Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:7296

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-08-2020
Datum publicatie
20-08-2020
Zaaknummer
8154656
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanneming van werk; verbouwing badkamer; geschil over omvang opdracht; gebreken; aannemer tekortgeschoten? Bewijsopdrachten over en weer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
zaaknummer: 8154656 CV EXPL 19-48175

uitspraak: 14 augustus 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiser 1] ,
wonende te [wooplaats eiser] ,

eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
gemachtigde: mr. M.P. Donkersloot (ARAG)

tegen

[gedaagde] , handelend onder de naam [handelsnaam] ,
wonende en zaakdoende te [woonplaats gedaagde] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
gemachtigde: mr. S. van den Bos (USG Legal)

Partijen worden hierna mede aangeduid als [eiser 1] en [gedaagde] .

1. Het verloop van de procedure

1.1

Dit blijkt uit:
- de dagvaarding van 5 november 2019, met producties
- de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie
- het tussenvonnis van 29 januari 2020 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald, die vanwege de coronaproblematiek geen doorgang heeft kunnen vinden
- de conclusie van antwoord in reconventie
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie
- de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2

De uitspraak van dit vonnis is vervolgens bepaald op vandaag.

2. De vaststaande feiten in conventie en in reconventie

2.1

[eiser 1] heeft in juli 2018 met [gedaagde] een mondelinge overeenkomst van aanneming gesloten. [gedaagde] zou tegen betaling renovatiewerkzaamheden aan de badkamer van [eiser 1] uitvoeren. Een deel van de werkzaamheden, het kaal aanleveren van de badkamer en het tegelen van de wanden, zou door [eiser 1] , uit kostenoverwegingen, zelf worden verricht. Er is geen vaste aanneemsom overeengekomen. [gedaagde] heeft een richtprijs genoemd van € 4.500,--.

2.2

Een e-mailbericht van [eiser 1] aan [gedaagde] van 2 juli 2018 luidt, voor zover hier van belang:

“Hallo [gedaagde] , zoals beloofd de documenten waarin de afspraken staan welke we vanmiddag hebben gemaakt. Wil je de documenten doorlopen en kijken of ik het zo goed heb weergegeven?(…)”

Als bijlagen zijn bij dat bericht gevoegd een getekende plattegrond van de badkamer met maten en een dagplanning voor de renovatiewerkzaamheden. Die planning loopt van zaterdag 7 juli tot en met donderdag 2 augustus 2018. Daarin staat een aantal werkzaamheden vermeld, met daarachter door wie van beiden deze zouden worden uitgevoerd.

2.3

[gedaagde] heeft [eiser 1] op 1 oktober 2018 twee rekeningen voor de renovatiewerkzaamheden gestuurd, een van € 3.743,46 inclusief btw en een van € 1.332,40 inclusief btw, in totaal € 5.075,86 inclusief btw.
Van die rekeningen heeft [eiser 1] een bedrag van € 1.000,-- betaald.

2.4

[eiser 1] en [gedaagde] hebben gezamenlijk een onafhankelijk expertisebureau,

Van Beek Expertise te Roosteren (hierna: de expert), ingeschakeld en aan de expert de volgende vragen voorgelegd:

1 Wat treft u aan; wat is de staat van de badkamer (inclusief de badkameraccessoires)?
2 Bent u van mening dat de wederpartij (bedoeld is [gedaagde] , kantonrechter) haar werkzaamheden deugdelijk en conform de overeenkomst heeft uitgevoerd?
3 Is er sprake van gebreken in de oplevering?
4 Wat is de oorzaak van het ontstaan van deze gebreken?
5 Hoe dienen deze gebreken te worden hersteld?
6 Welke herstelkosten zijn hiermee gemoeid?

2.5

De expert heeft op 20 mei 2019 schriftelijk gerapporteerd.

2.6

[eiser 1] heeft de firma Lekrecherche Nederland opdracht gegeven een onderzoek te verrichten naar de oorzaak van de lekkage in het plafond van zijn woonkamer.
Het onderzoek is uitgevoerd op 9 juli 2019. Het rapport (productie 10 bij dagvaarding) is ongedateerd.

2.7

Bij e-mailbericht van 30 juli 2019 heeft de gemachtigde van [eiser 1] [gedaagde] in gebreke gesteld en hem gesommeerd binnen veertien dagen te bevestigen dat hij de “objectief vastgestelde gebreken” binnen een redelijke termijn zal (laten) herstellen.
In dat bericht heeft hij laten weten dat het emailbericht als een omzettingsverklaring in de zin van artikel 6:87 BW moet worden beschouwd wanneer [gedaagde] niet binnen een redelijke termijn tot herstel zou zijn overgegaan.

3 De vordering in conventie

3.1 [eiser 1] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt aan hem te betalen een bedrag van € 6.815,29, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 6.133,61vanaf de datum van het vonnis tot de dag van volledige betaling, met zijn veroordeling in de proceskosten en de nakosten. Het bedrag van € 6.815,29 bestaat uit een hoofdsom van € 6.133,61 en een bedrag van € 681,68 aan buitengerechtelijke incassokosten.


3.2

[eiser 1] baseert zijn vordering, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, op de volgende, zakelijk weergegeven stellingen.

Hij heeft met [gedaagde] de volgende renovatiewerkzaamheden afgesproken:
- aanbrengen van nieuw leidingwerk in de vloer
- het verwijderen of afsluiten van oude ongebruikte leidingen
- het betegelen van de badkamervloer
- het monteren van een douchedrain
- het plaatsen van een stortdouche
- het aanbrengen van een douchewand
- het plaatsen van een nieuw toilet
- het monteren van diverse badkameronderdelen (spiegel/radiator/wasbak).

Onderdeel van de afspraken was dat [eiser 1] zelf ervoor moest zorgen dat de badkamer kaal werd aangeleverd. Ook zou hij de wanden zelf betegelen.
Op 31 juli 2018 is nader afgesproken dat [gedaagde] enkele wandtegels rondom de douchekraan zou plaatsen en twee tegels rondom de radiator.
De renovatiewerkzaamheden zouden begin augustus 2018 worden afgerond.

Op 23 augustus 2018 waren de werkzaamheden nog niet klaar. Ook waren er verschillende gebreken:
- de vloertegels zijn ongelijk in hoogte geplaatst en de voegen verschillen van maat
- de oude afvoerleiding is niet afgesloten
- de radiator is onjuist gemonteerd en hangt niet waterpas
- de wandtegels rondom de douchekraan zijn niet gevoegd
- de wastafel is scheef en het chromen frame ondeugdelijk gemonteerd
- de drukplaat boven het toilet is onjuist geplaatst
- het muurprofiel van de douchewand is niet afgedekt.

[gedaagde] heeft op 10 oktober 2018 gepoogd een aantal daarvan te herstellen. Wat de overige gebreken betreft nam hij het standpunt in dat dat geen gebreken waren dan wel dat ze door toedoen van [eiser 1] waren ontstaan. [eiser 1] heeft daarop zijn betaling opgeschort.
Nadien heeft hij een betaling van € 1.000,-- gedaan.


De expert van Van Beek Expertises heeft geconcludeerd dat de werkzaamheden voor een deel niet goed zijn uitgevoerd. Hij begroot de herstelkosten (arbeid en materiaal) op
€ 5.324,-- (niet duidelijk is of dit in- of exclusief btw is, kantonrechter), wanneer die werkzaamheden worden uitgevoerd door [gedaagde] .

[eiser 1] wenst inmiddels niet langer dat [gedaagde] de herstelwerkzaamheden uitvoert. Hij wil ze laten uitvoeren door een derde, die de herstelwerkzaamheden heeft begroot € 6.133,61.

Hij heeft buitengerechtelijke incassokosten moeten maken. Voor deze kosten is hij niet verzekerd. [gedaagde] moet hem die vergoeden.

4. Het verweer in conventie

[gedaagde] heeft de vordering gemotiveerd bestreden en concludeert tot afwijzing daarvan.

Op dat verweer gaat de kantonrechter hierna, waar nodig, in.

5. De vordering in reconventie

5.1

[eiser 2] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [verweeder] veroordeelt aan hem te betalen een bedrag van € 4.608,45, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 oktober 2018 tot de dag van volledige betaling, met zijn veroordeling in de proceskosten en de nakosten.
Het bedrag van € 4.608,45 bestaat uit € 4.075,86 aan restant hoofdsom, inclusief btw, en € 532,59 aan buitengerechtelijke incassokosten.

5.2

[eiser 2] baseert zijn vordering, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, op wat hij in conventie ten verwere heeft aangevoerd en op de volgende, zakelijk weergegeven stellingen. Hij heeft de renovatiewerkzaamheden naar behoren uitgevoerd. [verweeder] is bij brief van zijn gemachtigde van 3 december 2018 in gebreke gesteld. Betaling is uitgebleven, zodat hij thans in verzuim is. Hij moet hem daarom ook de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten betalen.

6. Het verweer in reconventie

[verweeder] heeft de vordering gemotiveerd bestreden en concludeert tot afwijzing daarvan. Op dat verweer gaat de kantonrechter hierna, waar nodig, in.

7. De beoordeling

7.1

Vanwege hun samenhang beoordeelt de kantonrechter de vorderingen in conventie en in reconventie gezamenlijk.

7.2

[eiser 1] vordert schadevergoeding vanwege gebreken, die volgens hem het gevolg zijn van tekortschieten van [gedaagde] in de uitvoering van het overeengekomen werk. Artikel 6:74 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis de schuldenaar verplicht de schade die de schuldeiser daardoor lijdt te vergoeden, tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend.
Wil [eiser 1] aanspraak hebben op schadevergoeding, dan moet allereerst vaststaan dat [gedaagde] is tekortgeschoten en, zo ja, dat er een oorzakelijk verband is tussen een tekortschieten van [gedaagde] en de betreffende schade.
De kantonrechter bespreekt nu achtereenvolgens de verschillende door [eiser 1] gestelde gebreken vanuit dit perspectief.

lekkageschade

7.2.1

Als het verwijderen of afsluiten van oude ongebruikte leidingen geen deel uitmaakte van de overeenkomst kan [gedaagde] in dit opzicht niet zijn tekortgeschoten.

[eiser 1] stelt dat is afgesproken dat [gedaagde] oude ongebruikte leidingen zou verwijderen of afsluiten, maar [gedaagde] bestrijdt dat. [gedaagde] voert aan dat hem ook niet bekend was dat de wastafel bij de vorige bewoners aan de linkerkant van de badkamer zat. [gedaagde] heeft enkel aanpassingen hoeven doen aan het leidingwerk aan de rechterzijde van de badkamer.
De wastafel die hij heeft geplaatst zit aan de rechterkant, op dezelfde plaats waar de bestaande wasbak zich bevond. [eiser 1] heeft die oude wasbak zelf verwijderd. Aan de linkerkant van de badkamer heeft [gedaagde] geen werkzaamheden aan het leidingwerk hoeven verrichten. Het leidingwerk daar ligt uit het zicht onder een afdekvloer. Als het al de afspraak zou zijn geweest dat hij dit leidingwerk zou verwijderen dan had [eiser 1] , die immers de badkamer kaal zou aanleveren, dit deel vrij moeten maken.

[eiser 1] is daarop bij zijn stelling gebleven. De afspraak met [gedaagde] blijkt volgens hem onder andere uit het feit dat [gedaagde] een deel van de oude leiding, die boven de vloer uitstak heeft verwijderd. Hij heeft met [gedaagde] voorafgaand aan de werkzaamheden uitvoerig gesproken over de eerdere lekkageschade, hem gewezen op een toen al aanwezige vochtplek in het plafond van zijn woonkamer en hem gevraagd met een passende oplossing te komen. Hij ging er daarbij vanuit dat [gedaagde] voldoende deskundig was daartoe. Als [gedaagde] niet bekend zou zijn geweest met de opdracht om het oude leidingwerk te verwijderen, dan had het als professioneel aannemer op zijn weg gelegen om [eiser 1] te wijzen op het risico dat ontstaat wanneer een reeds lekkend leidingwerk onaangepast in de vloer blijft liggen. [gedaagde] heeft in dat geval niet aan zijn waarschuwingsplicht voldaan, aldus [eiser 1] .

Op dat standpunt heeft [gedaagde] als volgt gereageerd. Er was bij het aangaan van de overeenkomst geen zichtbare lekkageschade aan het plafond van de woonkamer. [eiser 1] heeft met hem gesproken over lekkage links achterin de doucheruimte, die het gevolg was van slechte voegen in de oude wandtegels. Hij heeft helemaal geen leiding verwijderd en er is beslist geen afspraak gemaakt over het verwijderen van het oude leidingwerk, aldus [gedaagde] , die er nog op wijst dat in het door [eiser 1] opgestelde overzicht van 2 juli 2018 daarover ook niets is vermeld, net zomin als in de uitvoerige brief van [eiser 1] van

15 oktober 2018 aan hem en in de offerte-aanvraag aan Van Beek Expertise (productie 16 bij dupliek in conventie/repliek in reconventie).
Pas nadat de expert van Van Beek Expertise meldde dat er mogelijk nog een oude afvoer in de vloer lag heeft [eiser 1] voor het eerst, in zijn brief van 30 juli 2019, gesteld dat de oude afvoerleiding niet conform afspraak zou zijn afgesloten, aldus [gedaagde] .

7.2.2

De kantonrechter oordeelt als volgt.

De overeenkomst van aanneming is mondeling tot stand gekomen. Uit het e-mailbericht van 2 juli 2018 van [eiser 1] aan [gedaagde] blijkt van een planning door [eiser 1] van een aantal uit te voeren werkzaamheden. Welke werkzaamheden dat zijn is slechts globaal en zeer summier omschreven, en daarbij is een verdeling gemaakt tussen door [eiser 1] en door [gedaagde] uit te voeren werkzaamheden.
Op dat e-mailbericht heeft [gedaagde] diezelfde dag gereageerd. Hij schreef, voor zover hier van belang:

“He [eiser 1]

Je heb er werk van gemaakt

Zie wel

Meer werk staan nood douche aansluiten

(…)”

Het manco van deze e-mailwisseling is dat uit de summiere opsomming van de werkzaamheden door [eiser 1] niet duidelijk is wat partijen nu daadwerkelijk zijn overeengekomen (wat houdt “leidingwerk/uithakken”, “leidingwerk /koud en warm water” en “leidingwerk afvoeren” precies in?) en dat het antwoord van [gedaagde] evenmin duidelijk is: Betekenen de twee opgestoken duimpjes dat hij, [gedaagde] , akkoord is met de planning en de opsomming van de werkzaamheden, of is het niet méér dan een compliment voor de door [eiser 1] uitgevoerde werkzaamheden?

Omdat de renovatie van de badkamer in feite een “co-productie” was van [eiser 1] en [gedaagde] , was duidelijke schriftelijke afgrenzing van ieders werkzaamheden des te belangrijker.

Nu de overgelegde e-mailwisseling echter geen duidelijkheid geeft en andere gegevens niet voorhanden zijn, komt het op bewijslevering aan.
[eiser 1] zal, als de partij die zich op de rechtsgevolgen van zijn stelling beroept, volgens de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bewijs moeten leveren van zijn stelling dat het verwijderen of afsluiten van oude ongebruikte leidingen, deel uitmaakte van de opdracht aan [gedaagde] .

Slaagt hij daarin niet, dan is de volgende vraag of het aan [gedaagde] als aannemer was om
[eiser 1] te waarschuwen voor het risico dat verbonden zou zijn aan het, zoals [eiser 1] het omschrijft, onaangepast in de vloer laten liggen van een reeds lekkend leidingwerk.
Die vraag beantwoordt de kantonrechter nu reeds ontkennend. Artikel 7:754 BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat de aannemer bij het aangaan of het uitvoeren van de overeenkomst verplicht is de opdrachtgever te waarschuwen voor onjuistheden in de opdracht voor zover hij deze kende of redelijkerwijs behoorde te kennen. [gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat hij op de hoogte was of kon zijn van de aanwezigheid van oud leidingwerk en [eiser 1] heeft dat op zichzelf niet weersproken, zodat de kantonrechter van de juistheid van het standpunt van [gedaagde] uitgaat.

Van een verzaken van een waarschuwingsplicht door [gedaagde] kan dus geen sprake zijn.
Evenmin kan er, wanneer [eiser 1] de door hem gestelde opdracht niet bewijst, sprake zijn van tekortschieten van [gedaagde] . [eiser 1] heeft in dat “scenario” dan ook geen aanspraak op schadevergoeding ter zake van lekkageschade.

Slaagt [eiser 1] wel in het bewijs, dan is, nu vast staat dat [gedaagde] de oude leidingen niet heeft verwijderd of afgedopt, de vraag of de lekkage in het plafond van de woonkamer het gevolg van die omissie is.
Over deze causaliteitsvraag hebben twee deskundigen reeds hun licht laten schijnen.

In verband met door [eiser 1] genoemde lekkageschade aan het plafond van de woonkamer heeft de expert van Van Beek Expertise het volgende geschreven:

“In de woonkamer constateer ik een enorme vochtplek in het midden van het plafond.

De plek heeft een doorsnede van bijna 900 mm, is storend aanwezig en valt bij binnenkomst direct op. Ik meet vanuit het centrum van de plek de afstand tot de scheidingsmuur met de buren. Ook meet ik in de lengterichting van de woning de afstand.

Wanneer ik vervolgens deze maatvoering op de eerste verdieping uitleg kom ik in de linkerhoek aan de voorzijde van de badkamer uit. Hier staat echter niets en is ook niets gemonteerd. Met de vochtmeter kan ik hier geen waarde constateren omdat er geglazuurde vloertegels op de vloer zijn aangebracht, deze blokkeren het elektromagnetische veld van de vochtmeter. Volgens de consument heeft bij oplevering van de woning de wastafel op deze plaats gezeten. Mogelijk ligt de oude afvoer nog in de vloer. Omdat de lekkage pas is ontstaan na de recente werkzaamheden is het echter niet aannemelijk dat deze oude afvoer de veroorzaker is van de lekkage. Toch kan dit niet geheel uitgesloten worden.

Zoals reeds eerder geconstateerd zijn de vloerranden van de badkamer nog niet afgewerkt. De rand is nog open omdat er nog een tegelplint geplaatst zou worden. Het is dan ook niet ondenkbaar dat vocht door deze rand in de betonnen verdiepingsvloer trekt en in de woonkamer zichtbaar wordt.”

Over de eerder genoemde vloerranden schreef deze expert:

“(…)

Tevens moet ik opmerken dat de wandtegels niet vanaf de tegelvloer zijn gezet.

De consument heeft een ruimte overgehouden welke naar zijn zeggen gevuld gaat worden met een tegelplint. Hoewel dit in badkamers niet gebruikelijk is kan hiervoor gekozen worden. In de huidige situatie is er echter sprake van een “open goot” langs de vloertegels.”

Van Beek Expertise acht dus geen oorzakelijk verband aanwezig - maar kan het ook niet geheel uitsluiten - en ziet een andere oorzaak, die naar het oordeel van de kantonrechter in de risicosfeer van [eiser 1] ligt.

De onderzoeksconclusie van de expert van Lekrecherche Nederland luidt:

“Een bekende afvoerzijdige lekkage is nog immer actief omdat de afvoer weliswaar niet meer gebruik nog immer vulling krijgt door terugstroom. Met de badkamer renovatie is wel een deel van de afvoer van de nieuwe wastafel afgedopt en vernieuwd echter zit op dit leidingdeel niet de voormalige badkamer aangesloten.

Met de afvoer voormalige wastafel inmiddels in de vloer is geen verdere inspectie naar de feitelijke leklocatie mogelijk. De enige optie is nagenoeg enkel het T-stuk ophalen en het gedeelte voormalige afvoer af doppen. Een andere optie is de vloer openen op de locatie voormalige afvoer voor herstel van de bekende lekkage. Ook geheel nieuwe afvoeren is een optie maar vergt dit een geheel nieuwe badkamer vloer. (…)”

De expert van Lekrecherche Nederland lijkt, zo te lezen, causaal verband te zien, maar het probleem met dat laatste rapport is dat de conclusie niet helder is geformuleerd en daarom niet begrijpelijk. Daar komt bij dat dit laatste rapport in opdracht van [eiser 1] is vervaardigd en dat [gedaagde] daarbij niet is betrokken, waartegen hij terecht bezwaren heeft.

De kantonrechter zal daarom in dat geval het rapport van Van Beek Expertise tot uitgangspunt nemen bij de beoordeling. Dat rapport is in samenspraak met beide partijen tot stand gekomen. [eiser 1] en [gedaagde] hebben vragen kunnen opgeven, zijn bij het onderzoek ter plaatse aanwezig geweest en hebben opmerkingen kunnen maken, en geen van beiden heeft de deskundigheid van de expert betwist. Van Beek Expertise concludeert in zijn rapport dat de lekkage naar alle waarschijnlijkheid het gevolg is van het doordringen van vocht via de randen van de vloer. Mogelijk zal echter een nadere expertise, met mogelijk destructief onderzoek noodzakelijk zijn.

vloertegels en voegen

7.2.3

Over de vloertegels heeft Van Beek Expertise, voor zover hier van belang, het volgende geschreven:

“Met de (…) lange waterpas controleer ik op diverse plekken de vloer en constateer inderdaad hoogteverschillen tot 2 mm. Ook blijkt dat de voegen tussen de tegels niet overal gelijk zijn in breedte. Door de combinatie van de donkere vloertegel met de lichte voeg is dit optisch ook goed waarneembaar en storend. De wederpartij heeft laten weten [dat] de tegels met quicklevel clips zijn geplaatst en dat de vloer vroegtijdig is belast door de consument. Voor mij is dit niet controleerbaar.

(…)

De vloertegels zijn gezet zonder clips of de vloertegels zijn alvorens de lijm is uitgehard belast. (…) Naar opgave van de wederpartij is de consument, na het leggen van de vloertegels begonnen met het zetten van de wandtegels en heeft hierdoor de vloer belast een aangetast.”

[eiser 1] heeft bij dagvaarding erkend dat [gedaagde] gebruik heeft gemaakt van zogenaamde quicklevel-clips. Bij conclusie van dupliek in reconventie verwijst hij daarentegen naar het rapport van de expert van Van Beek Expertise onder punt 4b en stelt dat de vloertegels zonder clips zijn gezet. Dat berust echter op een onjuiste lezing van die zinsnede in het rapport. Die luidt immers: “De vloertegels zijn gezet zonder clips of de vloertegels zijn alvorens de lijm is uitgehard belast.” De kantonrechter gaat er dan ook vanuit dat de vloertegels zijn gezet, zoals [gedaagde] ook heeft gesteld, met gebruikmaking van het quicklevel-systeem.

[gedaagde] heeft bij conclusie van antwoord in conventie onweersproken toegelicht dat bij het quicklevel-systeem de vloertegels gelijk worden getrokken door middel van een kunststof keg onder een centreerbeugel, waardoor de vloertegels altijd op gelijke hoogte komen te liggen en dat hij gebruik heeft gemaakt van een 10 mm lijmkam waardoor een droogtijd in acht moet worden genomen van op zijn minst 48 uur, waartoe hij [eiser 1] ook heeft geïnstrueerd, aldus [gedaagde] . [eiser 1] heeft ook erkend dat hij die instructie heeft gekregen.

[gedaagde] voert voorts aan dat hij op zaterdag 28 juli omstreeks 16.00 uur de werkzaamheden aan de vloer heeft afgerond en dat, toen hij op maandagochtend 30 juli weer op het werk kwam, de rechterwand van de badkamer bijna geheel betegeld bleek te zijn.

Hij heeft voorts onweersproken aangevoerd dat het door hem aangebrachte quicklevel-systeem toen deels verwijderd en kapotgetrapt bleek.

[eiser 1] bestrijdt dat hij de vloer te vroeg heeft betreden. Hij heeft dat pas maandagavond 30 juli gedaan en heeft zich aldus aan de instructie van [gedaagde] gehouden, zo stelt hij.

Met die algemene betwisting kan hij, tegenover het gemotiveerde en gedetailleerde verweer van [gedaagde] en mede gelet op het feit dat een minimale droogtijd was geadviseerd, niet volstaan. De kantonrechter gaat daarom uit van de juistheid van het verweer van [gedaagde] dat de vloer te vroeg is betreden. Dat is ook in lijn met het oordeel van de expert over de oorzaak van de hoogteverschillen tussen de tegels bij aanwezigheid van een quicklevel-systeem. De te vroege belasting van de vloer ligt aldus in de risicosfeer van [eiser 1] , zodat niet kan worden gezegd dat [gedaagde] op dit punt is tekortgeschoten. Hij kan dus niet aansprakelijk worden gehouden voor de schade op dit punt.


Wat de breedteverschillen van de voegen betreft heeft [gedaagde] aangevoerd dat dat veroorzaakt is door verzakking van een aantal tegels ten gevolge van het te vroege betreden van de vloer door [eiser 1] . [eiser 1] heeft dat betwist. De expert heeft zich op dit punt niet uitgelaten, behalve dan dat hij de verschillen heeft geconstateerd en in beeld gebracht. Op de foto’s 40 en 41 bij het expertiserapport zijn die goed waarneembaar. De kantonrechter kan niet zonder meer aannemen dat die breedteverschillen in de voegen zijn veroorzaakt door de verzakking. Ook op dit punt komt het dus aan op bewijslevering. [gedaagde] zal, als de partij die zich op de rechtsgevolgen van zijn verweer beroept, volgens de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bewijs moeten leveren van zijn verweer dat de breedteverschillen van de voegen zijn veroorzaakt door verzakking van een aantal tegels ten gevolge van het te vroege betreden van de vloer door [eiser 1] . Het is uiteraard aan [gedaagde] om zelf te bepalen hoe hij dat bewijs denkt bij te brengen, maar de kantonrechter kan zich voorstellen dat aan Van Beek Expertise opdracht wordt gegeven ten aanzien van dit aspect aanvullend te rapporteren. Indien [gedaagde] in dat bewijs slaagt zal die tekortkoming zich mogelijk kunnen vertalen in schadevergoeding. In een later stadium zal de kantonrechter daarop zo nodig terugkomen.

douchewand

7.2.4

[eiser 1] stelt dat het muurprofiel van de douchewand niet is afgekit. [gedaagde] erkent dat, maar voert aan dat hij dat op uitdrukkelijk verzoek van [eiser 1] niet heeft gedaan.

[eiser 1] zei hem dat hij het zelf zou doen, in verband met een door hemzelf nog te plaatsen tegelplint, aldus [gedaagde] .

De kantonrechter oordeelt als volgt.

Normaal gesproken hoort bij het plaatsen van een douchewand tegen een muur ook het afkitten daarvan. In dit geval moest er nog een tegelplint worden geplaatst en onbetwist is dat dat tot de taken van [eiser 1] hoorde. Daarom kan de kantonrechter zonder verdere toelichting, die ontbreekt, niet aannemen dat het afkitten van de douchewand tot de opdracht aan [gedaagde] hoorde. Van tekortschieten van [gedaagde] is dus geen sprake en [eiser 1] heeft geen aanspraak op schadevergoeding op dit punt.


radiator

7.2.5

Over de radiator heeft de expert het volgende geschreven:

“Een radiator kan altijd met aansluitingen aan boven- of aansluitingen aan onderzijde worden geplaatst. Er is dus geen sprake van een fout. Wanneer de aansluitingen aan de onderzijde zitten dient er een zogenaamde stromingsbuis in de radiator te worden geplaatst. In de huidige situatie is er echter sprake van een Engelse radiator die geen stromingsbuis kent. Op de website van Hudson Reed staat hierover het volgende:

“Je kunt de aanvoer en afvoer aan de onderzijde van de radiator aansluiten tevens kan de aanvoer ook op het hoogste punt worden aangesloten en de afvoer op het laagste punt. Wanneer voor optie nummer twee kiest zult u altijd de aan- en afvoer diagonaal van elkaar moeten plaatsen zodat het water de langste weg door de radiator moet afleggen.”

De radiator is derhalve niet goed aangesloten. Omdat zowel de aanvoer als de retour aan de bovenzijde zijn gerealiseerd.

(…)

De radiator blijkt iets scheef te hangen.”

[eiser 1] stelt dat de radiator onjuist is gemonteerd en niet waterpas hangt.
[gedaagde] heeft dat gemotiveerd bestreden. Zijn bezwaar is dat de expert zich baseert op wat op de website van Hudson Reed staat vermeld, maar heeft nagelaten bij Hudson Reed te informeren of wat op de website staat vermeld ook geldt voor de handdoekradiator die

[eiser 1] heeft aangeschaft.

Dat verweer kan niet slagen. De kantonrechter neemt de conclusie van de expert over.

Zijn rapport is, zoals hiervoor al is overwogen, in samenspraak met beide partijen tot stand gekomen, beiden hebben vragen kunnen opgeven, zijn bij het onderzoek ter plaatse aanwezig geweest en hebben opmerkingen kunnen maken, en geen van beiden heeft de deskundigheid van de expert betwist. Overigens had [gedaagde] de door hem verlangde informatie ook zelf bij Hudson Reed kunnen vragen.

De conclusie is dat [gedaagde] op dit punt is tekortgeschoten en gehouden is tot vergoeding van de schade.

wandtegels rondom de douchekraan

7.2.6

Over de wandtegels rondom de douchekraan schrijft de expert:

“De voegen van de wandtegels rondom de kraan zijn afgeplakt met duct tape. Wanneer ik dit tape verwijder constateer ik dat de voegen nog geheel open liggen.”

[eiser 1] stelt dat [gedaagde] deze wandtegels had moeten voegen.

[gedaagde] is van mening dat hem slechts gevraagd is enkele tegels rondom die kraan te plaatsen, meer niet. De zoon van [eiser 1] zou voor het voegen zorgen, zo voert hij aan.

De kantonrechter oordeelt als volgt.

[eiser 1] heeft niet onderbouwd waarom die taak op [gedaagde] rustte. Normaal gesproken hoort bij tegelen ook voegen, maar in dit geval was het tegelen van de wand een afgesproken taak van [eiser 1] . Daarom kan de kantonrechter zonder verdere toelichting, die ontbreekt, niet aannemen dat het voegen van die enkele wandtegels tot de opdracht aan [gedaagde] hoorde. [gedaagde] is dus niet tekortgeschoten en [eiser 1] heeft geen aanspraak op schadevergoeding op dit punt.

wastafel

7.2.7

Over de wastafel heeft de expert het volgende geschreven:

“De wastafel blijkt ook scheef gemonteerd te zijn. Daarnaast constateer ik dat het chromen frame welke onder de wastafel is geplaatst niet geheel deugdelijk is geplaatst. De twee rustpunten zijn voorzien van extra rubberen dragers. Naar alle waarschijnlijkheid omdat dit qua hoogte uitgevuld moest worden. De poten van het frame staan “los” op de vloertegels. Dit is ook gebruikelijk bij dergelijke wastafelframes. Wanneer hier echter tegenaan gestoten of gelopen wordt kan de poot eenvoudig verschuiven. Dit kan worden opgelost door de onderzijde van de poten met een druppel kit te verlijmen aan de vloertegels.

(…)

De wastafel dient waterpas opgehangen te worden. Ook moet deze circa 12 mm zakken zodat deze beter steunt op het frame.”

[eiser 1] stelt dat de wastafel en het chromen frame daaronder niet deugdelijk zijn gemonteerd. De wastafel hangt scheef en zou 12 mm lager moeten hangen.

[gedaagde] bestrijdt dat. Hij heeft [eiser 1] erop gewezen dat het frame veel te laag was ten opzichte van de gewenste hoogte van de wastafel, maar [eiser 1] heeft hem gezegd dat hij zou zorgen voor opvulling met het een of ander. Hij heeft toen de wastafel gemonteerd op de door [eiser 1] gewenste hoogte. Hij heeft echter gezien dat [eiser 1] de wastafel meermalen met kracht op en neer heeft bewogen.

[eiser 1] heeft dat laatste bestreden en voorts gesteld dat over de hoogte van de wastafel geen expliciete afspraken zijn gemaakt en dat hij uitging van de kundigheid van [gedaagde] .

De kantonrechter oordeelt als volgt.

Zelfs als zou vaststaan dat [eiser 1] de wastafel met kracht op en neer heeft bewogen, zoals [gedaagde] aanvoert maar [eiser 1] betwist, dan nog betekent dat dat de montage niet goed is geweest omdat bij een juiste montage de wastafel ook bij stevig op en neer bewegen niet scheef zou mogen gaan hangen. In dit opzicht is [gedaagde] dus tekortgeschoten.

De wastafel rust op een chromen frame en dat heeft een bepaalde hoogte. Gezien die vaststaande hoogte van het frame ligt het niet voor de hand de wastafel hoger te monteren, omdat uitvullen dan noodzakelijk wordt, tenzij de opdrachtgever die afwijkende hoogte wenste. [eiser 1] heeft in de brieven van zijn gemachtigde van 21 december 2018 en

4 februari 2019 (producties 5 en 7 bij dagvaarding) niets gemeld over een te lage plaatsing van de wastafel. Pas na het oordeel van de expert heeft hij zich op dat standpunt gesteld.

Op het verweer van [gedaagde] over de feitelijke gang van zaken heeft hij niet (voldoende) gemotiveerd gereageerd. De kantonrechter neemt daarom aan dat de wastafel op de door

[eiser 1] destijds gewenste hoogte is geplaatst. Op dit punt is [gedaagde] niet tekortgeschoten en [eiser 1] heeft geen aanspraak op schadevergoeding.

wc

7.2.8

De expert heeft over de drukplaat boven de wc het volgende geschreven:

“(…)

De uitsparing die achter de tegels in het hout is gemaakt voor de drukplaat is te groot en de drukplaat is niet goed vastgezet op het achterliggende reservoir. De door de consument geplaatste wandtegels lopen onvoldoende door om een naadloze aansluiting te krijgen. De linker bout waarmee deze is bevestigd moet worden kan ik eenvoudig naar voren trekken.

(…)

De drukplaat is niet goed gemonteerd. Deze dient beter vastgezet te worden.”

[eiser 1] stelt dat de drukplaat onjuist is geplaatst. [gedaagde] bestrijdt dat en wijt het euvel aan de plaatsing van de tegels door [eiser 1] . Wat er van dat laatste ook zij: de expert heeft geconstateerd dat de drukplaat niet goed is vastgezet op het achterliggend reservoir en dat dat alsnog moet gebeuren. Dat is dus een tekortkoming van [gedaagde] , waarvoor hij schadeplichtig is.

buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente in conventie

7.3

[eiser 1] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat namens hem buiten-

gerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. De kantonrechter zal het bedrag van die kosten tezijnertijd relateren aan het in hoofdsom toe te wijzen bedrag.

De wettelijke rente en de ingangsdatum daarvan zijn niet betwist en daarom tezijnertijd toewijsbaar.

buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente in reconventie

7.4

[gedaagde] heeft eveneens voldoende aannemelijk gemaakt dat namens hem buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag is in overeenstemming met de gebruikelijke tarieven en daarom tezijnertijd toewijsbaar.

De wettelijke rente over de hoofdsom en de ingangsdatum daarvan zijn niet betwist en daarom eveneens tezijnertijd toewijsbaar. De wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten is niet toewijsbaar omdat gesteld noch gebleken is dat deze kosten daadwerkelijk zijn betaald.

7.5

[eiser 1] vordert, na een omzettingsverklaring, vervangende schadevergoeding. Hij wil de schade die het gevolg is van de tekortkomingen van [gedaagde] laten herstellen door een derde. Door de omzettingsverklaring is de oorspronkelijke verbintenis van [gedaagde] tenietgegaan en omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding.

De omvang van de vervangende schadevergoeding wordt bepaald aan de hand van de bepalingen van afdeling 10 van titel 1 BW. Omdat de vervangende schadevergoeding in de plaats treedt van de prestatie zelf zal het in beginsel gaan om vergoeding van de waarde van de prestatie. De waarde zal in het algemeen moeten worden bepaald aan de hand van een objectieve waarderingsmethode, waarbij wordt uitgegaan van de vervangingswaarde in het economisch verkeer. De vervangende schadevergoeding zal te zijner tijd moeten worden begroot. Niet uit te sluiten valt dat deze schade door een door de rechtbank te benoemen deskundige dient te worden vastgesteld.

Tot dusverre is [gedaagde] schadeplichtig geoordeeld ten aanzien de radiator, de scheefhangende wastafel en de drukplaat van de wc.

Afhankelijk van de uitkomst van de bewijslevering door [eiser 1] kan daar nog bijkomen de lekkageschade en afhankelijk van de bewijslevering door [gedaagde] kan daar ook nog bijkomen de schade aan de voegen van de vloertegels.

[eiser 1] heeft als productie 9 bij dagvaarding een offerte overgelegd van [bedrijf] . Die is op zichzelf door [gedaagde] niet betwist, maar in deze vorm niet goed bruikbaar voor begroting van de schade.

7.5

De verbintenis van [gedaagde] vloeit voort uit een wederkerige overeenkomst en dat brengt mee dat de oorspronkelijke schuldeiser, [eiser 1] , gehouden blijft zijn eigen prestatie te verrichten. Wanneer [eiser 1] dat niet wilde had hij de keuze kunnen maken ontbinding te vorderen met schadevergoeding. Dat heeft hij echter niet gedaan. Op de gemaakte keuze voor vervangende schadevergoeding kan hij in beginsel niet terugkomen.

Het is dus van tweeën één: als [eiser 1] vervangende schadevergoeding van [gedaagde] ontvangt moet hij wel het restant van de rekening van [gedaagde] betalen. Hij kan in dit geval dus niet in reconventie met succes tot afwijzing van de vordering concluderen.

[eiser 1] heeft wel in algemene termen de gegrondheid van de reconventionele vordering betwist, maar de hoogte van het bedrag van de gespecificeerde rekeningen van [gedaagde] (productie 6 bij conclusie van eis in reconventie) op zichzelf onweersproken gelaten.
Het bedrag van de gevorderde restant hoofdsom, € 4.075,86 is daarom toewijsbaar.

In afwachting van de beslissing in conventie zal de beslissing in reconventie worden aangehouden.

7.6

De kantonrechter overweegt in verband met het verdere verloop van deze procedure het volgende.

[eiser 1] en [gedaagde] hebben afspraken gemaakt, maar die niet (goed) vastgelegd.

Hadden zij slechts 1% van de tijd die tot dusverre met deze procedure is gemoeid besteed aan het maken van precieze afspraken en het zorgvuldig (en gedetailleerd) vastleggen daarvan, dan was deze procedure misschien niet nodig geweest en hadden zij in onderling overleg tot een oplossing kunnen komen. Deze opmerking kan elk van partijen zich aanrekenen.

[eiser 1] en [gedaagde] kunnen in samenspraak met hun gemachtigden waarschijnlijk hun kansen bij bewijslevering goed inschatten. Zowel [gedaagde] als hij kunnen ook nagaan dat aan een eventueel deskundigenonderzoek aanzienlijke kosten verbonden zullen zijn, die afhankelijk van de uitkomst van de procedure op een van hen, dan wel op elk van beiden voor een deel zullen rusten, nog afgezien van de bedragen die mogelijk gemoeid zijn met het horen van getuigen. En dan heeft de kantonrechter het nog niet over het langdurige tijdsverloop van de procedure, dat met de beslissing van vandaag naar het aanziet nog lang niet is afgelopen, omdat nu nog geen eindbeslissing kan worden gegeven aangezien bewijslevering noodzakelijk is. Dat moet voor partijen zelf onaangenaam zijn. Daarom geeft de kantonrechter [eiser 1] en [gedaagde] in serieuze overweging om mede aan de hand van de tot dusverre gegeven oordelen op de verschillende punten te proberen tot een minnelijke oplossing te komen.

7.7

Bij deze stand van zaken wordt in conventie in afwachting van eventuele bewijslevering iedere verdere beslissing aangehouden. In reconventie wordt in afwachting van de in conventie te geven beslissing iedere beslissing aangehouden.

8. De beslissing

De kantonrechter

in conventie

laat [eiser 1] toe te bewijzen dat het verwijderen of afsluiten van oude ongebruikte leidingen deel uitmaakte van de opdracht aan [gedaagde] ;

laat [gedaagde] toe te bewijzen dat de breedteverschillen van de voegen zijn veroorzaakt door verzakking van een aantal tegels ten gevolge van het te vroege betreden van de vloer door [eiser 1] ;

verwijst de zaak naar de rolzitting van de kantonrechter van dinsdag 8 september 2020

om 14.30 uur om [eiser 1] respectievelijk [gedaagde] in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten of en, zo ja, op welke wijze zij van de bewijsmogelijkheid gebruik zullen maken;

wijst [eiser 1] en [gedaagde] erop dat de schriftelijke reactie in tweevoud dient te worden ingestuurd en dat deze uiterlijk de dag vóór genoemde rolzitting om 12.00 uur ter griffie ontvangen moet zijn;

bepaalt dat [eiser 1] en [gedaagde] , indien hij getuigen wenst te horen, bij die gelegenheid het aantal en de namen van eventueel te horen getuigen dient op te geven – in welk geval hij tevens opgave dient te doen van de verhinderdata van partijen en de getuigen voor de maanden september en oktober 2020 – en/of op het bewijsthema betrekking hebbende stukken in het geding mag brengen;

wijst [eiser 1] en [gedaagde] erop dat namen en woonplaatsen van eventueel voor te brengen getuigen ten minste zeven dagen vóór het te houden getuigenverhoor schriftelijk aan de kantonrechter en de wederpartij moeten worden aangezegd;

bepaalt dat een eventueel getuigenverhoor zal worden gehouden in het gerechtsgebouw aan het adres Wilhelminaplein 100/125 in Rotterdam (het rode gebouw), ten overstaan van de hierna te noemen kantonrechter;

houdt iedere verdere beslissing aan.

in reconventie

houdt iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.M. van de Ven en uitgesproken ter openbare terechtzitting.