Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:7340

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-08-2020
Datum publicatie
24-08-2020
Zaaknummer
C/10/591017 / HA ZA 20-149
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitleg notariële akte hoe een schuld van broer aan zus moet worden voldaan, respectievelijk hoe deze schuld moet wordt verrekend tussen meerdere partijen. Aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/591017 / HA ZA 20-149

Vonnis van 19 augustus 2020

in de zaak van

1. [naam eiser 1] ,

wonende te [woonplaats eiser 1] ,

2. [naam eiser 2],

wonende te [woonplaats eiser 2] ,

eisers,

advocaat mr. G.E. Doelman te Papendrecht,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam gedaagde 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde 1] ,

2. [naam gedaagde 2],

wonende te [woonplaats gedaagde 2] ,

gedaagden,

advocaat mr. S.W. van Zijll te Rotterdam.

Partijen zullen hierna eisers en gedaagden genoemd worden. Afzonderlijk zullen partijen (mede) worden genoemd, respectievelijk: de zus, de echtgenoot, [naam gedaagde 1] en de broer. De ouders van de broer en de zus zullen in dit vonnis worden genoemd: de moeder, respectievelijk: de vader.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek

  • -

    de overgelegde producties.

1.2.

De zaak is op de rolzitting van 1 juli 2020 geplaatst voor uitlating van partijen ex art. 2.16 procesreglement (partijberaad). Geen van partijen heeft zich uitgelaten. Daarop is de zaak voor vonnis gezet, overeenkomstig het bepaalde in dit art. 2.16.

2. De feiten

2.1.

Eisers zijn echtelieden. Eiser 1 is de zus van gedaagde 2, de broer. Thans is de broer directeur-grootaandeelhouder van [naam gedaagde 1] .

2.2.

Voorheen was de vader directeur-grootaandeelhouder van [naam gedaagde 1] . In die tijd (in 1999) hebben eisers bij [naam gedaagde 1] een lening afgesloten van ƒ 1.350.000 voor de aanschaf van hun woning. Eisers hebben hiervoor aan [naam gedaagde 1] hypotheek verleend op de woning.

2.3.

De vader is overleden op 4 september 2006. De moeder is overleden op 6 augustus 2012. De moeder heeft bij testament beschikt over haar nalatenschap. In het testament zijn als erfgenamen benoemd de broer voor 1/4e deel en de zus voor 3/4e deel.

2.4.

Op 28 januari 2016 is een notariële akte van ‘boedelbeschrijving verdeling” opgemaakt. Partijen bij deze akte zijn:

- de zus, zowel in privé als in haar hoedanigheid van executeur van het testament van de moeder,

- haar echtgenoot,

- de broer,

- [naam gedaagde 1] .

2.5.

In de akte is onder meer vastgelegd dat diverse schulden en vorderingen tussen de meerdere partijen bij deze akte verrekend zullen worden en dat er daarna twee schulden resteren: 1) een schuld van de zus en haar echtgenoot aan [naam gedaagde 1] van € 721.479,32 en 2) een schuld van de broer aan de zus van € 1.142.934,74.

2.6.

Ten aanzien van deze twee resterende schulden is in de akte een vorm van meerpartijenverrekening (na cessie) afgesproken, als volgt (bladzijde 10; onderstreping door de rechtbank):

“De verschenen personen, handelend als gemeld, zijn voornemens om de verschuldigde bedragen (gedeeltelijk) te voldoen door ofwel cessie van een gedeelte van de vordering van mevrouw [naam eiser 1] op [naam gedaagde 2] aan de vennootschap, ofwel cessie van (een gedeelte van) de vorderingen van de vennootschap op de heer [naam eiser 2] en mevrouw [naam eiser 1] aan de heer [naam gedaagde 2] , waarna een beroep op verrekening wordt gedaan.

De verschenen personen, handelend als gemeld, verklaren binnen één (1) jaar na heden tot schuldverrekening zoals hiervoor gemeld over te gaan en alsdan nader overeen te komen tot welke hoogte zij de schulden gaan verrekenen. Partijen komen nu voor alsdan overeen dat tenminste de hiervoor onder 1. genoemde hypothecaire

schuld van mevrouw [naam eiser 1] en de heer [naam eiser 2] in zijn

geheel verrekend zal worden."

2.7.

Na deze vorm van verrekening blijft er nog een restschuld over van de broer aan de zus. Daarover staat in de akte (bladzijde 11):

“Aflossing

De heer [naam gedaagde 2] verplicht zich om vanaf één augustus tweeduizend zestien maandelijks een bedrag van tweeduizend euro (€ 2.000,--) af te lossen op de hoofdsom of het restant daarvan na de schuldverrekeningen zoals hierboven vermeld, bij achterafbetaling te voldoen in maandelijkse termijnen op de laatste van elke maand voor het eerst op éénendertig augustus tweeduizend zestien, dan wel het restant van de hoofdsom na de schuldverrekeningen zoals hierboven vermeld, in zijn geheel te voldoen nadat zijn woonhuis aan de [adres 1] is verkocht en geleverd dan wel nadat andere tot zijn vermogen behorende onroerende goederen of tot zijn vermogen behorende aandelen in een zogenaamde onroerend goed vennootschap zijn verkocht en geleverd.”

2.8.

De broer heeft zijn woning aan de [adres 1] inmiddels verkocht of althans (in de woorden van de broer): ‘ingeruild.’

2.9.

De zus heeft in een e-mailbericht van 21 november 2016 aan de broer medegedeeld:

Lieve broer,

hieronder de e-mail die ik je stuurde op 23 maart.

Fijn dat je het zo goed geregeld hebt dat ik elke maand keurig op tijd de rente binnenkrijg!

Straks is het einde november, wil je dan de € 1428,62 (aflossing) en de rente € 1.053,63 overmaken,

en zoals afgesproken dan vanaf december 2016 € 2.000,- aflossing en rente?

Wil je dit met [naam 1] opnemen?

We zien elkaar binnenkort bij de lunch!

Thanks en kus, je zusje.”

2.10.

Partijen hebben onderhandeld over het verlenen van medewerking door gedaagden aan royement van de hypotheek op de woning van eisers. In dit verband heeft de zus in een e-mailbericht van 10 september 2018, gericht aan [naam 2] (een vriend van de broer die als bemiddelaar optrad), medegedeeld niet in te kunnen stemmen met een eerder aanbod van de broer. Vervolgens stelt zij (onderstreping door de rechtbank):

“Wel kunnen wij akkoord gaan met het volgende:

1. Er komt een notariële onvoorwaardelijke door [naam gedaagde 2] getekende royementsvolmacht voor de gehele inschrijving -om niet-, die door ons en de notaris wordt bewaard.

2. Wij doen de toezegging dit stuk niet eerder bij het kadaster aan te bieden (lees: de inschrijving door te halen) zolang het onderpand ( [adres 2] ) niet verkocht- en geleverd wordt. Tot die tijd blijft de inschrijving dan dus gewoon gehandhaafd.

Terzijde: dit kost ons geld omdat we het pand dan niet verder kunnen belasten. Zie dit dus als een tegemoetkoming.

Dit in combinatie met het volgende:

Het bedrag in contanten dat ik nog tegoed heb wordt sneller voldaan dan het huidige tempo. Ik heb al vaak aangegeven dat het risico te groot is.

Ik wil, op welke wijze ook, dat 1 januari 2021 de einddatum is waarop dit bedrag voldaan is.

Dit kan bijvoorbeeld annuitair, of lineair. Ook een hogere vaste aflossing per maand is wat mij betreft nog steeds mogelijk. Aanbod "plukjes" komt te vervallen, al die jaren is dat slechts sporadisch gebeurd.

[naam 2] , we gaan ervan uit dat dit akkoord is, het is een eindvoorstel om eindelijk na 6 jaar financieel van elkaar los te komen en de nalatenschap van onze ouders eindelijk achter ons te laten.”

2.11.

De zus heeft bij e-mailbericht van 28 september 2018, gericht aan [naam 2] , medegedeeld:

“Ik trek het aanbod, gedaan in mijn e-mail van 10 september jl., om pas bij verkoop en levering van mijn huis aan de [adres 2] , de royementsvolmacht van de hypothecaire inschrijving van [naam gedaagde 1] aan het kadaster aan te bieden, hierbij in, omdat bij nadere expertise het volgende is gebleken:

Stel dat er iets gebeurt met [naam gedaagde 1] […]”

2.12.

[naam 2] heeft bij e-mailbericht van 29 september 2018 aan de zus medegedeeld met verbazing kennis te hebben genomen van de intrekking van haar aanbod. Het e-mailbericht eindigt met de zin:

“Waarom niet de aanvankelijke oplossing zoals recent besproken/overeengekomen?”

2.13.

De broer heeft een notariële ‘volmacht voor afstand en vervallenverklaring hypotheek algeheel’ laten opmaken, gedateerd 16 oktober 2018.

2.14.

De broer heeft de notaris bij e-mailbericht van 29 oktober 2018 medegedeeld (onderstreping door de rechtbank):

“ [..] Wat mij betreft voldoet de door jou opgemaakte volmacht welke door mij op 16 oktober 2018 is ondertekend aan hetgeen door [naam eiser 1] in onderstaande mail is voorgesteld en door mij aanvaard.

Wat betreft de aflossing van de schuld houd ik mij strikt aan de aflossing van € 2.000 per maand vanaf 1 augustus 2016 (zie boedelbeschrijving d.d. 28 januari 2016).

2.15.

Eisers hebben gedaagden verzocht en gesommeerd tot nakoming van hetgeen (gesteld) is overeengekomen in de akte van 28 januari 2016 omtrent voldoening/ verrekening van schulden. Gedaagden hebben hieraan niet voldaan.

3. De vordering

3.1.

Eisers vorderen, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagden te gebieden:

A. over te gaan tot ondertekening van een akte van cessie, conform productie 8, waarin [naam eiser 1] haar vordering op [naam gedaagde 2] privé voor een bedrag van € 721.479,32 overdraagt aan [naam gedaagde 1] ter voldoening van de schuld van eisers aan [naam gedaagde 1] binnen vijf dagen na betekening aan gedaagden van het te wijzen vonnis en de akte van cessie;

B. over te gaan tot afgifte van een door [naam gedaagde 1] deugdelijk ondertekende volmacht voor royement van de hypothecaire inschrijving voor de woning [adres 2] binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis en de akte van cessie;

C. om de akte van cessie en de royementsvolmacht deugdelijk ondertekend binnen de

gestelde termijn van vijf dagen na betekening in het bezit van eisers te stellen door afgifte aan eisers in persoon, dan wel aan de advocaat van eisers;

een en ander met veroordeling van gedaagden, ieder hoofdelijk, op straffe van verbeurte van een aan eisers te betalen dwangsom van € 10.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat

gedaagden nalaten aan dit vonnis te voldoen, met een maximum van € 844.000,-;

en voorts

D. gedaagde sub 2 te veroordelen om aan eiseres sub 1 te betalen een bedrag van

€ 122.600,- binnen veertien dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, te vermeerderen met de overeengekomen rente van € 471,50 per maand vanaf de maand volgende op de maand van de laatste rentebetaling, althans vanaf de dag der dagvaarding, althans de wettelijke rente van af de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening.

alsmede gedaagden te veroordelen in de kosten van deze procedure, met veroordeling van

gedaagden in de nakosten voor een bedrag van € 131,-, zonder betekening en

199,-, met betekening, alsmede veroordeling van gedaagden tot betaling van de wettelijke rente over de vijf proceskosten, indien gedaagden niet binnen veertien dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis tot betaling van de kostenveroordeling zijn overgegaan.

4. Het verweer

4.1.

Gedaagden voeren verweer en concluderen tot afwijzing van het gevorderde.

4.2.

De stellingen en weren zullen, waar nodig, in de beoordeling worden betrokken.

5. De beoordeling

5.1.

Het geschil komt op het volgende neer:

- eisers hebben een schuld aan [naam gedaagde 1] (een onderneming van de broer)

- de broer heeft een - grotere - schuld aan de zus

- volgens eisers is in de notariële akte meerpartijenverrekening (na cessie) overeengekomen van deze twee schulden. Eisers willen in deze procedure nakoming van deze overeenkomst afdwingen, mede om bevrijd te worden van de hypotheek die zij op hun woning verleend hebben (vorderingen A tot en met C)

- tevens vorderen eisers voldoening van de restschuld van de broer aan de zus die na deze verrekening resteert (vordering D).

vorderingen A tot en met C

5.2.

De vorderingen zullen worden toegewezen. Daarbij is het volgende van belang.

5.3.

Volgens gedaagden is verrekening slechts mogelijk tussen twee partijen terwijl in de notariële akte staat dat de onderhavige verrekening plaatsvindt tussen meer dan twee partijen. Dit verweer faalt. Op zich is juist dat in de wet staat dat de bevoegdheid tot verrekening niet bestaat ten aanzien van een vordering en een schuld die in van elkaar gescheiden vermogens vallen. Maar dat is slechts van regelend recht. Geen rechtsregel verzet zich er tegen dat partijen, zoals hier, overeen komen dat verrekening zal plaatsvinden tussen meer dan twee partijen.

5.4.

Volgens gedaagden is het nooit de bedoeling geweest ‘om simpelweg de vorderingen tegen elkaar weg te strepen.’ Volgens gedaagden staat in de notariële akte niet dat zij gehouden zijn om medewerking te verlenen aan het opstellen van een akte van cessie, dit omdat in de akte alleen maar is vastgelegd dat partijen daartoe “voornemens” zijn en dat ook de omvang van het te verrekenen bedrag nog nader moet worden overeengekomen.

5.5.

Bij de vraag wat de bedoeling is, gaat het om de uitleg van een overeenkomst. Daarbij geldt het volgende toetsingskader. De betekenis van een omstreden beding in een schriftelijke overeenkomst moet door de rechter worden vastgesteld aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden hebben mogen afleiden. Daarbij spelen de redelijkheid en billijkheid een rol.

De onderhavige overeenkomst is vastgelegd in een notariële akte. Dan kán geboden zijn om de uitleg van de overeenkomst uit te leggen op een wat objectievere manier dan hierboven wordt beschreven, dit omdat de belangen van derden dan een rol kunnen spelen. Maar hier geldt dat niet. De objectieve maatstaf voor de uitleg van notariële leverings- en vestigingsakten geldt niet voor de uitleg, zoals hier, van de daaraan ten grondslag liggende obligatoire partijafspraken. Overigens is gesteld noch gebleken dat belangen van derden een rol kunnen spelen.

5.6.

Het verweer van gedaagden over een andere bedoeling faalt. In de notariële akte is overeengekomen dat eisers binnen een jaar bevrijd zullen worden van de hypotheek die zij verleend hebben op hun woning. Dit blijkt uit de tekst: Partijen komen nu voor alsdan overeen dat tenminste de hiervoor onder 1. genoemde hypothecaire schuld van mevrouw [naam eiser 1] en de heer [naam eiser 2] in zijn geheel verrekend zal worden.” De hypotheek kan pas worden doorgehaald nadat geregeld is dat de schuld waarvoor zij is verleend, teniet is gegaan. En daarvoor is de overeengekomen akte van cessie nodig. Het is volgens de tekst van de overeenkomst dus juist wel de bedoeling geweest om de onderhavige twee vorderingen

- geheel of gedeeltelijk- (daar komt de rechtbank op terug) tegenover elkaar weg te strepen binnen een jaar. Er moet dus binnen een jaar verrekend worden.

5.7.

Gedaagden voeren aan dat in de notariële akte is overeengekomen dat partijen nog nader moeten afspreken wat er dan verrekend moeten worden, alles of slechts een deel. Dit verweer is deels juist. Er staan twee verschillende dingen in de notariële akte, die niet zonder meer met elkaar rijmen:

- volgens de in rov. 5.6. geciteerde clausule moet geheel verrekend worden;

- elders in de notariële akte (zie rov. 2.6) staat dat de schulden geheel of gedeeltelijk binnen een jaar zullen worden verrekend en dat partijen nader zullen overeenkomen tot welke hoogte verrekend zal worden.

5.8.

De vraag wat nu precies is overeengekomen - volledige dan wel gedeeltelijke verrekening binnen een jaar - is eveneens een kwestie van uitleg van de overeenkomst. Of de uitleg die gedaagden voorstaan de juiste is staat niet vast. Dit kan echter verder in het midden blijven. Ook als het verweer van gedaagden juist is kan hen dat niet baten, op grond van het volgende.

5.9.

Het contract bepaalt niet wat er moet gebeuren als niet wordt voldaan aan de verbintenis om binnen een jaar af te spreken tot welk bedrag verrekend zal worden. Het contract bevat dus in zoverre een leemte. Als een contract een leemte bevat, geldt de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid. De rechtbank acht het redelijk en billijk dat zo veel mogelijk verrekend wordt, derhalve tot het volle pond van € 721.479,32. In dit oordeel weegt mee:

- het ligt sowieso minder voor de hand om de verrekening te beperken tot een bedrag dat lager is dan mogelijk. De vordering van de zus op de broer is veel hoger dan de vordering van [naam gedaagde 1] op eisers. Door verrekening is in ieder geval voldoening van de schuld van de broer in zoverre gewaarborgd.

- het is begrijpelijk dat eisers bevrijd willen worden van de hypotheek op hun woning. Daardoor wordt de woning makkelijker verkoopbaar en kan de woning ook makkelijker bezwaard worden.

- het tijdsverloop sinds het opstellen van de notariële akte van 28 januari 2016 en van de daarin afgesproken termijn van een jaar. De schuld zal toch een keer voldaan moeten worden. Naarmate de tijd vordert wordt het belang van de zus bij voldoening van haar vordering zwaarwegender. Eisers schrijven in hun correspondentie met de broer dat ze zelf ook een jaartje ouder worden. Ook het tijdsverloop sinds het overlijden van moeder, dat nog veel ruimer is, weegt mee. Bijna vier jaar na het overlijden van moeder is pas de in geding zijnde notariële akte gepasseerd.

5.10.

Gedaagden voeren voorts aan dat zolang de broer maar voldoet aan zijn overeengekomen verplichting om maandelijks € 2.000,- af te lossen op zijn schuld (dan wel: aflost op een andere, contractueel toegestane wijze), er geen akte van cessie behoeft te worden opgemaakt. Dit verweer faalt. De aflossing met € 2.000,- per maand is geen alternatieve verbintenis maar een aanvullende verbintenis. Dit blijkt uit de zinsnede in de notariële akte over de aflossing van € 2.000,- per maand (onderstreping door de rechtbank):

“af te lossen op de hoofdsom of het restant daarvan na de schuldverrekeningen zoals hierboven vermeld.”

Gedaagden stellen ook hier geen verklaringen en/of gedragingen die hun standpunt onderbouwen dat de overeenkomst iets anders inhoudt dan er in de tekst daarvan staat.

Dit oordeel wordt niet anders door het beroep van gedaagden op een e-mailbericht van de zus van 21 november 2016 (productie 3 gedaagden). Daarin valt op geen enkele wijze te lezen dat de afspraak om binnen een jaar tot verrekening over te zullen gaan, is komen te vervallen.

5.11.

Partijen houdt voorts verdeeld of er een nadere overeenkomst is gesloten, volgens welke de oorspronkelijke afspraken in de notariële akte omtrent de wijze van aflossing/verrekening van schulden zijn komen te vervallen. Het gaat daarbij om

e-mailcorrespondentie uit de periode september 2018, met [naam 2] als bemiddelaar.

5.12.

Volgens eisers kán geen nadere overeenkomst tot stand zijn gekomen omdat zij niet eens een aanbod hebben gedaan, zodat in hun visie van aanvaarding van een aanbod ook geen sprake kan zijn. Dit standpunt faalt. De zus heeft in haar e-mailbericht van 28 september 2018 geschreven haar aanbod van 10 september 2018 in te trekken. En nu stelt zij opeens dat van een aanbod geen sprake was. Bovendien is niet van belang wat eisers bedoeld hebben. Het gaat er om hoe gedaagden de desbetreffende verklaring redelijkerwijs hebben mogen begrijpen (in de zin van artikel 3:35 BW). Gedaagden hebben het e-mailbericht van 10 september 2018 - evident - niet anders kunnen begrijpen dan als een aanbod. Aan dit oordeel doet niet af de stelling van eisers dat het aanbod slechts is gedaan via een bemiddelaar. Een aanbod via een bemiddelaar is nog steeds een aanbod.

5.13.

De volgende vraag is: is het aanbod tijdig ingetrokken? Volgens de wet kan een aanbod worden herroepen, maar dat moet dan wel gebeuren voordat het aanbod is aanvaard. Een aanvaarding die van het aanbod afwijkt geldt als een nieuw aanbod en als een verwerping van het oorspronkelijke.

5.14.

Volgens gedaagden is het aanbod aanvaard voordat het is herroepen. Gedaagden beroepen zich daarbij op het e-mailbericht van [naam 2] van 29 september 2018 waarin hij, in reactie op de intrekking van het aanbod, rept over al eerder bereikte overeenstemming. Gedaagden stellen dat [naam 2] de eerdere aanvaarding van het aanbod kan bewijzen en gedaagden doen daartoe een bewijsaanbod.

5.15.

Het verweer faalt. Uit het verweer valt niet of althans onvoldoende af te leiden dat tijdige, én volledige, aanvaarding van het aanbod heeft plaatsgevonden. De broer heeft nog net na 29 september 2018, namelijk in zijn e-mailbericht van 29 oktober 2018 aan de notaris, geschreven het aanbod van zijn zus niet volledig te willen aanvaarden. Hij schrijft immers dat hij niet bereid is om versneld te gaan aflossen op de restschuld, terwijl dat een onderdeel van het aanbod was. Dat wijst er niet op dat de broer net daarvoor nog wel genegen was het aanbod van eisers volledig te accepteren. Nu is deze verklaring weliswaar gedaan tegenover een derde en niet tegenover eisers, maar het ligt niet zonder meer in de rede dat de broer opeens van gedachten was veranderd. Onder die omstandigheden had van de broer verwacht mogen worden dat hij had gesteld op welke manier, en op welke datum, hij het aanbod onvoorwaardelijk had aanvaard. Dit doet hij niet.

Daarmee is vast komen te staan dat de broer het aanbod niet heeft aanvaard ten aanzien van het voorstel tot versneld aflossen. Dit versnelde aflossen was kennelijk voor eisers van wezenlijke betekenis. In de tekst staat dat het aanbod inzake het opmaken van de royementsverklaring wordt gedaan “in combinatie” met het voorstel om versneld af te lossen. Deze twee onderwerpen mogen dus niet los van elkaar gezien worden. De broer mag in het aanbod niet slechts het deel aanvaarden dat hem wel bevalt. Hoogstens kwalificeert de handelwijze van de broer als een tegenvoorstel. Gesteld noch gebleken is dat eisers dit tegenvoorstel hebben aanvaard.

Aan het bewijsaanbod van gedaagden wordt derhalve niet toegekomen.

5.16.

Een dwangsom komt geraden voor. De meerpartijenverrekening had moeten plaatsvinden binnen één jaar na 28 januari 2016. Thans is het 2020 en heeft deze verrekening nog niet plaatsgevonden. De dwangsomveroordeling zal worden gesplitst naar ieder van gedaagden afzonderlijk. Voor een hoofdelijke dwangsomveroordeling van gedaagden bestaat geen juridische grondslag. Bovendien acht de rechtbank een hoofdelijke dwangsom onnodig. De dwangsom zal eveneens worden gesplitst tussen de twee eisers. De ene eiser is niet zonder meer medegerechtigd tot de dwangsom waarop de andere eiser recht heeft.

De dwangsom zal worden beperkt en gematigd op na te melden wijze.

vordering D

5.17.

Eisers vorderen veroordeling van de broer tot betaling van het restantbedrag dat resteert na de voormelde meerpartijenverrekening. Ook hier houdt partijen verdeeld hoe de overeenkomst moet worden uitgelegd, met name of de vordering inmiddels volledig opeisbaar is geworden:

- volgens de broer is aan hem een keuzemogelijkheid geboden: ofwel aflossen met € 2.000,- per maand, ofwel aflossen uit de opbrengst van verkoop van zijn woning, ofwel aflossen met andere vermogensbestanddelen.

- volgens eisers moet de notariële akte anders gelezen worden. Eisers beroepen zich daarbij op een brief van de notaris van 15 januari 2016, waarmee hij de conceptakte (gesteld) naar partijen heeft gestuurd. Daarin legt de notaris uit wat de bedoeling van de akte is en deelt hij mede: “Op het moment dat de heer [naam gedaagde 2] zijn woning of ander onroerend goed verkoopt, zal hij het restant van de hoofdsom (na verrekening) in zijn geheel voldoen.” De broer betwist deze brief van de notaris ontvangen te hebben.

5.18.

Ook hier gaat het om uitleg van de overeenkomst. Bij de uitleg kan worden meegewogen dat het standpunt van een partij niet goed valt te rijmen met hetgeen kennelijk met de overeenkomst werd beoogd (HR 17 december 1976, ECLI:NL:HR:1976:AC5835, niet gepubliceerd op rechtspraak.nl, wel in NJ 1977, 241 Bunde/Erckens). Ook kan bij de uitleg meewegen hoe partijen zich feitelijk hebben gedragen bij de uitvoering van de overeenkomst.

De rechtbank is van oordeel dat het standpunt van eisers juist is, respectievelijk dat eisers hebben mogen begrijpen dat de broer zijn restschuld moest voldoen ter gelegenheid van verkoop van zijn woning. De door gedaagden bepleite uitleg van de overeenkomst ligt weinig voor de hand en past niet in de feitelijke handelwijze van de broer. De broer heeft er niet voor gekozen om, in plaats van met € 2.000 per maand af te lossen, af te lossen uit de opbrengst van verkoop van zijn woning. Aflossing uit verkoop van de woning past wel naast, maar niet in plaats van aflossing met € 2.000 per maand. Bovendien stelt de broer zich op het standpunt dat zijn woning niet is verkocht maar ingeruild (daar komt de rechtbank op terug). Dat wijst er op dat de broer zich er van bewust is dat hij bij verkoop van de woning moet afrekenen met zijn zus. De broer stelt ook niet dat de notaris aan partijen van tevoren heeft uitgelegd dat de overeenkomst een bedoeling heeft als door hem, de broer, bepleit. Een dergelijke stelling zou overigens ongerijmd zijn, nu de notaris juist een tegenovergesteld standpunt inneemt. Aldus is het verweer van de broer onvoldoende onderbouwd.

5.19.

Het verweer van de broer dat hij zijn woning niet heeft verkocht maar ‘ingeruild’ noopt niet tot een ander oordeel. Onder ‘verkoop’ dient vanzelfsprekend ook begrepen te worden: inruil. Ruil is niets anders dan koop met betaling in natura, waarbij beide partijen zowel koper als verkoper zijn (artt. 7:49 en 7:50 BW). De broer betoogt eerst bij zijn conclusie van dupliek dat verkoop/ inruil van zijn woning niets heeft opgebracht. Het verweer inzake een ongunstig resultaat van verkoop van de woning door de broer is niet goed onderbouwd. Het aanbod in dupliek om zonodig de onderliggende bescheiden over te leggen miskent dat de broer deze bescheiden al in geding had kunnen en moeten brengen (vgl. HR 9 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9204). De goede procesorde vergde dat de broer dat al bij conclusie van antwoord had gedaan.

Daar komt nog bij dat gedaagden in de conclusie van dupliek aanvoeren dat zij al wisten op het moment van ondertekening van de overeenkomst met de zus dat er geen verkoopopbrengst ten behoeve van aflossing zou resteren. De gedaagden stellen hierover in de conclusie van dupliek Des te meer reden voor hen om de overeenkomst uitsluitend te ondertekenen indien er meerdere opties werden geboden anders was de overeenkomst op voorhand al niet na te komen. Volgens de broer was dus de clausule inzake de verkoopopbrengst van zijn woning al zinloos toen deze clausule in de overeenkomst werd opgenomen. Dan is niet begrijpelijk waarom deze clausule gehandhaafd is.

5.20.

De broer beroept zich op onaanvaardbaarheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Dit beroep faalt. De lat om een dergelijke onaanvaardbaarheid aan te mogen nemen ligt hoog en die wordt in dit geval niet gehaald.

5.21.

Het vonnis zal, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Het belang van eiseres dat daarmee is gediend weegt zwaarder dan het tegenovergestelde belang van gedaagden.

5.22.

Gedaagden zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van eisers. Deze kosten worden begroot op € 5.155,96, zijnde € 1.639,- aan griffierecht, € 102,96 aan explootkosten dagvaarding en € 3.414,- aan salaris advocaat (conform de Liquidatietarieven, 2 punten, tarief V ad € 1.707,- per punt voor vorderingen van € 98.000,- tot € 195.000,-).

De proceskostenveroordeling zal worden vermeerderd met de gevorderde nakosten, die toewijsbaar zijn op de gebruikelijke wijze, en voorts met de gevorderde wettelijke rente.

6. De beslissing

De rechtbank

A. veroordeelt gedaagden over te gaan tot ondertekening van een akte van cessie, conform productie 8, waarin [naam eiser 1] haar vordering op [naam gedaagde 2] privé voor een bedrag van € 721.479,32 overdraagt aan [naam gedaagde 1] ter voldoening van de schuld van eisers aan [naam gedaagde 1] binnen vijf dagen na betekening aan gedaagden van het te wijzen vonnis en de akte van cessie;

B. veroordeelt gedaagden over te gaan tot afgifte van een door [naam gedaagde 1] deugdelijk ondertekende volmacht voor royement van de hypothecaire inschrijving voor de woning [adres 2] binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis en de akte van cessie;

C. veroordeelt gedaagden om de akte van cessie en de royementsvolmacht deugdelijk ondertekend binnen de gestelde termijn van vijf dagen na betekening in het bezit van eisers te stellen door afgifte aan eisers in persoon, dan wel aan de advocaat van eisers;

6.2.

op straffe van verbeurte van een door de broer aan de zus te betalen dwangsom van € 1.500,- per dag dat hij nalaat aan de veroordelingen A tot en met C te voldoen, met een maximum van € 60.000,-;

6.3.

op straffe van verbeurte van een door de broer aan de echtgenoot te betalen dwangsom van € 1.500,- per dag dat hij nalaat aan de veroordelingen A tot en met C te voldoen, met een maximum van € 60.000,-;

6.4.

op straffe van verbeurte van een door [naam gedaagde 1] aan de zus te betalen dwangsom van € 1.500,- per dag dat zij nalaat aan de veroordelingen A tot en met C te voldoen, met een maximum van € 60.000,-;

6.5.

op straffe van verbeurte van een door [naam gedaagde 1] aan de echtgenoot te betalen dwangsom van € 1.500,- per dag dat zij nalaat aan de veroordelingen A tot en met C te voldoen, met een maximum van € 60.000,-;

6.6.

veroordeelt de broer om aan de zus te betalen een bedrag van € 122.600,- binnen veertien dagen na betekening van onderhavig vonnis, te vermeerderen met de overeengekomen rente van € 471,50 per maand vanaf de maand volgende op de maand van de laatste rentebetaling;

6.7.

veroordeelt gedaagden in de proceskosten van eisers, tot op heden begroot op € 5.155,96, vermeerderd met € 157,- voor nasalaris zonder betekening, en, in geval betekening van het vonnis plaatsvindt, met € 82,- en de explootkosten van betekening van het vonnis, en vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf 14 dagen na betekening van onderhavig vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

6.8.

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.9.

wijst het anders of meer gevorderde af;

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Eerdhuijzen en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2020.

1

1 [2517/2294]