Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:7325

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-08-2020
Datum publicatie
21-08-2020
Zaaknummer
8595412 VZ VERZ 20-12153
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Nabetaling loon en transitievergoeding na einde dienstverband. Geen beroep op verrekening studiekostenbeding,

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-1006
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8595412 VZ VERZ 20-12153

uitspraak: 20 augustus 2020

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats verzoekster]

verzoekster,

gemachtigde: mr. A.J.M. Vélu,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE PRAKTIJKBEGELEIDERS B.V.,

gevestigd te Capelle aan den IJssel,

verweerster,

die schriftelijk heeft gereageerd.

Partijen worden hierna nader aangeduid als respectievelijk “ [verzoekster] ” en

“De Praktijkbegeleiders”.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken:

  • -

    het verzoekschrift, met bijlagen;

  • -

    het verweerschrift, met bijlagen.

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 juli 2020. [verzoekster] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. A.J.M. Vélu. Namens De Praktijkbegeleiders is niemand ter zitting verschenen.

1.3

De beschikking is bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

In de onderhavige procedure zal worden uitgegaan van de volgende vaststaande feiten.

2.1

[verzoekster] is op 15 april 2018 in dienst getreden bij De Praktijkbegeleiders in de functie van jobcoach op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van zeven maanden. De arbeidsovereenkomst is vervolgens verlengd tot 15 april 2020.

2.2

Het laatstverdiende salaris van [verzoekster] bedraagt € 2.040,00 bruto per maand,

te vermeerderen met 8% vakantietoeslag, op basis van een arbeidsomvang van 32 uur per week.

2.3

De Praktijkbegeleiders heeft de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] niet meer verlengd na 15 april 2020.

3. Het geschil

3.1

[verzoekster] heeft verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, De Praktijkbegeleiders te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.020,00 bruto aan achterstallig loon over de maand april 2020, een bedrag van € 1.851,20 bruto aan vakantietoeslag, een bedrag van € 235,36 bruto aan niet genoten verlofuren, alsmede een bedrag van € 1.360,00 bruto aan transitievergoeding, te vermeerderen met wettelijke verhoging, wettelijke rente en proceskosten, een en ander zoals in het verzoekschrift omschreven. [verzoekster] heeft daarnaast verzocht De Praktijkbegeleiders te veroordelen tot het verstrekken van een deugdelijke bruto/netto specificatie op straffe van een dwangsom.

3.2

[verzoekster] heeft - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende aan haar verzoek ten grondslag gelegd.

Ondanks diverse toezeggingen is de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] niet verlengd na 15 april 2020. De Praktijkbegeleiders heeft ondanks aanmaning daartoe bij het einde van het dienstverband niet volledig met [verzoekster] afgerekend. [verzoekster] maakt nog aanspraak op betaling van het salaris over de maand april 2020, de vakantietoeslag vanaf

1 mei 2019 en betaling van zestien openstaande verlofuren. [verzoekster] maakt daarnaast aanspraak op de wettelijke transitievergoeding.

3.3

[verzoekster] stelt voorts dat De Praktijkbegeleiders ten onrechte het bedrag dat aan haar netto toekomt heeft verrekend met een bedrag van € 3.712,50 aan studiekosten wegens een opleiding die [verzoekster] bij De Praktijkbegeleiders heeft genoten. [verzoekster] is geen studiekostenbeding overeengekomen. [verzoekster] heeft de opleiding aangeboden gekregen na afloop van haar eerste contract, in plaats van een aanvankelijk toegezegde salarisverhoging.

3.4

De Praktijkbegeleiders voert verweer en heeft - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende naar voren gebracht.

Als gevolg van de coronapandemie is De Praktijkbegeleiders genoodzaakt geweest de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] niet voort te zetten. Anders dan [verzoekster] stelt heeft De Praktijkbegeleiders wel degelijk volledig conform alle wet- en regelgeving en de met haar gemaakte afspraken afgerekend.

3.5

Volgens de administratie van De Praktijkbegeleiders heeft [verzoekster] nog een tegoed van 15,9 uur aan openstaande verlofuren tot een bedrag van € 233,89 bruto. Anders dan [verzoekster] heeft gesteld zijn de resterende verlofuren, het salaris over de maand april 2020, de vakantietoeslag en de transitievergoeding volgens De Praktijkbegeleiders wel degelijk uitbetaald. De Praktijkbegeleiders betwist uitdrukkelijk dat aan [verzoekster] een opleiding is aangeboden in plaats van een salarisverhoging. De Praktijkbegeleiders heeft een studieovereenkomst opgesteld, die zowel door haar als door [verzoekster] is ondertekend.

In deze overeenkomst is uitdrukkelijk opgenomen dat de kosten voor de opleiding voor rekening van [verzoekster] komen. De door [verzoekster] genoemde ‘cursus’ betreft een erkende HBO opleiding, die op verzoek van [verzoekster] is gevolgd en die niet noodzakelijk was voor het uitvoeren van haar functie bij De Praktijkbegeleiders.

[verzoekster] heeft zichzelf voor de opleiding opgegeven. Op grond van (artikel 4 van) de studieovereenkomst dient voor iedere maand dat het dienstverband, na het voltooien of beëindigen van de studie, korter geduurd heeft dan 40 maanden 1/40-ste deel van de toegekende tegemoetkoming te worden terugbetaald.

4. De beoordeling

4.1

De Praktijkbegeleiders heeft per e-mail van 17 juli 2020 om uitstel van de op 30 juli 2020 geplande en aan haar aangekondigde mondelinge behandeling gevraagd. Op 21 juli 2020 heeft de griffier namens de kantonrechter aan De Praktijkbegeleiders bericht dat zij aan de (gemachtigde) van de wederpartij dient te vragen of hij akkoord is met dit uitstel, en indien dit niet het geval is, de zitting van 30 juli 2020 doorgang zal vinden. Niet gebleken is dat De Praktijkbegeleiders het uitstelverzoek aan de wederpartij heeft voorgelegd. De Praktijkbegeleiders is zonder nader bericht (van verhindering) niet ter zitting verschenen.

De kantonrechter begrijpt uit die handelwijze dat De Praktijkbegeleiders uitdrukkelijk heeft willen volstaan met haar schriftelijke verweer.

4.2

Tussen partijen is in geschil de verschuldigdheid van het loon over de maand april 2020, vakantietoeslag, niet genoten verlofuren en de transitievergoeding. De Praktijkbegeleiders heeft bij haar verweerschrift een overzicht overgelegd met die bedragen die volgens haar aan [verzoekster] verschuldigd zijn en die volgens haar zijn afgerekend. Nu door

[verzoekster] is betwist dat deze bedragen zijn uitbetaald en door De Praktijkbegeleiders geen betalingsbewijzen zijn overgelegd, terwijl zij heeft verwezen naar de door haar overgelegde studieovereenkomst, begrijpt de kantonrechter het standpunt van

De Praktijkbegeleiders aldus dat zij de verschuldigde bedragen heeft verrekend met studiekosten. [verzoekster] heeft uitdrukkelijk betwist dat zij een studiekostenbeding is overeengekomen en zij heeft bovendien de authenticiteit van haar handtekening op de studieovereenkomst betwist. Namens De Praktijkbegeleiders is niemand ter zitting verschenen en zij heeft niet meer gereageerd op de stellingen van [verzoekster] . Tegenover de gemotiveerde betwisting van [verzoekster] had het op de weg van

De Praktijkbegeleiders gelegen om haar stellingen nader te onderbouwen, hetgeen zij heeft nagelaten, terwijl zij ook geen relevant en concreet bewijsaanbod ter zake heeft gedaan.

In die situatie is als onvoldoende onderbouwd niet vast komen te staan dat partijen een studiebeding zijn overeengekomen en komt aan De Praktijkbegeleiders op grond van dit beding geen beroep op verrekening toe. Daarbij komt nog dat de tekst van artikel 4 van de studieovereenkomst (“Terugbetalingsverplichting”) geen aanknopingspunten bevat voor de door De Praktijkbegeleiders voorgestane uitleg, namelijk dat de kosten van de gevolgde opleiding in ieder geval voor rekening van [verzoekster] komen. Van een van de drie in artikel 4 genoemde situaties is geen sprake, nu de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] immers op 15 april 2020 afliep en deze vervolgens door De Praktijkbegeleiders niet is voortgezet.

4.3

Nu De Praktijkbegeleiders de verschuldigdheid van de door [verzoekster] gevorderde posten in zoverre niet heeft betwist en zij voor het overige niets heeft aangevoerd dat tot haar verweer kan dienen, zijn deze toewijsbaar, waarbij rekening is gehouden met het volgende. [verzoekster] heeft de door De Praktijkbegeleiders berekende saldo aan niet genoten verlofuren van 15,9 als juist erkend. Resumerend is daarmee toewijsbaar een bedrag van € 1.020,00 bruto aan achterstallig loon over de maand april 2020, een bedrag van € 1.851,20 bruto aan vakantietoeslag en een bedrag van € 233,89 bruto aan niet genoten verlofuren.

4.4

Uit artikel 7:673 lid 1 sub 3 BW volgt voorts dat de werkgever aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd is, indien de arbeidsovereenkomst na een einde van rechtswege op initiatief van de werkgever niet aansluitend is voortgezet en voor het einde van de arbeidsovereenkomst geen opvolgende arbeidsovereenkomst is aangegaan. Aan deze voorwaarde is voldaan en [verzoekster] heeft dan ook recht op een transitievergoeding. Voor de hoogte van de transitievergoeding zal worden uitgegaan van het door

[verzoekster] verzochte bedrag van € 1.360,00 bruto. Dit bedrag is eveneens toewijsbaar.

4.5

De Praktijkbegeleiders heeft niet tijdig aan haar betalingsverplichtingen voldaan en is de wettelijke rente en de wettelijke verhoging verschuldigd geworden. De wettelijke rente over de transitievergoeding is ingevolge artikel 7:686a lid 1 BW toewijsbaar vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. De kantonrechter ziet geen aanleiding de wettelijke verhoging te matigen.

4.6

De door [verzoekster] verzochte bruto/netto specificaties op straffe van een dwangsom zijn eveneens toewijsbaar op de wijze als in het dictum vermeld.

4.7

Als de in het ongelijk gestelde partij wordt De Praktijkbegeleiders in de proceskosten veroordeeld. Deze kosten zijn toewijsbaar op de wijze als in het dictum vermeld, in verband met de aan [verzoekster] verleende toevoeging.

5. De beslissing

de kantonrechter:

veroordeelt De Praktijkbegeleiders tot betaling aan [verzoekster] van een bedrag van

€ 1.020,00 bruto aan achterstallig loon over de maand april 2020, een bedrag van € 1.851,20 bruto aan vakantietoeslag en een bedrag van € 233,89 bruto aan niet genoten verlofuren, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en het aldus verhoogde bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt De Praktijkbegeleiders tot betaling aan [verzoekster] van een bedrag van

€ 1.360,00 bruto aan transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd;

veroordeelt De Praktijkbegeleiders tot het verstrekken aan [verzoekster] van een deugdelijke bruto/netto specificatie, waarin de voornoemde bedragen zijn verwerkt, op straffe van een dwangsom van € 25,00 per dag met een maximum van € 1.000,00 voor elke dag dat De Praktijkbegeleiders binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking hieraan niet voldoet;

veroordeelt De Praktijkbegeleiders in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verzoekster] vastgesteld op € 83,00 aan griffierecht en € 480,00 aan salaris voor de gemachtigde, welke bedragen rechtstreeks aan de gemachtigde dienen te worden voldaan;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

829