de Wet wapens en munitie.

12. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

13. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 6 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 80 (tachtig) dagen;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie groot 28 (achtentwintig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op 2 (twee) jaren;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    gedurende de proeftijd een zinvolle dagbesteding heeft en behoudt, zoals het volgen van onderwijs;

  • -

    gedurende de proeftijd zijn medewerking verleent aan behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:

  • -

    de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

  • -

    de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

geeft opdracht aan Leger des Heils Reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] , te betalen een bedrag van € 250,-- (zegge: tweehonderdvijftig euro), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 5 december 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader van de verdachte aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] , zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] te betalen € 250,-- (hoofdsom, zegge: tweehonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf
5 december 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening;

beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van
€ 250,-- vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 0 (nul) dagen;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

veroordeelt de verdachte, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] , te betalen een bedrag van € 960,-- (zegge: negenhonderdzestig euro), bestaande uit € 800,-- materiële schade en € 160,-- immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 12 oktober 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering;

bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 960,-- (hoofdsom, zegge: negenhonderdzestig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 oktober 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening;

beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van
€ 960,-- vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 0 dagen;

verlengt de proeftijd van de bij vonnis van 29 augustus 2019 van de meervoudige kamer van deze rechtbank opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie met 1 (een) jaar.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A. Verweij, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. W.L. van der Bijl-de Jong en A. Wijsman-van Veen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R. Spaans, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 augustus 2020.

De oudste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 05 december 2019 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

een geldbedrag van 250 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [naam slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of

vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die

[naam slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of

gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of

aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk

te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of

welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het van achteren en van voren

vastpakken van die [naam slachtoffer 1] ;

2.

hij op of omstreeks 28 december 2019 te Rotterdam

op de openbare weg, te weten de [plaats delict] ,

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie IV onder 7° van de Wet

wapens en munitie, te weten een kapmes,

zijnde een voorwerp waarvan, gelet op de aard en/of de omstandigheden

waaronder dit voorwerp werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen

dat het voor geen ander doel bestemd was dan om letsel aan personen toe te

brengen of te dreigen,

heeft gedragen;

6.

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van

12 oktober 2019 t/m 3 november 2019 te Rotterdam

opzettelijk

een hoeveelheid (contant) geld (met een totaalbedrag van ongeveer 1000 euro),

in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte,

en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten

door die [naam slachtoffer 2] te vragen en/of zeggen geld voor hem, verdachte te pinnen,

waarna die [naam slachtoffer 2] hem verdachte (telkens) het/de gepinde geld(bedragen) heeft

overhandigd, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;