Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:7277

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-08-2020
Datum publicatie
20-08-2020
Zaaknummer
C/10/597796 / JE RK 20-1584
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

zaakgegevens: C/10/597796 / JE RK 20-1584

datum uitspraak: 18 augustus 2020

beschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

hierna te noemen de GI, gevestigd te Rotterdam,

betreffende

[naam kind] ,

geboren op [geboortedatum kind] 2008 te [geboorteplaats kind], hierna te noemen [naam kind] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats moeder] ,

[naam vader] ,

hierna te noemen de vader, wonende te [woonplaats vader] .

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 4 juni 2020, ingekomen bij de griffie op 5 juni 2020;

- het faxbericht met bijlagen van de advocaat van de moeder, mr. M.S. Krol, van 10 augustus 2020.

Op 11 augustus 2020 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Gehoord zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. Krol voornoemd,

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat mr. R.A.F. Jansen,
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam vertegenwoordiger] .

De feiten

Het ouderlijk gezag over [naam kind] wordt uitgeoefend door de ouders. [naam kind] verblijft op grond van een machtiging uithuisplaatsing bij de vader.

Bij beschikking van 12 augustus 2019 is de ondertoezichtstelling van [naam kind] verlengd tot 21 augustus 2020. De kinderrechter heeft bij deze beschikking ook de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] bij de vader verlengd tot 21 augustus 2020.

Het verzoek

De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [naam kind] te verlengen voor de duur van een jaar. Tevens wordt verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] bij de vader te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

De GI heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. In de thuissituatie bij de vader is langere periode hulpverlening vanuit het wijkteam betrokken geweest, welke een paar maanden geleden positief is afgesloten. Er werden geen redenen gezien om deze hulp te verlengen. Verder heeft bij de vader Video Interactie Begeleiding (VIB) plaatsgevonden waarbij wordt gekeken naar de interactie tussen de vader en [naam kind] . Ook dit traject is zeer positief verlopen. Geprobeerd is om VIB ook in de thuissituatie bij de moeder in te zetten, maar vanwege ontbrekend aanbod van het wijkteam in Barendrecht en ontbrekende financiën om het elders te laten plaatsvinden, is dit niet van de grond gekomen.

Na de zomervakantie zal vanuit school aan [naam kind] een coach worden toegewezen zodat [naam kind] met een neutraal persoon kan praten. Op school heeft [naam kind] de laatste maanden erg opstandig gedrag laten zien. [naam kind] maakt zich soms veel zorgen om de moeder en bevindt zich in een loyaliteitsconflict.

De moeder zou graag een groter deel van de opvoeding en verzorging van [naam kind] op zich willen nemen. Zij is in behandeling bij Antes, werkt aan de opgestelde doelen en komt gemaakte afspraken na. Met het onder controle houden van haar emoties, heeft de moeder echter moeite. Zo is het afscheid tussen de moeder en [naam kind] zeer beladen waardoor het voor [naam kind] lastiger is om terug te keren naar de vader. In 2019 is onderzoek uitgevoerd door het Kennis- en Servicecentrum voor Diagnostiek (KSCD). Hieruit is gebleken dat de moeder niet in staat is voor langere tijd de zorg voor [naam kind] te dragen. Daarbij werd geadviseerd de bezoeken die plaatsvonden, in te korten, in plaats van uit te breiden. Het rapport met voornoemd advies is twee jaar geldig. Wanneer het in het belang van [naam kind] wordt geacht, zou na verloop van deze termijn mogelijk een tweede onderzoek kunnen plaatsvinden.

Positief te benoemen is dat beide ouders open staan voor mediation en een traject bij Enver zal worden gestart zodra de ouders hiervoor de ingevulde formulieren hebben opgestuurd. Hopelijk komen de ouders door dit traject meer op een lijn te staan. [naam kind] moet immers van de beide ouders het gevoel krijgen dat hij bij beide ouders mag zijn. De komende periode moet worden bezien wat voor effect de mediation gaat hebben en hoe de gesprekken tussen [naam kind] en zijn coach gaan verlopen.

De mening van [naam kind]

heeft in het kind-gesprek aangegeven dat als hij zou mogen kiezen hij bij zijn moeder zou wonen en dat hij enkel in het weekend bij zijn vader zou zijn. Als dat niet zou kunnen, zou hij om de week willen wisselen. [naam kind] heeft diverse zaken benoemd die hij niet fijn vindt bij zijn vader (drankgebruik, geweld en drugs). [naam kind] concludeert dat hij beter af is als hij bij zijn moeder zou wonen.

Het standpunt van de belanghebbenden

Door en namens de moeder is geen verweer gevoerd tegen het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling. Met betrekking tot het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is verzocht deze te verlengen voor kortere duur, en wel voor de duur van zes maanden met aanhouding van het overig verzochte. Hiertoe is aangevoerd dat het perspectief van [naam kind] nog niet is bepaald en dat er de komende periode aanvullend onderzoek moet komen. Hierbij is het van belang dat de kinderrechter een vinger aan de pols houdt.

Uit het KSCD-onderzoek blijkt dat niet wordt uitgesloten dat de moeder op een bepaald moment weer de zorg voor [naam kind] zou kunnen dragen. In het KSCD rapport staat dat het de moeder op dit moment onvoldoende lukt om een stabiel en emotioneel veilig opvoedingsklimaat te bieden. Het is nog onduidelijk in hoeverre het gedrag van de moeder veranderbaar is en binnen een termijn van zes tot twaalf maanden zal de hulpverlening de situatie niet kunnen veranderen. De moeder heeft de afgelopen periode hard aan zichzelf gewerkt en een stijgende lijn ingezet. Het is echter nog van belang dat passende hulp wordt ingezet waarbij rekening wordt gehouden met de beperkingen van de moeder. Door het KSCD werd VIB geadviseerd in te zetten. De moeder staat hiervoor open en het is dan ook zeer zorgelijk dat dit nog altijd niet van de grond is gekomen. Met behulp van VIB kan immers ook inzichtelijk worden gemaakt of de moeder [naam kind] daadwerkelijk emotioneel belast. Dit kan ook onbewust plaatsvinden, maar dan kunnen de moeder handvatten worden geboden om hierin verandering te brengen.

Als het goed zou gaan met [naam kind] bij de vader, dan zou de moeder zich bij het rapport van het KSCD kunnen neerleggen, maar dit is niet het geval. Dit maakt dat in de komende periode aan de moeder de juiste hulp moet worden geboden en aanvullend onderzoek moet plaatsvinden. De GI heeft ter zitting aangegeven dat er mogelijkheden zijn om een nieuw onderzoek te laten plaatsvinden. Ook moet worden gericht op het mediationtraject en moet voor [naam kind] de juiste hulp worden ingezet.

Namens de moeder is tevens verzocht voor [naam kind] een bijzondere curator te benoemen zodat voor hem passende hulp kan worden ingezet en zijn standpunt kan worden verwoord zonder tussenkomst van de ouders.

Door en namens de vader is geen verweer gevoerd tegen het verzoek. Aangegeven is dat [naam kind] veel last heeft van de huidige situatie en dat hij klem zit tussen de ouders. Dit blijkt onder meer uit het gegeven dat [naam kind] bij de vader opstandig gedrag gaat vertonen rondom de zittingsdata. Noch vanuit de school, noch van andere instanties komen signalen dat [naam kind] bij de vader niet op zijn plek zou zitten. Het is opvallend dat hij deze uitspraken doet rondom de zitting. Onderzocht moet worden of de uitspraken die [naam kind] doet voortkomen uit het loyaliteitsconflict waarin hij zich bevindt, hij mogelijk wordt geïnstrueerd of dat hij verhalen vertelt die niet kloppen. Hierop volgend moet voor [naam kind] de juiste hulp worden ingezet. Mogelijk kan hiervoor ook een bijzondere curator worden benoemd. Ook moet de communicatie tussen de ouders worden hersteld. De ouders zitten niet op een lijn en dat heeft invloed op het gedrag van [naam kind] .

De vader heeft altijd meegewerkt aan de hulpverlening en zich open opgesteld. Hij volgt de adviezen op. Verder blijkt uit het KSCD-onderzoek dat de moeder niet in staat is voor langere tijd de zorg voor [naam kind] te dragen. De huidige situatie dient dan ook te worden voortgezet. Er bestaat bezwaar tegen de uitvoering van een eventueel tweede onderzoek, nu dit niet in het belang van [naam kind] wordt geacht. [naam kind] heeft het recht te weten waar hij gaat opgroeien. Hij woont al drie jaar bij de vader en over de vaardigheden van de moeder bestaan twijfels. Wanneer een tweede onderzoek zal plaatsvinden, zal pas over anderhalf tot twee jaar duidelijkheid worden gecreëerd, terwijl [naam kind] rust nodig heeft.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [naam kind] nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Er blijven zorgen over de sociaal-emotionele en cognitieve ontwikkeling van [naam kind] bestaan, waarbij thans ook nog is gaan spelen dat sinds deze zomer de school zorgen uit over het gedrag van [naam kind] : hij loopt tegen een schorsing aan. En ook thuis ervaart de vader [naam kind] de laatste tijd als opstandig. Verder geldt nog steeds dat – zoals de kinderrechter van deze rechtbank in de vorige beschikking reeds vaststelde – dat [naam kind] wordt belast met volwassen zorgen en dat hij in een loyaliteitsconflict tussen de ouders zit, hetgeen bijzonder belastend en schadelijk is voor zijn ontwikkeling. De jeugdbeschermer rapporteert dat de moeder niet inziet dat zij [naam kind] beschadigt, bijvoorbeeld als ze [naam kind] huilend laat opbellen om langer bij de moeder te blijven dan afgesproken. En hoewel in het verleden soms de communicatie tussen de ouders engszins verbeterde, blijft het voor de ouders lastig te overleggen en elkaar te informeren, zonder ruzie te krijgen.

Tekenend voor dit laatste is dat de vader er niet van op de hoogte van was dat [naam kind] naar de rechtbank zou komen om met de kinderrechter te praten (anders dan de moeder op de zitting heeft gesuggereerd, heeft de rechtbank [naam kind] ook niet opgeroepen voor een kind-gesprek, omdat hij de daarvoor gehanteerde leeftijd nog niet had).

Uit dit kind-gesprek zelf komt verder duidelijk naar voren dat [naam kind] in een enorm loyaliteitsconflict zit. Uit de overlegde stukken blijkt dat [naam kind] zich zorgen maakt om zijn moeder en haar wil beschermen en anderzijds dat de moeder de plaatsing bij de vader niet ondersteunt c.q. co-ouderschap nastreeft. Het is met name in dat licht dat de kinderrechter de uitspraken van [naam kind] over het opvoedklimaat bij de vader beziet. Het is voor de kinderrechter evident dat [naam kind] op dit moment zijn moeder ter wille wil zijn en dat hij denkt dat dit op dit moment het beste gebeurt door slecht over zijn vader te spreken. Uit de stukken volgen ook geen zorgen over het opvoedklimaat bij de vader, eerder het tegendeel.

De kinderrechter is - zoals hij ook op de zitting aangaf - geschrokken van wat [naam kind] in het kind-gesprek heeft verteld. Zorgelijk zijn bijvoorbeeld “volwassen” uitspraken als “Een kind hoort bij de moeder” of “Ik heb door mijn vader overgewicht, omdat mijn vader mij behandelt als zijn vriend” of “mamma kan, als ik problemen geef, dat zelf oplossen, pappa kan dat niet, die gaat dan familie bellen.” Nog zorgelijker vindt de kinderrechter het gebrek aan reactie bij de moeder toen de kinderrechter haar op de zitting meermaals vroeg te reageren c.q. reflecteren op de samenvatting die hij gaf van het kind-gesprek. De kinderrechter wil thans in het midden laten of de moeder de (belangrijkste) voedingsbodem is voor dergelijke uitspraken, de komende periode van de ondertoezichtstelling zal de moeder - in het belang van [naam kind] - moeten laten zien in woord en daad dat zij de plaatsing van [naam kind] bij de vader ondersteunt, ook al verdraagt zich dat niet met haar eigen wensen. De kinderrechter brengt in dit verband in herinnering dat het KSCD heeft geadviseerd de hoofdverblijfplaats bij de vader te laten zijn. Dat dit juridisch niet is vastgelegd, doet daaraan niet af. De jeugdbeschermer zal de moeder daarbij dienen te begeleiden, zo nodig met passende hulpverlening. De kinderrechter heeft overigens zeker acht geslagen op het feit dat de moeder op bepaalde gebieden in relatie tot met name zichzelf vorderingen heeft gemaakt, maar dit maakt het voorgaande niet anders.

Uit voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [naam kind] verlengen voor de duur van een jaar. De focus zal - naast het voorgaande - dienen te liggen op het verbeteren van de communicatie tussen de ouders.

Ook is de verlenging van de uithuisplaatsing van [naam kind] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, BW) (omdat de juridische hoofdverblijfplaats bij de moeder is). De kinderrechter verleent die machtiging voor de duur van de ondertoezichtstelling, omdat daarmee de meeste duidelijkheid voor [naam kind] bestaat waar hij in de toekomst zal verblijven. Het is niet in zijn belang dat telkens dezelfde vragen worden opgeroepen, omdat dit veel onrust bij hem oproept.

De kinderrechter heeft overwogen een bijzondere curator te benoemen, maar ziet daar van af, met name omdat [naam kind] vanaf september 2020 vanuit school met een coach aan de slag zal gaan en de kinderrechter het te zeer belastend voor hem vindt, indien hij ook gesprekken zal moeten gaan voeren met een bijzondere curator.

De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [naam kind] tot 21 augustus 2021;

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] bij de vader tot 21 augustus 2021;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.J. Stalenberg, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. V. de Roo als griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.